ECLI:NL:RVS:2026:1631
202501692/1/V1.
Datum uitspraak: 20 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2025 in zaak nr. NL23.10313 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 (artikel 9-document), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 15 maart 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Dhalganjansing, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen 1. Appellant heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij referent, haar Nederlandse zoon, op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Zij heeft daarvoor op 8 januari 2019 en 23 januari 2020 aanvragen ingediend voor afgifte van een artikel 9-document, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. De minister heeft die aanvragen bij besluiten van 28 mei 2019 en 20 juli 2020 afgewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen stukken heeft overgelegd waaruit meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken blijken en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat referent gedwongen is om het grondgebied van de EU te verlaten indien de minister aan appellant het verblijfsrecht weigert, omdat zij een verblijfsrecht heeft in Spanje. Deze besluiten staan in rechte vast.
1.1. Op 11 april 2022 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend voor hetzelfde verblijfsdoel. De minister heeft deze aanvraag bij het besluit van 3 oktober 2022 afgewezen onder verwijzing naar het afwijzende besluit van 20 juli 2020 en zich op het standpunt gesteld dat zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.
De toepassing van artikel 4:6 van de Awb laat onverlet dat appellant aannemelijk moet maken dat zij voldoet aan de vereisten voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Een geheel op zichzelf staande beoordeling van een opvolgende aanvraag, zonder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zou alleen neerkomen op het opnieuw beoordelen van de feiten en omstandigheden die de minister al eerder heeft beoordeeld. De Afdeling wijst in dat verband op het arrest van het Hof van 13 januari 2004, Kühne & Heitz N.V., ECLI:EU:C:2004:17, punten 24 en 25, waaruit volgt dat het Unierecht niet vereist dat een bestuursorgaan in beginsel gehouden is om zijn definitief geworden besluit opnieuw te onderzoeken en dat toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb in beginsel in overeenstemming is met het Unierecht.
De Afdeling wijst ook op haar uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1165, onder 2.4. Dat het hier gaat om de afgifte van een document met een declaratoir karakter maakt dit niet anders.
2.1. De grief slaagt niet.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026 938-1162