202204708/1/A2. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M] en [appellant N], allen wonend in Amsterdam, (de exploitanten) appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2022 in zaken nrs. 21/2847, 21/2873, 21/2884, 21/2938, 21/2945, 21/2983, 21/2998, 21/3002, 21/3009, 21/3016, 21/3027, 21/3034, 21/3065, en 22/204 in de gedingen tussen: de exploitanten en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij veertien afzonderlijke besluiten van verschillende data heeft het college aan ieder van de exploitanten een vergunning verleend voor het exploiteren van een Bed & Breakfast (B&B). Bij dertien afzonderlijke besluiten van 22 april 2021 en bij een besluit van 29 december 2021 heeft het college de door de exploitanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juni 2022 heeft de rechtbank de door de exploitanten daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de exploitanten hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en de exploitanten hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 december 2025, waar [appellant B] en [appellant E], bijgestaan door mr. P.A. Willemsen, advocaat in Gorinchem, vertegenwoordiger van de overige exploitanten, vergezeld door [personen], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Vos, S. Hamimid en I. Grundeman, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Tot 1 januari 2020 was het onder bepaalde voorwaarden toegestaan om zonder een vergunning een B&B te exploiteren in een woonruimte in Amsterdam (B&B-exploitatie). Met de inwerkingtreding van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (de Hv) is het vanaf 1 januari 2020 in beginsel verplicht om hiervoor een vergunning te hebben (de vergunningplicht). 2. In de toelichting van de Hv is opgenomen dat de gemeente Amsterdam capaciteitsbeleid wil voeren ten aanzien van B&B’s om de Amsterdamse woonruimtevoorraad en de leefbaarheid in woonwijken te beschermen. Zonder capaciteitsbeleid blijft een ongelimiteerde groei van het aantal B&B’s mogelijk en dit past volgens de toelichting niet in een woningmarkt waarin woonruimte schaars is. Door quota per wijk vast te stellen wordt clustering van B&B’s in bepaalde delen van de stad voorkomen. Een hoge concentratie van het aantal B&B’s is van invloed op de leefbaarheid in woonwijken. Hierbij kan gedacht worden aan overlast, drukte, afvalproblematiek en de lokale overheersing van toeristenwinkels binnen het winkelaanbod. B&B’s mogen het hele jaar worden verhuurd waardoor buren het hele jaar door geconfronteerd kunnen worden met arriverende en vertrekkende gasten (met rolkoffers) en overlast van toeristen in hun directe woonomgeving vanwege een ander dag-nachtritme, aldus de toelichting. Daarnaast is in het Beleidskader van de Hv opgenomen dat de blijvende schaarste aan woonruimte in Amsterdam onder meer als gevolg heeft dat de koop- en huurprijzen sterk oplopen en de wachtlijsten voor sociale huurwoningen groeien. Huizenprijzen kunnen nog verder stijgen als woningen worden gebruikt voor winstgevend (logies-)gebruik. Internationale onderzoeken laten zien dat verhuurplatformen als Airbnb een opwaartse druk op de prijzen kunnen hebben als geen beperkend beleid wordt gevoerd, aldus het Beleidskader. 3. De exploitanten hebben allen een vergunning gekregen voor B&B-exploitatie, maar zij zijn het niet eens met een aantal van de voorwaarden die daaraan verbonden zijn. Zij zijn daarom opgekomen tegen die voorwaarden, de vergunningplicht als zodanig, het daarbij behorende vergunningstelsel (het vergunningstelsel) en de wijze waarop het college de regels van het vergunningstelsel heeft toegepast. 4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Hoger beroep 5. De gronden van het hoger beroep, met daaronder de beoordeling van de Afdeling, zijn hieronder per onderwerp weergegeven. Wettelijke grondslag vergunningverlening 6. De exploitanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sinds de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (de Wtv) op 1 januari 2021, artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 (de Hw) niet langer als wettelijke grondslag voor de verlening van B&B-exploitatievergunningen kan gelden, omdat hiervoor artikel 23c van de Hw is aangewezen. De exploitanten wijzen daarbij onder andere op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wtv en het daarbij bepaalde overgangsrecht. Ook voeren zij aan dat B&B-exploitatie geen woningonttrekking in de zin van artikel 21 van de Hw oplevert. 6.1. Uit wat de exploitanten hebben aangevoerd is niet duidelijk wat zij met dit betoog willen bereiken. Dit is ook niet duidelijk geworden nadat de Afdeling op de zitting hiernaar heeft gevraagd. 6.2. De exploitanten hebben op de zitting desgevraagd te kennen gegeven dat zij niet betwisten dat zowel voor als na de inwerkingtreding van de Wtv een vergunningplicht voor B&B-exploitatie gold. Daarbij hebben zij opgemerkt dat de vergunningplicht voor woonboten pas vanaf 1 januari 2021 gold. Dit brengt mee dat niet in geschil is dat ten tijde van de besluiten op bezwaar de vergunningplicht gold voor alle B&B-exploitatie waarvoor de vergunningen aan de exploitanten zijn verleend, waaronder de B&B-exploitatie op de woonboten van sommigen van hen. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de keuze van de wettelijke grondslag waarop die besluiten zijn gebaseerd van invloed is op de voorwaarden die aan de verleende vergunningen zijn verbonden. Ook overigens bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de exploitanten op enige wijze benadeeld zijn door de keuze van de wettelijke grondslag. De gronden die de exploitanten hierover hebben aangevoerd treffen daarom geen doel en zullen dan ook verder niet worden besproken. 6.3. Het betoog slaagt niet. Woonruimte in de zin van de Hw 7. De exploitanten betogen dat de B&B-exploitatie van [appellant B] niet onder de vergunningplicht valt, omdat de ruimte waarin hij de B&B exploiteert geen woonruimte is in de zin van de Hw. De exploitanten wijzen daarbij naar de artikelsgewijze toelichting bij de definitie van woonruimte in de memorie van toelichting bij de Hw (Kamerstukken II, 2009/10, 32 271, nr. 3, blz. 42). [appellant B] woont in het achterste deel van een woonboot en hij exploiteert de B&B in het voorste deel daarvan. De ruimten in dat voorste deel gebruikt [appellant B] niet voor zichzelf: hij verblijft daar niet, hij bewaart daar geen persoonlijke spullen en die ruimten worden uitsluitend gebruikt voor tijdelijk verblijf, aldus de exploitanten. 7.1. In de Hw is woonruimte, voor zover hier van belang, gedefinieerd als een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden. In de artikelsgewijze toelichting waarop de exploitanten hebben gewezen staat dat de bovengenoemde definitie zowel woningen als woonschepen en woonwagens omvat. Bewoning als genoemd in de definitie houdt in dat de woonruimte dient als hoofdverblijf. Ruimten die, gegeven hun inrichting en voorzieningen, slechts geschikt zijn voor tijdelijk verblijf, zoals bijvoorbeeld vakantiewoningen, zijn geen woonruimten in de zin van de Hw, aldus de toelichting. 7.2. De woonboot van [appellant B] is als geheel bestemd of geschikt voor bewoning in vorenbedoelde zin. Dat delen van zijn woonboot op zichzelf niet voor bewoning worden gebruikt, dan wel slechts geschikt zijn voor tijdelijk verblijf, maakt dat niet anders (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3586, onder 10.1). Alle ruimten die onderdeel uitmaken van de woonboot, waaronder dus de ruimten die [appellant B] gebruikt voor de exploitatie van een B&B, vallen dan ook onder het begrip ‘woonruimte’ in de zin van de Hw. Die ruimten vallen daarmee ook onder het toepassingsbereik van de vergunningplicht, neergelegd in de Hv, die op de Hw gebaseerd is. 7.3. De exploitanten hebben op de zitting van de Afdeling erop gewezen dat wat zij over de woonboot van [appellant B] hebben aangevoerd, ook geldt voor de woonboot van [appellant C]. Zij hebben daarbij geen aanvullende gronden aangevoerd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om in het geval van [appellant C] tot een ander oordeel te komen dan in het geval van [appellant B]. 7.4. Het betoog slaagt niet. Vergunningstelsel en dwingende redenen van algemeen belang 8. De exploitanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de behoefte aan het vergunningstelsel niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn). De vergunningplicht is daarom onrechtmatig. De exploitanten voeren aan dat de gestelde negatieve invloed van B&B-exploitatie op de leefbaarheid, het gestelde prijsopdrijvend effect van B&B’s op woningprijzen en de gestelde ongebreidelde groei van het aantal B&B’s onvoldoende zijn onderbouwd. Zij wijzen daarbij naar verschillende rapporten en andere documenten die volgens hen op het tegendeel wijzen. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het invoeren van het vergunningstelsel een politiek-bestuurlijke keuze is en dat daarom de exceptieve toetsing van dat stelstel materieel terughoudend moet zijn, aldus de exploitanten. 8.1. Zoals volgt uit de toelichting van de Hv, is het vergunningstelsel ingevoerd om de woonruimtevoorraad en de leefbaarheid in Amsterdam te beschermen. Dat zijn dwingende redenen van algemeen belang in de zin van de Dienstenrichtlijn. Dat is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de behoefte aan het vergunningstelsel gerechtvaardigd is om die dringende redenen. Meer in het bijzonder is in geschil of B&B-exploitatie een negatieve invloed heeft op de woonruimtevoorraad en de leefbaarheid in Amsterdam. Het antwoord op die vraag is op zichzelf geen politiek-bestuurlijke keuze. Een materieel terughoudende toets is hierbij daarom niet op zijn plaats. In zoverre hebben de exploitanten gelijk. Naar het oordeel van de Afdeling is evenwel voldoende onderbouwd dat B&B-exploitatie een negatieve invloed heeft op de woonruimtevoorraad en de leefbaarheid in Amsterdam. Dat licht de Afdeling hieronder toe. 8.2. Niet in geschil is dat veel toeristen in Amsterdam verblijven en dat dit de leefbaarheid van de inwoners in gedrang brengt. Volgens de exploitanten wordt de geconstateerde overlast van toeristen evenwel niet (aantoonbaar) veroorzaakt door toeristen die in B&B’s verblijven. Het college heeft hierover opgemerkt dat het niet ontkent dat de leefbaarheid in de regel beter geborgd is bij B&B-exploitatie dan bij andere vormen van vakantieverhuur, maar dat het totaal van B&B’s wel degelijk van invloed is op de leefbaarheid. Met de groei van het aantal B&B’s maken toeristen steeds meer deel uit van het verkeer in woningen en straten, waardoor ook B&B’s bijdragen aan de groeiende disbalans tussen bewoners en toeristen. Het college wijst er verder op dat B&B’s zich in woningen bevinden waar vaak de nabijgelegen voorzieningen gedeeld moeten worden met buurtbewoners, zoals fietsenrekken, trappenportalen en gemeenschappelijke tuinen. Daarmee is toereikend gemotiveerd dat B&B-exploitatie een negatieve invloed heeft op de leefbaarheid. 8.3. Verder is niet in geschil dat er grote schaarste is aan woonruimte in Amsterdam. Het college heeft toegelicht dat als een deel van een woning voor iets anders wordt gebruikt dan voor wonen, zoals voor toeristisch verblijf, dit ten koste gaat van beschikbare ruimte voor bewoning. Het college heeft daarbij erop gewezen dat de mogelijkheid om B&B’s te exploiteren doorstroming naar passende woonruimte remt en concurreert met de mogelijkheid om kamers in een woonruimte voor bewoning te verhuren. Daarmee is toereikend gemotiveerd dat de mogelijkheid om B&B’s in woonruimte te exploiteren een negatieve invloed heeft op de woonruimtevoorraad in Amsterdam. Dat betekent dat in het midden kan worden gelaten of de mogelijkheid om B&B’s te exploiteren een prijsopdrijvend effect op woningprijzen heeft en of (voorafgaand aan het invoeren van het vergunningstelsel) sprake was van een ongebreidelde groei van het aantal B&B’s in Amsterdam. 8.4. Het betoog slaagt niet. Aantal beschikbare vergunningen en beperkte vergunningsduur 9. De exploitanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beperking van het aantal beschikbare vergunningen niet gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dienstenrichtlijn. Het is daarbij onterecht dat de verleende vergunningen een beperkte geldigheidsduur hebben. Verder zijn de vastgestelde quota voor het aantal beschikbare vergunningen niet evenredig ten opzichte van het daarmee beoogde doel. Die quota zijn op onjuiste gronden gebaseerd, aldus de exploitanten. 9.1. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat B&B-exploitatie een negatieve invloed heeft op de leefbaarheid en de woonruimtevoorraad in Amsterdam. Beperking van het aantal beschikbare vergunningen voor B&B-exploitatie betekent beperking van het aantal B&B’s, wat bijdraagt aan de bescherming van die leefbaarheid en woonruimtevoorraad. Zoals hiervoor is overwogen zijn dit dringende redenen van algemeen belang in de zin van de Dienstenrichtlijn. Dat betekent dat de beperking van het aantal beschikbare vergunningen voor B&B-exploitatie gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang, in de zin van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dienstenrichtlijn. 9.2. Uit artikel 11, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn volgt dat als het aantal beschikbare vergunningen om een dwingende reden van algemeen belang beperkt is, deze vergunningen een beperkte geldigheidsduur moeten hebben. Gelet op het doel dat in artikel 11 van de Dienstenrichtlijn wordt nagestreefd - het waarborgen van de toegang van dienstverrichters tot de betrokken markt - bestaat geen ruimte om daarvan af te wijken. Zie het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2015, Trijber, ECLI:EU:C:2015:641, punten 60-63. De vergunningen die aan de exploitanten zijn verleend hebben daarom terecht een beperkte geldigheidsduur. 9.3. Wat de exploitanten over de quota hebben aangevoerd slaagt evenmin. De exploitanten hebben vergunningen gekregen en zijn dus niet buiten de boot gevallen omdat het quotum vol was. Voor de uitkomst van deze procedure is het daarom niet van belang of de regels voor de verdeling van andere vergunningen voor B&B-exploitatie rechtmatig zijn. De Afdeling zal de gronden over die quota dan ook niet inhoudelijk bespreken. 9.4. Het betoog slaagt niet. Oppervlakte-eisen 10. Bij de vergunningen die aan de exploitanten zijn verleend geldt dat maximaal 40% van de gebruiksoppervlakte van de woonruimte van de exploitant mag worden gebruikt voor B&B-exploitatie, waarbij (voor een aantal van de exploitanten vanaf 1 juli 2026) een bovengrens van 61 m2 geldt. Bij de berekening van de oppervlakte die voor B&B-exploitatie wordt gebruikt worden de ruimten die exclusief aan de gast(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.