ECLI:NL:RVS:2026:1385
202505746/1/R4.
Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [appellant], wonend in Den Haag, appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2025 heeft het college zijn beslissing om op 10 maart 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 16 oktober 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen 1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte kartonnen doos die op 10 maart 2023 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
4.1. Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij wat hij aanvoert reden geeft om daaraan te twijfelen. De enkele stelling van [appellant] dat hij de doos in de papiercontainer heeft geplaatst en niet ernaast, is daarvoor onvoldoende. Het betoog slaagt niet.
5.1. Het college heeft in zijn verweerschrift een uiteenzetting gegeven van de gemaakte kosten voor het verwijderen van het verkeerd aangeboden huisvuil. Het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht zijn kosten die het college heeft moeten maken doordat de doos verkeerd is aangeboden. Die kosten behoren op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb in beginsel voor rekening van de overtreder te komen en niet voor de gemeenschap. [appellant] heeft niet met concrete argumenten betoogd dat het college deze kosten niet heeft gemaakt. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten te hoog zijn. Het betoog slaagt niet.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier. w.g. Van Veldhuizen lid van de enkelvoudige kamer w.g. Klingers griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 341-1089