202301670/1/R2 en 202301673/1/R2. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Esch, gemeente Boxtel, 2. [appellant sub 2], wonend in Esch, gemeente Boxtel, 3. de vereniging Het Groene Hart Brabant (de vereniging), gevestigd in de gemeente Boxtel, appellanten, en de raad van de gemeente Boxtel, verweerder. Procesverloop Bij besluiten van 20 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" en het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" vastgesteld. Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de vereniging beroep ingesteld. De raad heeft verweerschriften ingediend. [appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Ruimte voor Ruimte II C.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure. De Afdeling heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting op 17 december 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en [andere appellant], bijgestaan door mr. S.M. Schipper, advocaat in Breda, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], die de zitting digitaal heeft bijgewoond, en de raad, vertegenwoordigd door L. Verduijn, zijn verschenen. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de Ruimte voor Ruimte II C.V., vertegenwoordigd [gemachtigden], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat in Tilburg, [vijf personen]. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan "Nieuw Koolwijk is op 9 juni 2022 ter inzage gelegd. Het ontwerpplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" is op 4 augustus 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. In het buitengebied van de gemeente Boxtel vindt aan De Ruiting in de kern Esch gebiedsontwikkeling De Ruiting plaats. Hiermee is een transformatie beoogd van een voornamelijk agrarische omgeving naar een woonomgeving met onder meer natuur en recreatie. Het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" voorziet in de herontwikkeling van de locaties De Ruiting 3 en 3A (De Roudonck), De Ruiting 4 en 4A (De Jofrahoeve), De Ruiting 5 (De Antoniushoeve) en De Ruiting 7 (Landgoed De Ruiting) in Esch in de gemeente Boxtel. Met het plan is beoogd om de veelal voormalige agrarische locaties te herontwikkelen tot bestemmingen voor (zorg)wonen met recreatieve of maatschappelijke nevenfuncties, recreatie en natuur. Het plan voorziet onder meer in maatschappelijke voorzieningen in de vorm van dagbesteding en een zorginstelling in woonvorm bestaande uit maximaal 18 zorgplaatsen. Daarnaast voorziet het plan in nieuwe natuur. Bij de agrarische bestemming is beoogd om de nadruk te verschuiven van agrarische productie naar verbetering van de kwaliteit van de landschapswaarden. De bestaande bebouwing wordt verwijderd, nieuwe bebouwing wordt toegevoegd en de ontwatering wordt aangepast aan het nieuwe gebruik. Met de sloop van stallen op de percelen De Ruiting 4 en 5A en De Ruiting 5 en de realisatie van enkele nieuwe gebouwen zal de totale oppervlakte van de bebouwing binnen het gehele plangebied afnemen met ruim 3.700 m². Het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" voorziet in de herontwikkeling van de locatie [locatie A]B (Nieuw Koolwijk) in de kern Esch in de gemeente Boxtel. Daar was een agrarisch bedrijf, namelijk een plantenkwekerij, gevestigd. Inmiddels is op deze locatie de bedrijfsbebouwing (waaronder kassen, installaties en bedrijfsmatige voorzieningen) gesloopt. Met het plan is beoogd om de voormalige agrarische locatie te herontwikkelen naar een woningbouwlocatie met zes Ruimte voor Ruimte-kavels. Ook voorziet het plan in de aanleg van nieuwe natuur. De Ruimte voor Ruimte II C.V. is de initiatiefnemer van de ontwikkeling van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". 3. [appellant sub 1] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied van het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" en het plangebied van bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Zij kunnen zich niet met deze plannen verenigen, onder meer omdat volgens hen bij de voorbereiding daarvan hun belangen onvoldoende zijn betrokken en er sprake is van strijd met het gemeentelijke beleid en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie A] en exploiteert daar een plantenkwekerij. Hij kan zich niet met het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" verenigen, omdat volgens hem sprake is van strijd met de IOV. [appellant sub 2] kan zich ook niet met het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" verenigen, omdat volgens hem onvoldoende is gemotiveerd hoe er rekening is gehouden met het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen op zijn perceel. De vereniging kan zich niet met deze plannen verenigen, onder meer omdat volgens haar sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. De vereniging vreest namelijk voor verrommeling en verstening van het buitengebied. Dit leidt tot aantasting van landschapswaarden, natuurwaarden en cultuurhistorische gebiedswaarden. Relevante wet- en regelgeving 4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak. Ingetrokken beroepsgronden 5. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen de beroepsgronden over de uitvoerbaarheid en de groenblauwe mantel, wat betreft het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7", ingetrokken. Toetsingskader 6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Beroep van [appellant sub 1] en anderen - Afzonderlijke behandeling van de bestemmingsplannen 7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad de bestemmingsplannen ten onrechte afzonderlijk van elkaar heeft behandeld. Hierdoor zijn zij ten onrechte niet voldoende geïnformeerd over de ontwikkelingen en niet in de gelegenheid geweest om in de zienswijzenfase hun belangen kenbaar te maken en de beide plannen in hun onderlinge samenhang te bezien. [appellant sub 1] en anderen wijzen er in dit verband op dat het voorontwerpplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" pas een jaar later ter inzage heeft gelegen dan het voorontwerpplan "Nieuw Koolwijk". Ook wijzen [appellant sub 1] en anderen erop dat bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" ten onrechte geen verslag van een omgevingsdialoog is opgenomen. 7.1. Bij brief van 24 september 2015 heeft de raad van de voormalige gemeente Haaren aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het voorstel voor de gebiedsontwikkeling De Ruiting. Op 9 oktober 2018 heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden over de voorgenomen ontwikkelingen in het gebied De Ruiting in de kern Esch in de voormalige gemeente Haaren. Per 1 januari 2021 is de gemeente Haaren opgeheven. Daarbij is de kern Esch aan de gemeente Boxtel toegevoegd. Op grond van artikel 44 van de Wet algemene regels herindeling zijn op die datum van herindeling de rechten en verplichtingen van de gemeente Haaren, wat betreft de kern Esch, overgegaan op de gemeente Boxtel. In de Inspraakverordening Boxtel 2006 is de inspraakprocedure vastgelegd. In artikel 5 van deze inspraakverordening staat dat ter afronding van een inspraak een eindverslag moet worden opgesteld en openbaar moet worden gemaakt. Het voorstel voor de gebiedsontwikkeling De Ruiting is nader uitgewerkt in twee bestemmingsplannen, namelijk het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" en het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7". 7.2. Het voorontwerpbestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" heeft ter inzage gelegen van 3 juni 2021 tot en met 14 juli 2021. Tijdens deze periode bestond de gelegenheid om een inspraakreactie kenbaar te maken. [appellant sub 1] en anderen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. De inspraakreacties zijn beantwoord in het "Eindverslag inspraak en vooroverleg voorontwerp bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Dit eindverslag is opgenomen als bijlage 16 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Het ontwerpbestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" heeft ter inzage gelegen van 9 juni tot en met 20 juli 2022. Gedurende deze zes weken bestond de mogelijkheid om een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. [appellant sub 1] en anderen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun zienswijzen in te dienen. De nota van zienswijzen maakt deel uit van het planvaststellingsbesluit en is ook opgenomen als bijlage 17 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". 7.3. Het voorontwerpbestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" heeft ter inzage gelegen van 21 april tot en met 1 juni 2022. Tijdens deze periode bestond de gelegenheid om een inspraakreactie kenbaar te maken. [appellant sub 1] en anderen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. De inspraakreacties zijn beantwoord in het "Eindverslag inspraak en vooroverleg voorontwerp bestemmingsplan De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7", dat als bijlage 16 is opgenomen in de bijlage bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" heeft ter inzage gelegen van 4 augustus tot en met 14 september 2022. Gedurende deze zes weken bestond de mogelijkheid om een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. J.J.M. van der Steen, één van de appellanten uit de groep van [appellant sub 1] en anderen, heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De nota van zienswijzen maakt deel uit van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en is ook opgenomen als bijlage 17 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7". 7.4. De raad heeft aangegeven dat het initiatief voor deze ruimtelijke ontwikkelingen nog voor de gemeentelijke herindeling is gestart in de voormalige gemeente Haaren en dat in die periode ook de omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. Het verslag hiervan is bijgevoegd als bijlage 15 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7". De inspraakprocedures en de bestemmingsplanprocedures zijn na de gemeentelijke herindeling geheel uitgevoerd door de gemeente Boxtel. Een ieder heeft de gelegenheid gehad om op de voorontwerpbestemmingsplannen en de ontwerpbestemmingsplannen te reageren. Alle ingekomen reacties zijn beoordeeld en gewogen bij de vaststelling van de bestemmingsplannen. De raad stelt dat verschillende initiatiefnemers gezamenlijk een visie voor een aantal locaties in het gebied De Ruiting hebben ontwikkeld. Maar de verschillende initiatiefnemers hebben elk hun eigen plannen en tijdsplanning voor de ontwikkeling van die locaties. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de initiatiefnemers onderling hebben besloten om hun plannen onafhankelijk van elkaar aan te melden voor een bestemmingsplanprocedure. De raad stelt dat daarom de twee bestemmingsplannen afzonderlijk van elkaar zijn behandeld. De raad wijst er verder op dat het in dit geval, ook vanuit een ruimtelijk perspectief, twee afzonderlijke bestemmingsplannen betreft. Er is geen sprake van een zodanige ruimtelijke samenhang dat de plannen niet afzonderlijk van elkaar mochten worden behandeld. Enerzijds is er het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk"; dat plan betreft de ontwikkeling van zes Ruimte voor Ruimte-woningen. En anderzijds is er het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7": dat plan betreft het herbestemmen van agrarische bouwvlakken, de landschappelijke inrichting en ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen woonbestemmingen. Ook grenzen de plangebieden van de beide plannen niet aan elkaar, aldus de raad. 7.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet voor mocht kiezen om de twee bestemmingsplannen afzonderlijk van elkaar te behandelen. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] en anderen daardoor in hun belangen zijn geschaad. Dat [appellant sub 1] en anderen geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7", maakt niet dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen. Zij zijn voor beide bestemmingsplannen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerpplan en het ontwerpplan. Ook zijn de eindverslagen conform de Inspraakverordening Boxtel 2006 opgesteld en openbaar gemaakt. De eindverslagen zijn opgenomen als bijlage bij de plantoelichtingen. Ook is niet gebleken dat [appellant sub 1] en anderen in hun belangen zijn geschaad omdat het verslag van de omgevingsdialoog abusievelijk niet bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" is opgenomen. Zij hebben bij de voorbereiding van dat plan gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om hun belangen kenbaar te maken door het indienen van een inspraakreactie en hun zienswijzen op dat plan. Het betoog slaagt niet. - Nadere regel principeverzoeken buitengebied gemeente Boxtel 8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad de bestemmingsplannen ten onrechte niet heeft getoetst aan de Nadere regel principeverzoeken buitengebied gemeente Boxtel. Zij stellen dat zij daardoor bij de voorbereiding van de bestemmingsplannen zijn geschaad in hun belangen, wat betreft het voeren van een omgevingsdialoog en het ontbreken van een omgevingsdialoogverslag bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". 8.1. De Nadere regel principeverzoeken buitengebied gemeente Boxtel gold van 29 juli 2021 tot en met 8 juli 2025 voor het buitengebied van Boxtel. Daarin was geregeld waarmee rekening moest worden gehouden bij de beoordeling van verzoeken voor de ontwikkeling van buitengebied van de gemeente Boxtel. Naar aanleiding van een verzoek voor de ontwikkeling van het gebied De Ruiting, dat toen nog in het buitengebied van de gemeente Haaren lag, heeft de raad van de voormalige gemeente Haaren bij brief van 24 september 2015 aangegeven daaraan in principe medewerking te willen verlenen. Op 9 oktober 2018 heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden over de voorgenomen ontwikkelingen in het gebied De Ruiting in de voormalige gemeente Haaren. Per 1 januari 2021 is de gemeente Haaren opgeheven en is de kern Esch aan de gemeente Boxtel toegevoegd. Naar aanleiding van evengenoemde brief van 24 september 2015 en omgevingsdialoog heeft de gemeente Boxtel de bestemmingsplannen voorbereid. De Afdeling stelt vast dat de toenmalige gemeente Haaren voor de beoogde gebiedsontwikkelingen in 2015 heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de ontwikkeling van het gebied De Ruiting en in 2018 een omgevingsdialoog heeft gehouden. De Afdeling overweegt dat de Nadere regel principeverzoeken buitengebied gemeente Boxtel daarop niet van toepassing was en dat de toenmalige gemeente Haaren daarmee destijds dus geen rekening hoefde te houden. Ook valt niet in te zien dat de gemeente Boxtel na de gemeentelijke herindeling niet van de brief van 24 september 2015 van de raad van de voormalige gemeente Haaren en het gevoerde omgevingsdialoog mocht uitgaan. Bovenstaand, onder 7.1 - 7.5, is al overwogen dat [appellant sub 1] en anderen niet in hun belangen zijn geschaad, wat betreft het ontbreken van een omgevingsdialoogverslag bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Het betoog slaagt niet. - Aanvaardbare locatie van de zes Ruimte voor Ruimte-woningen 9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" in strijd met artikel 3.78, derde lid, en 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV heeft vastgesteld, omdat de beoogde woningbouw voor zes Ruimte voor Ruimte-woningen niet op een aanvaardbare locatie is voorzien. Volgens hen ligt het plangebied niet in een bebouwingsconcentratie en is er ook geen sprake van een logische afronding van stedelijk gebied. 9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de beoogde woningbouw op een aanvaardbare locatie is voorzien. Het plangebied van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" maakt volgens de raad deel uit van een bebouwingsconcentratie, omdat het plangebied in een bestaand bebouwingscluster ligt. Het plangebied bevindt zich namelijk in een bestaande vlakvormige verzameling van bebouwing gelegen buiten stedelijk gebied. Het bebouwingscluster wordt aan de oostzijde begrensd door het beekdal van de Essche Stroom. Aan de westzijde wordt het bebouwingscluster begrensd door de bebouwing aan de Haarenseweg 17. Voorbij deze bebouwing begint het karakteristieke halfopen landschap tussen Esch en Haaren. Aan de noordzijde wordt het bebouwingscluster begrensd door de sportvelden van de voetbalvereniging. Aan de zuidzijde moet de woning aan De Ruiting 1A worden gezien als de laatste bebouwing behorende tot het bebouwingcluster. Voorbij deze woning trekt het landschap zich naar het zuiden meer open. Ter plaatse van De Ruiting 1A is sprake van een overbrugnederzetting. Deze nederzettingen zijn typisch voor dorpen die zich op de flank van de beek uitstrekken. Op de plaats waar de beek werd overgestoken (de voorde) werd van oudsher bebouwing geclusterd. Deze bebouwing is allereerst ontwikkeld op de hoger gelegen gronden de zogenaamde donken. De bebouwing van Kranenburg, Koolwijk en Gasthuis zijn hier voorbeelden van, aldus de raad. 9.2. De Afdeling komt tot het oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de woning op een aanvaardbare locatie, als bedoeld in artikel 3.78, derde lid, en 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV , is voorzien. Daartoe overweegt de Afdeling dat bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een bebouwingscluster, als bedoeld in artikel 1.1 van de IOV, de raad beoordelingsruimte toekomt. De Afdeling volgt de raad in het oordeel dat het plangebied van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk", te weten perceel [locatie A]B, in een bebouwingscluster, en daarmee ook in een bebouwingsconcentratie ligt. Blijkens de kaarten en tekeningen die tot de stukken behoren, maken de woningen aan De Ruiting namelijk deel uit van de gronden waarop de bestaande bebouwing vlakvormig is verzameld en is gelegen buiten stedelijk gebied. Het betoog slaagt niet. - Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel 10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad in het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" ten onrechte niet is ingegaan op de landschappelijke waarden, als bedoeld artikel 3.32 van de IOV. Zij wijzen erop dat het plangebied gedeeltelijk in de groenblauwe mantel ligt. 10.1. De raad stelt dat bij de voorbereiding van het plan uitgebreid aandacht is geweest voor de in het gebied aanwezige landschaps- en natuurwaarden. Het plan voorziet volgens de raad in een ontwikkeling die gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken, als bedoeld in artikel 3.32 van de IOV. De raad verwijst daartoe naar de plantoelichting, het inrichtingsplan dat als bijlage 1 bij de plantoelichting is opgenomen en de inrichtingsschets die als bijlage 1 bij de planregels is opgenomen. De raad wijst er ook op dat de provincie hiervan kennis heeft genomen. Het inrichtingsplan vermeldt dat in het plangebied een kwekerij was gevestigd. Het terrein was verhard en er stond bedrijfsbebouwing; er was een kas, een voormalige stal die werd gebruikt als bedrijfsgebouw en een waterreservoir. In 2020 is het bedrijf ontmanteld. De bebouwing is inmiddels geheel verwijderd. Met het plan is beoogd om de voormalige agrarische locatie te herontwikkelen naar een woningbouwlocatie met zes Ruimte voor Ruimte-kavels. Daarnaast voorziet het plan in de aanleg van nieuwe natuur en groen. De raad benadrukt dat de bestaande natuurwaarden in het plangebied gering zijn, zowel op de woningbouwlocatie als op de achtergelegen gronden waar de natuurontwikkeling is beoogd, en dat met het bestemmingsplan de landschaps- en natuurwaarden juist sterk worden verbeterd. In het inrichtingsplan staat dat de beoogde groene en landschappelijke inrichting de kern van de gehele gebiedsontwikkeling vormt. Binnen deze ontworpen groenstructuur, als weergegeven in de inrichtingsschets, worden de functies wonen, groen en natuur ingepast en wordt de natuurwaarde in het plangebied verbeterd. Het beoogde groene raamwerk bestaat uit enkele nieuwe bosjes aangevuld met bomenrijen, struweel, struikenrijen, hagen en losse bomen in (bloemrijk) grasland. Het opgaand groen geeft het gebied structuur. De hagen en struikenrijen begrenzen en scheiden de verschillende woonfuncties. Het groene raamwerk versterkt de beleving vanaf de straatzijde. Daarnaast is veel aandacht besteed aan het vormgeven van de overgang naar het landschap aan de achterzijde. Bestaande en nieuwe boomgroepen en bosjes schermen de nieuwe bebouwing af, zodat deze niet direct zichtbaar is. Het groene raamwerk verbindt de tuinen van de nieuwe huizen op een vanzelfsprekende manier met de natuurgronden langs de Essche Stroom. Bij het uitwerken van het groene raamwerk is rekening gehouden met de bestaande beplantingselementen. Het inrichtingsplan vermeldt verder dat voor de nieuwe natuur binnen de gebiedsontwikkeling De Ruiting als geheel een aantal doelsoorten is gedefinieerd. Wat betreft de flora zijn Pinksterbloem (Cardamine pratensis), Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi) en Moerasspirea (Filipendula ulmeria) als doelsoorten gekozen. Dit zijn soorten die groeien in natte tot drassige graslanden, kruidenruigten en lichte bossen. Hierop wordt aangesloten met een kruidenruigte, enkele solitaire bomen en een moerasbosje met Els en Wilg, zo staat in het inrichtingsplan. 10.2. Gelet op deze toelichting van de raad, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de planvoorbereiding ten onrechte niet de landschappelijke waarden, als bedoeld artikel 3.32 van de IOV heeft betrokken. De raad heeft gemotiveerd uiteen gezet dat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken, als bedoeld artikel 3.32 van de IOV. Het betoog slaagt niet. - Waterhuishouding 11. [appellant sub 1] en anderen vrezen voor wateroverlast bij hun percelen als gevolg van de woningbouw, die met het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" is beoogd. Zij stellen dat er in de bestaande situatie al sprake is van wateroverlast en vrezen dat dit erger wordt als gevolg van de beoogde woningbouw. Volgens [appellant sub 1] en anderen heeft de raad bij de planvaststelling onvoldoende gemotiveerd hoe in het plan hiermee rekening wordt gehouden. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen aangevoerd dat ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting in de planregels is opgenomen om nog meer wateroverlast bij hun percelen als gevolg van de beoogde woningbouw te voorkomen. 11.1. In paragraaf 4.2 tot en met 4.6 van het inrichtingsplan is het aspect water getoetst en in paragraaf 4.1.3 van de plantoelichting van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" is de waterparagraaf opgenomen. Daarin is onder meer ingegaan op de plannen van het waterschap De Dommel voor de afwatering van het plangebied. In de plantoelichting staat dat het plangebied ligt in de Attentiezone waterhuishouding, als bedoeld in artikel 3.26 van de IOV, en dat ontwikkelingen binnen het attentiegebied niet mogen leiden tot een negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Volgens de raad is in het plan voldoende ingegaan op en geregeld dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse heeft. De plantoelichting vermeldt dat voor de beoogde herontwikkeling opstallen in het plangebied met een totaaloppervlak van 6.350 m² zijn gesaneerd. Hiervoor in de plaats komt een zestal Ruimte voor Ruimte-woningen. Het inrichtingsplan vermeldt dat na de herontwikkeling sprake zal zijn van ongeveer 3.050 m² oppervlakteverharding. Het verhard oppervlak ter plaatse zal als gevolg van de beoogde herontwikkeling dus afnemen. Daarom is in beginsel geen compensatie vereist in de vorm van extra waterberging. Niettemin is ervoor gekozen om een gedeelte van het plangebied binnen de bestemming "Natuur" in te richten voor waterberging. De realisatie van deze extra waterberging zal worden meegenomen in de watervergunning. De nieuwe woningen wateren oppervlakkig af richting de greppels en de sloten. In de plantoelichting staat hierover dat de bestaande afwateringsstructuur op punten wordt herzien, vooral waar het gaat om kwaliteitsverbetering van het oppervlaktewater in en rondom het gebied. Er zullen greppels worden gegraven langs de weilandjes en een gedeelte aansluitend op de natuurzone langs de Essche Stroom zal worden aangepast ten behoeve van waterberging. Omdat er een wijziging van de detailafwatering is voorzien, moet een watervergunning worden aangevraagd, zodat het waterschap deze kan beoordelen. De raad benadrukt dat deze wijzigingen in overleg met het Waterschap De Dommel zijn bepaald. De beoogde herontwikkeling heeft dus, wat betreft de waterhuishoudkundige situatie, geen negatief effect op het attentiegebied. Verder is in de planregels van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" geregeld dat binnen alle bestemmingen water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn toegestaan; zoals bijvoorbeeld in artikel 3.1 voor de gronden met de bestemming "Groen", artikel 4.1 voor de gronden met de bestemming "Natuur", artikel 5.1 voor de gronden met de bestemming "Verkeer - wegen" en artikel 6.1 voor de gronden met de bestemming "Wonen". Ook voor waterhuishoudkundige maatregelen buiten het plangebied (bijvoorbeeld de aanleg van een stuw, nieuwe sloten en de demping van bestaande sloten) biedt het bestemmingsplan mogelijkheden voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen in het plangebied. De raad benadrukt dat het bestemmingsplan, zoals dat nu voorligt, wat betreft de waterhuishoudkundige aspecten, tot stand is gekomen in overleg met en de goedkeuring heeft van het waterschap, en dat hiervoor in een later stadium een positieve reactie van het waterschap op de aanvraag om een watervergunning mag worden verwacht. De raad merkt hierbij op dat dat onverlet laat, dat als de wateropgave niet op deze wijze kan worden gerealiseerd, het waterschap vanuit haar bevoegdheid een afdoende alternatief zal eisen, zodat ook in zoverre geen wateroverlast als gevolg van de beoogde ontwikkeling is te verwachten. 11.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd hoe in het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" rekening wordt gehouden met eventuele wateroverlast binnen en buiten het plangebied als gevolg van de beoogde woningbouw. De Afdeling overweegt verder dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen voorwaardelijke verplichting noodzakelijk is om verergering van de wateroverlast te voorkomen. Daarbij heeft de raad kunnen betrekken dat de totale oppervlakte aan verharding met ongeveer de helft afneemt. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting moet worden opgenomen om extra wateroverlast te voorkomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1] en anderen niet hebben toegelicht waaruit de voorwaardelijke verplichting moet bestaan. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat de raad eerst moet aantonen dat voldoende onderzoek naar de wateroverlast moet worden gedaan, alvorens met de verwezenlijking van het plan kan worden begonnen, slaagt dat betoog niet, omdat zij de gemotiveerde inschatting van de raad van de gevolgen voor de waterhuishouding in het gebied onvoldoende hebben bestreden Het betoog slaagt niet. - Archeologische waarden 12. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad bij de planvaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met de archeologische waarden in het gebied. 12.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 12.2. Het plangebied van het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" heeft de bestemming "Waarde - Archeologie 2". De planregeling over archeologie is opgenomen in artikel 11 van de planregels van dat plan. Het plangebied van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" heeft ook de bestemming "Waarde - Archeologie 2". De planregeling over archeologie is opgenomen in artikel 8 van de planregels van dat plan. Bestemmingsplanregels of andere bepalingen die strekken tot bescherming van het algemeen belang van archeologische waarden, strekken niet tot bescherming van het belang van een appellant die bescherming zoekt in het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van een omgevingsvergunning voor zijn woon- en leefklimaat of voor zijn bedrijfsvoering. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 1] en anderen eigenaar zijn van percelen in de nabijheid van een in een bestemmingsplan voorzien gebouw of werk betekent nog niet dat zij in rechte kunnen opkomen voor het algemene belang van de bescherming van archeologische waarden, zoals die geregeld zijn in een bestemmingsplan (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.72 tot en met 10.75, en de uitspraak van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3665, 14.2 tot en met 14.5). De Afdeling stelt vast dat het [appellant sub 1] en anderen in deze procedure gaat om het belang gevrijwaard te blijven van woningbouw in de nabijheid van hun woonomgeving en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. Artikel 11 van de planregels van het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" en artikel 8 van de planregels van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" strekken tot behoud van en zorgvuldige omgang met archeologische waarden. Die artikelen strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen, zodat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat de beroepsgrond over een mogelijke aantasting van archeologische waarden kan leiden tot een vernietiging van de besluiten. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze grond. Beroep van [appellant sub 2] - Toevoegen van een burgerwoning 13. [appellant sub 2] betoogt dat met het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" ten onrechte een burgerwoning wordt toegevoegd naast een bedrijfswoning en dat het plan daarom is vastgesteld in strijd met artikel 3.69 van de IOV. 13.1. De plantoelichting vermeldt dat op het perceel De Ruiting 4/4A een intensieve veehouderij met een bijbehorende boerderijwinkel/excursieruimte was gevestigd. De bij de veehouderij behorende bedrijfswoning staat op het perceel De Ruiting 4. Beoogd is om de veehouderij te saneren en de agrarische bestemming om te zetten naar een maatschappelijke bestemming ten behoeve van een zorgboerderij. De bestaande rundveestal op het perceel De Ruiting 4A wordt omgebouwd en heringericht voor het nieuwe maatschappelijke gebruik, onder meer voor dagbesteding. Voor het zogenoemd ‘beschermd wonen’ worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd voor ongeveer 18 zorgplaatsen. De cultuurhistorisch waardevolle Vlaamse schuur op het perceel De Ruiting 4A wordt in gebruik genomen als bedrijfswoning bij de beoogde maatschappelijke functie op het perceel. De overtollige bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning op het perceel De Ruiting 4 met de bijbehorende vergunde bed and breakfast wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. De bed and breakfast blijft behouden als nevenfunctie binnen de woonbestemming, zo staat in de plantoelichting. 13.2. In artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV staat dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In artikel 3.69 van de IOV staat dat, in afwijking van artikel 3.68, een bestemmingsplan kan voorzien in, voor zover nu van belang, c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. 13.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" is vastgesteld in overeenstemming met artikel 3.69, aanhef en onder c en d, van de IOV. De raad heeft toegelicht dat in dat plan, in overeenstemming met artikel 3.69, aanhef en onder d, van de IOV, de voormalige bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning. De raad wijst erop dat de overtollige bebouwing al is gesloopt. De bestaande bedrijfsbebouwing is namelijk deels gesloopt. De overige bebouwing krijgt met het plan een nieuwe maatschappelijke invulling, waardoor er dus geen overtollige bebouwing meer is. Ook wordt de burgerwoning niet gesplitst in meerdere woonfuncties. Daarnaast wijst de raad erop dat in het plan is gewaarborgd dat de vestiging van de woonfunctie in de bestaande schuur voldoet aan artikel 3.69, aanhef en onder c, van de IOV. Deze woonfunctie is namelijk beoogd in de zogenoemde Vlaamse schuur, een cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, als bedoeld in artikel 3.69, aanhef en onder c, van de IOV. Met het plan wordt de cultuurhistorisch waardevolle Vlaamse schuur binnen het bouwvlak van de maatschappelijke bestemming gebruikt als bedrijfswoning. De vestiging van de woonfunctie in de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing draagt bij aan het behoud en herstel van deze bebouwing. 13.4. Gelet op deze nadere toelichting van de raad en de plantoelichting, in samenhang gelezen met artikel 3.69, aanhef en onder c en d, van de IOV, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" in strijd is met artikel 3.69, aanhef en onder c en d, van de IOV. Het betoog slaagt niet. - Gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen 14. [appellant sub 2] betoogt dat het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, omdat de raad ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom, gelet op de spuitzones voor zijn plantenkwekerij aan [locatie A], de beoogde woningbouw aan [locatie A]B ruimtelijk aanvaardbaar is. Op de zitting heeft [appellant sub 2] naar voren gebracht dat de raad niet heeft gemotiveerd hoe rekening is gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de kassen op zijn perceel. 14.1. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie A], waar hij ook een plantenkwekerij exploiteert. Op het perceel zijn kassen aanwezig voor de plantenkwekerij. Er vindt op het perceel geen open teelt plaats. 14.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" heeft het gehele perceel [locatie A] de bestemming "Agrarisch". Onder artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" is opgenomen wat is toegestaan voor de gronden met de bestemming "Agrarisch". In artikel 3.4.1, onder a, aanhef en sub 6, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" staat: "a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: (…) 6. het gebruik van gronden voor open teelten van sierplanten en bomen en boomgaarden binnen een afstand van 30 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, uitgezonderd en voor zover: - het bestaande en vervanging van bestaande open teelten van sierplanten en bomen betreft; - aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen; - het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast." 14.3. De raad stelt dat er bij de voorbereiding van het plan rekening is gehouden met de ligging van de plantenkwekerij van [appellant sub 2] op het perceel [locatie A] nabij het plangebied. De raad verwijst naar artikel 3.4.1, onder a, aanhef en sub 6, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020". De raad wijst erop dat er nabij het plangebied geen sprake is van bestaande open teelt van sierplanten en bomen; ook niet op het perceel [locatie A], waar de plantenkwekerij plaatsvindt in kassen. Wat betreft het bedrijf van [appellant sub 2] wijst de raad er bovendien op dat bij het bedrijfsperceel van [appellant sub 2] ook een kinderdagverblijf wordt geëxploiteerd en dat een kinderdagverblijf een gevoelige functie is, waarmee rekening moet worden gehouden bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met dien verstande dat moet worden aangetoond dat het verblijfsklimaat bij het kinderdagverblijf, niet onevenredig wordt aangetast. 14.4. De Afdeling overweegt dat uit artikel 3.4.1, onder a, aanhef en sub 6, van de planregels volgt dat het gebruik van gronden voor open teelt van sierplanten en bomen en boomgaarden als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Nu niet is bestreden dat ter plaatse geen open teelt van sierplanten en bomen plaatsvindt, is in dit geval de uitzondering die is opgenomen voor bestaande en vervanging van bestaande open teelten van sierplanten en bomen niet van toepassing. Daarmee valt niet in te zien dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met spuitzones voor zijn plantenkwekerij. Het betoog slaagt niet. 14.5. Wat betreft het betoog over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de kassen op het perceel [locatie A] overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 2] heeft voor het eerst op de zitting betoogd dat hij zorgen daarover heeft en dat de raad niet heeft gemotiveerd hoe daarmee rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.