ECLI:NL:RVS:2026:1380
202500190/1/R3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2024 in zaak nr. 23/2298 in het geding tussen: [appellant] en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.
Procesverloop Op 17 oktober 2022 heeft het college een ontwerp vastgesteld voor een wachtplaats voor de scheepvaart bij de Broekvelderbrug in Bodegraven (de vaststelling).
Bij brief van 7 november 2022 heeft het college aan [appellant] een brief gestuurd waarin hij gewezen wordt op de vaststelling.
Bij besluit van 15 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 december 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door, J.M. Blazer, zijn verschenen.
Overwegingen Inleiding De wachtplaats en het besluit op bezwaar 1. Met de vaststelling is een ontwerp vastgesteld voor een aan te leggen wachtplaats voor de scheepvaart bij de Broekvelderbrug in Bodegraven. Bij brief van 7 november 2022 is [appellant] geïnformeerd over deze vaststelling. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1] te Bodegraven. Hij komt op tegen de vaststelling van het ontwerp omdat door de nieuwe wachtplaats de vrije in- en uitvaart wordt belemmerd van een watergang die ligt op zijn perceel en het perceel [locatie 2].
De uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de brief met bijlage van 7 november 2022 geen appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, omdat de brief niet op rechtsgevolg is gericht. De brief is een mededeling van een voorgenomen feitelijke handeling en brengt geen verandering in rechten of verplichtingen van [appellant]. Daarbij is van belang dat de vaststelling van het ontwerp niet strekt tot verlening van een vergunning voor het uitvoeren van een activiteit op de provinciale infrastructuur als bedoeld in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Uit artikel 3.15 van deze verordening volgt namelijk dat geen vergunningplicht geldt als het college opdrachtgever is. Die situatie is hier aan de orde.
De rechtbank volgt [appellant] niet in het standpunt dat sprake is van een appellabel besluit omdat hij belemmerd wordt in zijn vrije in- en uitvaart. Daarvoor overweegt de rechtbank dat ook een feitelijke handeling deze belemmering tot gevolg kan hebben, zonder dat dit een rechtsgevolg oplevert. De rechtbank oordeelt verder dat hetzelfde geldt voor de door eiser gestelde schending van beleidsregels, het eigendomsrecht en van rechtsbeginselen die volgens [appellant] het gevolg is van het realiseren van de wachtplaats.
De hogerberoepsgronden Is de vaststelling van het ontwerp een besluit?
4.1. Naar het oordeel van de Afdeling zijn zowel de vaststelling van het ontwerp als de brief van 7 november 2022 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen sprake is van een besluit. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.
Bij beantwoording van de vraag of de beslissing of mededeling van het bestuursorgaan een besluit is, is bepalend of de beslissing of mededeling gericht is op een rechtsgevolg. Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte beslissing of mededeling is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen.
De vaststelling en de brief zijn naar het oordeel van de Afdeling niet gericht op rechtsgevolg. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is er sprake van een voorgenomen feitelijke handeling. Niet gebleken is dat het college zonder de vaststelling wettelijk niet bevoegd was om de wachtplaats aan te (laten) leggen. Het college schrijft in de toelichting van de vaststelling ook dat geen formele besluitvorming van het college is vereist. De vaststelling is dan ook niet gericht op rechtsgevolg. Er is daarom ook geen sprake van een concretiserend besluit van algemene strekking.
Zoals de rechtbank in overweging 3.3 terecht heeft overwogen leidt een belemmering van de vrije in- en uitvaart er niet toe dat er sprake is van een appellabel besluit. Ook een feitelijke handeling kan een dergelijke belemmering tot gevolg hebben. Dat de vaststelling op de website van de provincie een besluit wordt genoemd of dat de gedeputeerde met de vaststelling ingestemd heeft, maakt ook niet dat de vaststelling gericht is op rechtsgevolg. Ook is geen rechtsgevolg beoogd door in de brief van 7 november 2022 aan [appellant] mededeling van de vaststelling te doen.
Ten slotte leest de Afdeling in haar uitspraak van 29 oktober 2008 geen oordeel dat een bestuursorgaan elke handeling vast moet leggen in een appellabel besluit als daarmee afgeweken wordt van een richtlijn en dit gevolgen heeft voor een belanghebbende.
Het betoog slaagt niet Is de vaststelling appellabel ondanks dat er geen sprake is van een besluit?
5.1. De Afdeling ziet in de gevolgen van de vaststelling voor [appellant] geen reden om de vaststelling met een besluit gelijk te stellen, waardoor toch bestuursrechtelijke rechtsbescherming open zou staan. Dat [appellant] voor de rechtsbescherming van zijn belangen bij een vrije in- en uitvaart is aangewezen op de burgerlijke rechter en deze route voor hem misschien ongunstiger is of niet tot de gewenste uitkomst heeft geleid, maakt niet dat de procedure bij de burgerlijke rechter geen effectieve rechtsbescherming biedt. De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat het systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming daardoor onaanvaardbaar wordt doorkruist.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
5.2. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: de Omgevingsverordening) vastgesteld. Deze is op 1 april 2019, inclusief artikel 3.15, in werking getreden. Deze bepaling is tot aan de vaststelling van het ontwerp niet gewijzigd. Het betoog van [appellant] dat dit artikel pas is ingevoerd na de start van het participatietraject mist daarom feitelijke grondslag.
5.3. Ongeacht of een toezegging van het college het door [appellant] beoogde effect kan hebben dat er bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen de vaststelling open staan, heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat er toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij kon afleiden dat dit het geval zou zijn.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
Heeft de rechtbank de uitspraak goed gemotiveerd?
6.1. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank in de bodemprocedure niet gebonden is aan een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Bovendien heeft de rechtbank onder 6.1 overwogen dat zij geen voorlopige inschatting maakt van de rechtmatigheid van het besluit, maar aan de hand van een belangenafweging beoordeelt of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. De Afdeling ziet daarom niet in waarom de rechtbank in haar uitspraak had moeten ingaan op het oordeel van de voorzieningenrechter. De Afdeling overweegt verder dat aangezien de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat er geen sprake is van een appellabel besluit, zij ook terecht niet toe is gekomen aan een bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden tegen de vaststelling van de wachtplaats.
Het betoog slaagt niet.
De overige hogerberoepsgronden 7. Aangezien tegen de vaststelling geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan, zal de Afdeling niet ingaan op wat [appellant] verder heeft aangevoerd.
Conclusie 8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier. w.g. Kaajan lid van de enkelvoudige kamer w.g. Brouwers griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 1080