ECLI:NL:RVS:2026:1409
202307083/1/R2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van:
Procesverloop Bij het besluit van 21 juli 2020 heeft het college aan de gemeente Venray ten behoeve van de realisatie van een bedrijventerrein aan de Spurkt in Venray (hierna ook: projectgebied) een ontheffing verleend van de verboden als bedoeld in artikelen 3.1, tweede lid, 3.5, tweede en vierde lid en 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor diverse handelingen, te weten:
Bij het besluit van 29 juni 2021 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 juni 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op zijn bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben Greenport Venlo en het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij het besluit van 19 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 21 juli 2020 alsnog ontvankelijk en ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. [wederpartij] heeft een zienswijze op het besluit van 19 december 2023 naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 januari 2026, waar Greenport Venlo, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, via een videoverbinding, vertegenwoordigd door J. Jansen en J. Demollin, zijn verschenen.
Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een Wnb-ontheffing is ingediend op 13 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding 2. Het college heeft op 13 december 2019 een aanvraag om ontheffing van de verbodsbepalingen als bedoeld in de artikelen 3.1, tweede lid, 3.5, tweede en vierde lid en 3.10, eerste lid van de Wnb ontvangen van de gemeente Venray voor het realiseren van een bedrijventerrein aan de Spurkt in Venray.
Is het college ontvankelijk in hoger beroep?
Artikel 6:8, eerste lid, luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt".
Artikel 6:9 luidt: "1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11 luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".
8.1. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift is op grond van artikel 6:8, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb begonnen op 7 oktober 2023. De termijn om hoger beroep in te stellen liep, gelet op artikel 6:7 van de Awb, tot dus tot en met 17 november 2023. De Afdeling stelt vast dat het op 20 november 2023 gedateerde, en op 21 november 2023 ontvangen, hogerberoepschrift van het college na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend. Het hogerberoepschrift is dus niet tijdig ingediend.
9.1. Een termijnoverschrijding is op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
9.2. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan het college kan worden toegerekend. Er wordt dus niet voldaan aan het eerste vereiste om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
9.3. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk.
Het hoger beroep van Greenport Venlo 10. Greenport Venlo betoogt dat de rechtbank [wederpartij] ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt. Greenport Venlo voert hierover aan dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein van belang heeft geacht bij de beoordeling of [wederpartij] belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de ontheffing. Bepalend is volgens Greenport Venlo of de handelingen waarvoor de ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van [wederpartij], en dat is volgens haar niet het geval. Greenport Venlo stelt dat de dichtstbijzijnde handeling waarvoor de ontheffing is verleend op 250 m afstand van zijn woning zal plaatsvinden. Omdat [wederpartij] geen zicht heeft op die handeling, is ook geen sprake van ruimtelijke uitstraling met gevolgen van enige betekenis op zijn woon- en leefomgeving, aldus Greenport Venlo.
10.1. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar haar uitspraken van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, en van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226, dat bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij de verleende Wnb-ontheffing, de ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt, in dit geval de realisatie van een bedrijventerrein, niet van belang is. Bepalend is of de handelingen waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de appellant. Deze maatstaf heeft de rechtbank blijkens haar uitspraak ook tot uitgangspunt genomen. Greenport Venlo betoogt daarom tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein van belang heeft geacht bij de beoordeling of [wederpartij] belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de ontheffing.
10.2. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] belanghebbende is. De Afdeling stelt vast dat [wederpartij] op een afstand van ongeveer 65 m tot de zuidelijke grens van het projectgebied woont. Op en parallel aan die grens bevindt zich blijkens het Activiteitenplan een essentiële vliegroute van de in de ontheffing betrokken vleermuizen die door een toename van verkeer en verlichting vanwege het project kunnen worden verstoord. De Afdeling is gelet op de afstand van de woning van [wederpartij] tot deze vliegroute van oordeel dat aannemelijk is dat de verstoring van vleermuizen op die essentiële vliegroute invloed zal hebben op de ruimtelijke uitstraling van de woon- en leefomgeving van [wederpartij]. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat [wederpartij] als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt, en dat het college zijn bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2020 daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep 11. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van Greenport Venlo is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Het nadere besluit 12. Bij het besluit van 19 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 21 juli 2020 alsnog ontvankelijk en ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
Conclusie beroep 15. Het beroep van [wederpartij] is vanwege het ontbreken van belang niet-ontvankelijk.
Proceskosten 16. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Griffierecht 17. Gelet op artikel 8:109, tweede lid van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Limburg niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2023 in zaak nr. 21/2202;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] niet-ontvankelijk;
IV. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Limburg een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.T. Schipper, griffier. w.g. Besselink voorzitter w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 1075