ECLI:NL:RVS:2026:2656
202406514/2/A2.
Datum beslissing: 8 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Beslissing op het verzoek van: [verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker, om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop Bij e-mailbericht van 24 april 2026, ingekomen op, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraden mr. W. den Ouden, mr. P.H.A. Knol en mr. J.J.W.P. van Gastel (staatsraden) als leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202406514/1/A2 en drie andere zaken.
Bij e-mailbericht van 29 april 2026 heeft [verzoeker] vermeld dat zijn verzoek tot wraking alleen betrekking heeft op de zaak met nummer 202406514/1/A2 De staatsraden hebben niet in de wraking berust.
De staatsraden hebben een schriftelijke reactie gegeven. [verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op zitting behandeld op 1 mei 2026, waar [verzoeker], is verschenen. De staatsraden hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen 1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verzoek om wraking 2. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraden bij hem de gerechtvaardigde vrees hebben gewekt niet onpartijdig te oordelen.
Hij voert ten eerste aan dat hij een gemotiveerd verzoek om uitstel van de behandeling van zijn hoger beroep op de zitting van 29 april 2026 heeft gedaan, waarin hij heeft gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, het plotseling wegvallen van zijn rechtsbijstandverlener en de onmogelijkheid om vier complexe zaken, die alle op 29 april 2026 op zitting zouden worden behandeld, voor te bereiden. Dit verzoek is zonder inhoudelijke motivering en kenbare belangenafweging afgewezen. Die beslissing tot afwijzing, die bovendien door de griffier is genomen, is volgens [verzoeker] kennelijk onredelijk.
Hij voert verder aan dat de wettelijke voorbereidingstermijn van artikel 8:56 van de Awb is geschonden en dat hem, anders dan in zijn andere bij de Afdeling aanhangige zaken, niet om verhinderdata is gevraagd. Volgens [verzoeker] is welbewust gekozen voor een werkwijze die hem in een nadeliger positie brengt.
Reactie van de staatsraden 3. De staatsraden hebben er in hun schriftelijke reactie op gewezen dat de beslissing op het verzoek om uitstel door hen is genomen en niet door de griffier. Zij hebben in hun reactie toegelicht waarom zij het verzoek om uitstel hebben afgewezen. Zij hebben toegelicht dat [verzoeker] lastig per post te bereiken is, meermaals heeft aangegeven geen toegang te hebben tot zijn eigen dossiers en blijkbaar niet makkelijk rechtsbijstand kan vinden. Deze omstandigheden vormden voor de staatsraden reden om het verzoek om uitstel af te wijzen. Volgens de staatsraden is in deze situatie een zitting bij uitstek de gelegenheid om te bespreken of de dossiers compleet zijn, welke stukken [verzoeker] nog mist en of de behandeling van het hoger beroep gezien het recht op een eerlijk proces de aanwezigheid van een advocaat vereisen. Zij hebben ook aangegeven er rekening mee te houden dat het onderzoek niet gesloten zou kunnen worden of later heropend zou moeten worden. De behandeling van vier zaken op één dag was volgens de staatsraden gedaan omdat de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] in alle zaken worden aangevoerd en drie zaken een sterke inhoudelijke samenhang vertonen. Bovendien, zo staat in de reactie, heeft [verzoeker] aangegeven geen geld te hebben om naar de zitting te komen, wat een gezamenlijke behandeling van zijn hoger beroepen ook wenselijk maakt.
Beoordeling van het verzoek 4. De Afdeling wijst er ten eerste op dat de beslissing om het verzoek om uitstel af te wijzen niet is genomen door de griffier, maar door de staatsraden. In het bericht van 24 april 2026 dat naar [verzoeker] is verzonden, staat dat de Afdeling geen aanleiding ziet om de behandeling van de zaak uit te stellen. Hieruit volgt dat de Afdeling, zijnde de staatsraden die in de onderhavige meervoudige kamer zitting hebben, de beslissing heeft genomen om het verzoek om uitstel af te wijzen. Dat de griffier de e-mail waarmee deze beslissing aan verzoeker bekend wordt gemaakt, heeft ondertekend, maakt dat niet anders. Dat wat [verzoeker] hierover heeft aangevoerd, laat de Afdeling daarom buiten bespreking.
Conclusie 8. Gelet op het voorgaande, komt de Afdeling tot het oordeel dat [verzoeker] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek om wraking moet daarom worden afgewezen.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier. w.g. Drop voorzitter w.g. Pieters griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026 473