ECLI:NL:RVS:2026:2275
202503886/1/A2.
Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] en anderen, allen wonend in Voorschoten, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2025 in zaak nr. 24/9775 in het geding tussen: [appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten.
Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2024 heeft het college een verplicht fietspad ingesteld op de Chopinlaan en op de Berliozlaan.
Bij besluit van 10 december 2024 heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 december 2024 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft het college de door [appellant] en anderen tegen het besluit van 3 juli 2024 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, dat besluit herroepen en opnieuw een verplicht fietspad ingesteld op de Chopinlaan en op de Berliozlaan. [appellant] en anderen hebben gronden ingediend tegen het besluit van 19 augustus 2025.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft eveneens nadere stukken ingediend. [partij A], [partij B], [partij B] en [partij C] hebben elk een zienswijze ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. el Hachmioui, R. van Gent, E. Bijlsma en drs. ing. T. Prins, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A], [partij B], [partij B] en [partij C] als partijen gehoord.
Overwegingen Inleiding 1. [appellant] en anderen wonen in de wijk Adegeest in Voorschoten. Het college heeft besloten om in die wijk op twee punten verplichte fietspaden te realiseren door het plaatsen van borden. Door het aanbrengen van deze zogenoemde knippen wordt zowel de Chopinlaan (tussen de Diepenbrocklaan en de Händellaan) als de Berliozlaan (tussen de Bizetlaan en de Richard Wagnerlaan) op die punten afgesloten voor motorvoertuigen.
Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar uitspraak ten grondslag gelegd.
Hoger beroep 6. De gronden die [appellant] en anderen in hoger beroep aanvoeren, zijn zo goed als een herhaling van de gronden die zij hebben aangevoerd in beroep. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.1 tot en met 8.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat er geen wettelijke verplichting was om, voorafgaand aan het nemen van het verkeersbesluit, aan omwonenden de mogelijkheid tot inspraak te bieden. Zelfs als het college die mogelijkheid tot inspraak onvoldoende zou hebben geboden, zoals [appellant] en anderen betogen, zou dat geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het verkeersbesluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6009, onder 11.1). Verder volgt de Afdeling [appellant] en anderen niet in het betoog dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gang van zaken in de wijk Sweelinckhof niet gelijk is aan die van de wijk Adegeest.
Beroep van rechtswege 8. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 19 augustus 2025 een nieuw besluit op de bezwaren van [appellant] en anderen genomen. Dit besluit wordt van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding (artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet).
9.1. Het college heeft het conceptadvies van Goudappel op 13 augustus 2025 met verschillende belanghebbenden, onder wie ook [appellant] en anderen, gedeeld, maar, in strijd met artikel 7:9 van de Awb, hen niet in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Hoewel het besluit van 19 augustus 2025 in zoverre een gebrek bevat, ziet de Afdeling aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daarbij is van belang dat [appellant] en anderen in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten over het conceptadvies voorafgaand aan het nieuwe besluit naar voren te brengen. Van die gelegenheid hebben zij ook daadwerkelijk gebruik gemaakt, waarbij zij, ter toelichting van hun standpunten, een rapport van Bureau Schoorstra Verkeerskundig Advies (BSVA) hebben overgelegd. Verder zijn zij op 22 augustus 2025, nadat het nieuwe besluit was genomen, geïnformeerd aan de hand van een raadsinformatiebrief, het definitieve advies en een beoordelingskader ten behoeve van de evaluatie. Hangende de beslissing op het beroep van rechtswege hebben zij kennis kunnen nemen van het definitieve advies en daarop een reactie kunnen indienen. Dit betekent dat aannemelijk is dat zij door het gebrek niet in hun belangen zijn geschaad.
10.1. Wanneer de schijn is gewekt dat de door het bestuursorgaan benoemde adviseur niet onpartijdig is, mag het bestuursorgaan het advies van deze adviseur niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1144, onder 9.1).
10.2. Het betoog van [appellant] en anderen biedt onvoldoende grond voor de conclusie dat het college het advies van Goudappel niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen om de reden dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Gesteld noch gebleken is dat Goudappel een eigen belang bij de uitkomst van het advies had. Dat met het advies is beoogd een inhoudelijke onderbouwing voor de tijdelijke verkeersmaatregelen te bieden, maar daarbij niet alle argumenten van de bewoners zijn belicht, levert op zichzelf geen aanknopingspunt op voor twijfel aan de onpartijdigheid van Goudappel. De beperkte vraagstelling komt daarbij voort uit de opdracht die de rechtbank had gegeven. Op de zitting bij de Afdeling heeft Goudappel toegelicht dat uit haar advies blijkt dat het advies niet slechts een onderbouwing van de door het college genomen beslissing behelst. Zij heeft er bijvoorbeeld op gewezen dat zij op bladzijde 17 van het advies, vanuit haar eigen onafhankelijke en onpartijdige expertise, het voorstel heeft gedaan om, in afwijking van het voornemen van het college, de maatregelen niet als pilot, maar permanent uit te voeren. Daarvoor heeft zij als argument aangevoerd dat de vormgeving van een permanente maatregel duidelijker is en dat de meerwaarde voor de groenontwikkeling daarvan zich direct manifesteert. Hieruit valt af te leiden dat Goudappel het advies als een onpartijdig adviseur heeft gegeven.
Het betoog slaagt niet.
11.1. Dat tussen Goudappel en BSVA een verschil van inzicht bestaat over de gevolgen van het instellen van de verplichte fietspaden, betekent niet dat [appellant] en anderen aannemelijk hebben gemaakt dat het door Goudappel verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest, noch dat het college zich redelijkerwijs niet op het advies van Goudappel van 31 juli 2025 heeft kunnen baseren. Het rapport van BSVA geeft geen aanleiding voor het oordeel dat er een concreet aanknopingspunt is voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de Goudappel. Dat, zoals in het rapport van BSVA is vermeld, in het advies van Goudappel niet expliciet is benoemd dat rekening is gehouden met het instellen van eenrichtingsverkeer op de parallelweg van de Van Beethovenlaan, leidt niet tot een ander oordeel. In dat rapport is immers ook vermeld dat de verwachting is dat de afname van het verkeer op de Chopinlaan door het instellen van eenrichtingsverkeerminder minder groot is dan is aangegeven en dat de toename van het verkeer op de andere punten juist hoger wordt, maar dat de verkeersintensiteit, net als in de huidige situatie het geval is, in alle straten ruim binnen de gestelde criteria blijft.
Het betoog slaagt niet.
12.1. Het college beoogt niet een doorlopende groenverbinding te creëren met het besluit van 19 augustus 2025. Wel zullen de knippen volgens het college bijdragen aan een betere verbinding tussen de groenstroken door het weren van gemotoriseerde voertuigen tussen die groenstroken. Door alleen fietsers toe te laten, wordt het karakter van het gebied niet aangetast. Op dit onderdeel berust het betoog van [appellant] en anderen op een verkeerde lezing van het besluit. Goudappel heeft het advies gegeven om het fietspad permanent aan te leggen, eventueel onverhard, waardoor het ook mogelijk is om een doorlopende groenstrook te creëren.
Het betoog slaagt niet.
13.1. Gelet op het advies van Goudappel blijven de verkeersintensiteiten onder de aanbevolen grenswaarden. Het door [appellant] en anderen genoemde nadelige gevolg van het verkeersbesluit is daarmee niet onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Het betoog slaagt niet.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten van 19 augustus 2025 ongegrond;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.119,25, geheel toe te rekenen aan kosten van een deskundige die een verslag heeft uitgebracht.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Hazen griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 452-1112