(3). Het is aan de minister om te motiveren in hoeverre het feit dat betrokkene niet is verschenen op zijn nader gehoor de minister daadwerkelijk heeft belemmerd in haar onderzoeksmogelijkheden. Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat zij voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang toen betrokkene minderjarig was?
- Anders dan de minister aanvoert, volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670, onder 16, tweede alinea, en eerdergenoemde uitspraak van 19 april 2024, onder 1, niet dat de rechtbank had moeten oordelen dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij bij haar onderzoek naar adequate opvang voortvarend heeft gehandeld en dat zij dat onderzoek niet kon afronden tijdens de minderjarigheid van betrokkene. Uit het terecht door de minister voorgedragen betoog dat betrokkene niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar adequate opvang voor zover dat tijdens een nader gehoor kan plaatsvinden, volgt niet waarom de minister geen onderzoek heeft kunnen doen naar adequate opvang naar aanleiding van de aanknopingspunten die betrokkene eerder heeft aangevoerd. De Afdeling wijst op het volgende. 5.
- In eerdergenoemde uitspraak van 12 juli 2023 heeft de Afdeling overwogen dat het aan de minister is om in het concrete geval aannemelijk te maken dat zij gedurende de minderjarigheid van een vreemdeling voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang heeft gewerkt. De minister moet in haar asielbesluit inzichtelijk maken welke stappen zij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij mag de minister ook betekenis toekennen aan de leeftijd van een vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten motiveren of en, zo ja, op welke wijze aan een vreemdeling een verblijfsrecht volgens het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of de minister alsnog een terugkeerbesluit moet nemen. 5.
- Uit eerdergenoemde uitspraak van 19 april 2024, onder 1, volgt verder dat de minister in die zaak deugdelijk had gemotiveerd waarom zij het onderzoek naar adequate opvang voor een minderjarig vreemdeling nog wilde voortzetten na het nemen van een asielbesluit door erop te wijzen dat die vreemdeling niet was verschenen voor een nader gehoor. 5.
- De minister beroept zich tevergeefs op eerdergenoemde uitspraken van 12 juli 2023 en 19 april 2024, omdat zij in deze zaak niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet verschijnen van betrokkene voor zijn nader gehoor op 18 april 2024 op zichzelf al maakt dat zij het onderzoek naar adequate opvang niet kon afronden voor de meerderjarigheid van betrokkene en zij terecht een terugkeerbesluit heeft genomen. 5.
- Die motivering volgt niet uit de door de minister aangehaalde omstandigheden dat zij het onderzoek naar adequate opvang heeft opgestart toen betrokkene minderjarig was door betrokkene in het aanmeldgehoor vragen te stellen over zijn familieleden in Syrië, dat betrokkene vervolgens het onderzoek heeft gefrustreerd door niet te verschijnen voor een nader gehoor en dat zij de gemachtigde van betrokkene heeft gebeld over het niet verschijnen voor een nader gehoor. De minister maakt met haar verwijzing naar die omstandigheden namelijk niet inzichtelijk dat zij geen andere onderzoeksmogelijkheden had ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene dan de mogelijkheid die betrokkene heeft gefrustreerd door niet op zijn nader gehoor van 18 april 2024 te verschijnen. Daarbij is van belang dat betrokkene wel aanknopingspunten voor onderzoek naar voren heeft gebracht door te verklaren over familieleden met wie hij toen contact had. Verder blijkt niet dat er geen contact meer met betrokkene zelf, zijn gemachtigde of voogd mogelijk was in het kader van het onderzoek naar adequate opvang. De gemachtigde heeft in de zienswijze toegelicht dat betrokkene niet met onbekende bestemming is vetrokken. Vergelijk ook de genoemde onderzoeksmogelijkheden in eerdergenoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 13.3 tot en met 14.
- Dat DT&V geen onderzoek doet ten tijde van de meerderjarigheid van een vreemdeling, verklaart niet waarom de minister ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene DT&V niet heeft gevraagd om onderzoek te doen of toen geen andere onderzoeksmethode kon benutten om zo spoedig mogelijk familieleden van betrokkene op te sporen. 5.
- Verder voert de minister tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit IB 2023/41, paragraaf 4.4, geldig vanaf 24 mei 2023 tot en met 24 november 2023, volgt dat de minister te weinig tijd had om het onderzoek naar adequate opvang af te ronden voordat betrokkene meerderjarig werd. In het informatiebericht staat dat de minister in het algemeen geen onderzoek naar adequate opvang kan afronden ten tijde van de minderjarigheid van een vreemdeling als de periode tussen de asielaanvraag en het moment dat die vreemdeling meerderjarig is niet langer duurt dan anderhalf jaar. Daarbij staat in de toelichting dat die anderhalf jaar bestaat uit een beslistermijn van zes maanden en een jaar onderzoek door DT&V. Als de minister de beslistermijn verlengt, rekent zij in totaal drie jaar voor onderzoek. De minister maakt niet duidelijk waarom zij zich in deze zaak beroept op het algemene uitgangspunt uit het informatiebericht. Daar komt bij dat uit het dossier op zichzelf niet volgt dat dit algemene uitgangspunt van toepassing is in deze zaak. De periode tussen de aanvraag van betrokkene en het moment dat hij meerderjarig werd, is een jaar en zeventien dagen en daarmee minder dan anderhalf jaar, maar DT&V heeft ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene geen onderzoek gedaan. Conclusie
- De grief van de minister slaagt niet. Zij heeft een onderzoeksplicht die voortvloeit uit het arrest TQ als zij de asielaanvraag van een vreemdeling die ten tijde van die aanvraag minderjarig was, buiten behandeling stelt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij aan die onderzoeksplicht heeft voldaan. Dat betekent dat de minister alsnog deugdelijk moet motiveren dat zij voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene. Als de minister toen niet voortvarend heeft gehandeld, moet de minister alsnog onderzoeken of er ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene adequate opvang voor hem beschikbaar was in Syrië. De minister moet vervolgens toelichten wat dit betekent voor de vraag of de inmiddels meerderjarige betrokkene achteraf bezien in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden en of zij een terugkeerbesluit over betrokkene mag nemen. Dit kan gevolgen hebben voor een beoordeling van de huidige verblijfsstatus van betrokkene. Vergelijk eerdergenoemde uitspraak van 12 juli 2023, onder 16, tweede alinea, en
- Voor zover de rechtbank in het algemeen heeft geoordeeld dat de minister nader onderzoek moet doen naar adequate opvang voor betrokkene in Syrië, betekent dit niet dat de minister moet onderzoeken of ten tijde van haar nieuwe besluitvorming adequate opvang mogelijk is voor de inmiddels meerderjarige betrokkene.
- Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Jongeneel griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026 958