ECLI:NL:RVS:2026:1386
202206931/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2022 in zaak nr. 20/7882 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Defensie.
Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] om inzage in het Handboek Inlichtingen voor de analist (DIS2009021353); hierna: het Handboek) van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de MIVD) gedeeltelijk afgewezen en gedeeltelijk verstrekt.
Bij besluit van 13 november 2020 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het Handboek opnieuw in geschoonde versie verstrekt.
Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de minister het besluit van 13 november 2020 gewijzigd en ook hoofdstuk 14 van het Handboek in geschoonde versie verstrekt.
Bij uitspraak van 17 oktober 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 13 november 2020 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op hoofdstuk 14 van het Handboek en het beroep tegen het besluit van 1 juni 2022 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De minister heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de ongeschoonde versie van het Handboek overgelegd en medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling daarvan kennis mag nemen. [appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend om mede op de grondslag van de ongeschoonde versie van het Handboek uitspraak te doen.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 1 december 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. T.S. Hagedoorn, zijn verschenen.
Overwegingen Inleiding 1. In deze zaak zijn de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017) en de Awb van belang. De artikelen uit die wetten die van toepassing zijn, staan in de bijlage.
Oordeel van de Afdeling 3. De Afdeling geeft [appellant] gelijk. Zij oordeelt dat de bezwaarcommissie in dit geval niet op de goede manier de minister afzonderlijk heeft gehoord. De procedure is daarom in strijd met de regels gegaan. Om die reden vernietigt de Afdeling het besluit op bezwaar helemaal.
De Afdeling zal hieronder toelichten hoe zij tot dit oordeel komt. Zij zal eerst kijken naar de relevante regels over het horen in bezwaar en naar de bedoeling van de wetgever. Daarna zal de Afdeling haar interpretatie geven van deze regels.
Hoger beroep Wat heeft [appellant] aangevoerd?
Horen van de minister zonder [appellant] Wat zijn de bestaande regels?
Artikel 7:6 van de Awb gaat over het horen door of namens het bestuursorgaan van belanghebbenden. Daarin staat in het eerste en tweede lid het uitgangspunt dat belanghebbenden in elkaars aanwezigheid worden gehoord, maar dat een uitzondering daarop mogelijk is als gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Als belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid tenzij geheimhouding om gewichtige redenen geboden is, zo luiden leden drie en vier.
In artikel 7:4, zevende lid, staat dat gewichtige redenen in ieder geval niet aanwezig zijn voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
Van het horen moet een verslag worden gemaakt. Dat staat in artikel 7:7 van de Awb.
Wat staat er in de toelichting?
Hoe interpreteert de Afdeling de artikelen 7:13, vijfde lid en 7:6, tweede lid?
In artikel 7:13 van de Awb staan geen aparte uitzonderingen op het uitgangspunt van gezamenlijk horen. De Afdeling oordeelt dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat voor het maken van een uitzondering aansluiting gezocht kan worden bij de in artikel 7:6, tweede lid, genoemde omstandigheden. Voor de invulling van het begrip ‘gewichtige redenen’ kan worden aangesloten bij wat daarover in artikel 7:4, zevende lid, van de Awb staat. Dus als het nodig is voor een zorgvuldige behandeling of als tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden, kan de bezwaarcommissie het bestuursorgaan horen zonder dat de bezwaarmaker daarbij aanwezig is.
Het kan in de bezwaarfase namelijk wenselijk zijn als de bezwaarcommissie het bestuursorgaan kritisch kan bevragen over bijvoorbeeld documenten die gerubriceerde informatie bevatten die niet bekend mag worden bij de bezwaarmaker. De rol van de bestuurlijke fase in de procedure en de uitdrukkelijke verplichting om bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen, komt anders mogelijk in het gedrang. Het zou ertoe kunnen leiden dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, kan worden voorbereid. Dat zou ook voor de bezwaarmaker nadelig zijn. Het derde lid van artikel 7:6 voorziet bovendien in een waarborg dat de bezwaarmaker in beginsel op de hoogte gesteld moet worden van wat buiten zijn aanwezigheid is besproken tenzij geheimhouding om gewichtige redenen geboden is.
Daarnaast waarborgt artikel 7:7 van de Awb dat er van het besprokene een verslag moet worden gemaakt. Dat verslag zal in een eventuele rechterlijke procedure al dan niet onder beperkte kennisneming aan de rechter moeten worden overgelegd. De rechter kan dat vervolgens mee laten wegen bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil.
Hoe is het gegaan?
Beoordeling door de Afdeling 9. De Commissie advisering bezwaarschriften Defensie is een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. De commissie heeft de minister afzonderlijk gehoord over de delen van het Handboek die de minister had geweigerd. Volgens de minister waren daarvoor gewichtige redenen aanwezig omdat de bezwaarcommissie nadere informatie wilde over de inhoud van staatsgeheime en daarmee (nog) niet vrijgegeven delen van het Handboek. Anders dan de rechtbank oordeelt de Afdeling dat de minister met deze enkele mededeling onvoldoende het karakter van de gewichtige redenen heeft toegelicht. Verder stelt de Afdeling vast dat [appellant] niet op de hoogte is gesteld van wat de bezwaarcommissie en de vertegenwoordiger van de minister hebben besproken.
Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat dat niet kon omdat geheimhouding om gewichtige redenen was geboden, heeft hij ook dat standpunt niet genoeg toegelicht. Bovendien is van het deel van het horen in [appellant]s afwezigheid geen verslag gemaakt dat eventueel onder beperkte kennisneming aan de rechter kon worden overgelegd. Dat is in strijd met artikel 7:7 van de Awb. De procedure in bezwaar is om al deze redenen onzorgvuldig en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor voorbereid. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De Afdeling sluit hiervoor aan bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2004.
Dit betekent dat het besluit op bezwaar van 13 november 2020 ook voor zover de rechtbank dat niet heeft gedaan en het besluit van 1 juni 2022 moeten worden vernietigd en de procedure in bezwaar opnieuw moet worden gedaan met inachtneming van wat in deze uitspraak staat.
Overige beroepsgronden 10. Omdat deze beroepsgrond slaagt, komt de Afdeling niet meer toe aan wat [appellant] voor het overige heeft aangevoerd.
Terugkoppeling aan de wetgever 11. De Afdeling vindt het aan de wetgever om af te wegen of voor het horen van een bestuursorgaan buiten aanwezigheid van de bezwaarmaker een regeling in de wet moet worden opgenomen met daarin desgewenst meer waarborgen.
Conclusie 12. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover die wordt bestreden door [appellant]. Doende wat de rechtbank had moeten doen, verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit op bezwaar van 1 juni 2022 gegrond. De Afdeling vernietigt ook het besluit op bezwaar van 13 november 2020 voor zover de rechtbank dat niet heeft gedaan en het besluit van 1 juni 2022 geheel.
Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
III. vernietigt de besluiten op bezwaar van 13 november 2020, kenmerk BS2020022518, voor zover de rechtbank niet heeft vernietigd, en van 1 juni 2022, kenmerk DIS2022012233;
IV. draagt de minister op opnieuw op het bezwaar van [appellant] te beslissen;
V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. veroordeelt de minister van Defensie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3736,00;
VII. gelast dat de minister van Defensie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 452,00.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Van Tuyll van Serooskerken griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 290 BIJLAGE Awb Artikel 7:6 1. Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord.
Artikel 7:13 1. […].
Wiv 2017 Artikel 23 De hoofden van de diensten dragen zorg voor: a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens; b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn; c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.
Artikel 74 Onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.4 verstrekte gegevens, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 76 1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 80 1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 81 1. Onze betrokken Minister stelt de aanvrager in kennis van de desbetreffende gegevens door: a. .het geven van een kopie van het document waarin de gegevens zijn neergelegd of door de letterlijke inhoud daarvan in andere vorm te verstrekken, b. inzage van de inhoud van het desbetreffende document toe te staan, c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud van het desbetreffende document te geven of d. inlichtingen uit het desbetreffende document te verschaffen.
Artikel 82 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 76 wordt in ieder geval afgewezen, indien: a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:
1°.de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt, 2°.met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en 3°.de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek; b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.
Artikel 84 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 80 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.