ECLI:NL:RVS:2026:2677
202601069/1/A3 en 202601069/2/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2026 in zaken nrs. 26/461 26/462 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen.
Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting van 30 april 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Karlas, advocaat te Laren, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen.
Overwegingen 1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Waar gaat deze uitspraak over?
3.1. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium. Bij herhaling van binnen de terugkijktermijn aangetroffen feiten is sprake van een risico voor de samenleving. In het kader van de stage zou hij verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van leerlingen, zouden leerlingen afhankelijk zijn van hem en zouden leerlingen soms alleen met hem kunnen zijn. Bij herhaling van de aangetroffen feiten is er een risico voor de veiligheid van leerlingen, het risico dat leerlingen geweld zien en het slachtoffer worden van geweld en/of intimidatie. Ook bestaat het risico dat leerlingen te maken krijgen met ongewenst gedrag en het slachtoffer kunnen worden van een seksueel misdrijf. Verder is er het risico dat [appellant] iets in school gebruikt om iets te laten ontploffen of om iets in brand te steken. Voorts is er het risico dat hij geld of spullen van leerlingen en van school steelt.
Toetsing aan het subjectieve criterium geeft volgens de staatssecretaris geen aanleiding om toch aan [appellant] een VOG af te geven. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen belang bij bescherming van de samenleving zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van [appellant].
Wat heeft de rechtbank overwogen?
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s zwaarder weegt dan de belangen van [appellant]. De staatssecretaris heeft gekeken naar de jeugdige leeftijd van [appellant], de omstandigheden waaronder de (vermeende) strafbare feiten zijn gepleegd en de lichte afdoening van het feit uit 2022. Ook heeft de staatssecretaris onderschreven dat [appellant] groot belang heeft bij de VOG omdat hij daarmee zijn opleiding en de door hem ingezette positieve ontwikkeling zou kunnen vervolgen. De staatssecretaris heeft zwaarder mogen laten wegen dat er sprake is van redelijke verdenkingen van ernstige strafbare feiten, dat het meerdere feiten betreft en dat het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het laatste vermeende feit nog te kort is om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving op dit moment voldoende is afgenomen.
Ook de positieve stappen die [appellant] heeft gezet zijn daarvoor onvoldoende. [appellant] moet over een langere periode laten zien dat hij zich niet schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten voordat hij in aanmerking komt voor een VOG. Dat [appellant] eerder, voor de vermeende pleegdata van de verschillende feiten, een VOG heeft gekregen en probleemloos een stage in het onderwijs heeft gelopen, is onvoldoende om het risico voor de samenleving als zeer klein aan te merken. De staatssecretaris heeft tot slot relevant kunnen achten dat [appellant] ander werk zou kunnen zoeken waarvoor geen VOG nodig is en dat hij in de toekomst opnieuw een VOG kan aanvragen. Dit betekent dat de staatssecretaris de aanvraag om een VOG heeft mogen afwijzen.
Hoger beroep Heeft de staatssecretaris het objectieve criterium juist toegepast?
Oordeel 6.1. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taakbezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat.
6.2. Het betoog van [appellant] dat het door de staatssecretaris vastgestelde risico voor de samenleving is gebaseerd op een onjuiste weergave van de taken waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd, slaagt niet. In paragraaf 4.2 van de beleidsregels is bepaald dat de screening van een aanvraag van een VOG plaatsvindt op basis van het door de organisatie aangegeven specifieke screeningsprofiel of de aangegeven functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel. In dit geval heeft de staatssecretaris op aangeven van de Stichting de aanvraag beoordeeld op basis van het specifieke screeningsprofiel ‘Onderwijs’. Daarin staat dat personeel dat werkzaam is op een educatie instelling belast is met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van leerlingen.
Zodra leerlingen aan de zorg van (onderwijzend) personeel zijn toevertrouwd, kunnen zich één op één relaties voordoen waarbij sprake is van afhankelijkheid. Het risico bestaat van machtsmisbruik, bijvoorbeeld door middel van afpersing, chantage (afdreiging) of seksuele en geweldsmisdrijven, aldus het screeningsprofiel. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, is de staatssecretaris, gelet op dat wat in het screeningsprofiel staat, er terecht vanuit gegaan dat hij ook als stagiair belast is met de zorg voor de veiligheid van leerlingen en dat zij soms alleen met hem kunnen zijn. De staatssecretaris heeft genoegzaam gemotiveerd waarom de in het JDS geregistreerde feiten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, niet te verenigen zijn met een behoorlijke uitoefening van taken als stagiair in het onderwijs.
6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2463) zijn de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan in het kader van de beoordeling of aan het objectieve criterium is voldaan niet relevant. Dit komt omdat deze beoordeling los staat van de persoon van de aanvrager. Ter beoordeling staat of de feiten op zichzelf bezien, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat de vermeende feiten waarop de registraties zien in de privésfeer hebben plaatsgevonden, is dus niet relevant.
6.4. In wat [appellant] verder heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in de onder 10 opgenomen overwegingen.
6.5. Het betoog slaagt niet.
Het subjectieve criterium 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd mee te wegen in de evenredigheidstoets. Volgens [appellant] is er geen sprake geweest van een ontploffing op 18 februari 2025. Dat blijkt uit de toelichting en het fotomateriaal dat hij heeft overgelegd. Er is vuurwerk gevonden in de brievenbus, maar hij ontkent dat hij hierbij was betrokken. Verder voert [appellant] aan dat hij valselijk is beschuldigd van belediging en intimidatie. Er is op de vermeende pleegdata geen contact geweest tussen hem en aangeefster. Met betrekking tot het vermeende zedenfeit ontkent [appellant] dat hij aangeefster zou hebben verkracht. De rechtbank en het Openbaar Ministerie hebben geen ernstige bezwaren aangenomen voor dit feit nadat het einddossier compleet was. Dit betekent dat de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen in het dossier ziet om te veronderstellen dat hij betrokken is geweest bij het strafbare feit. [appellant] ontkent ook dat hij jassen heeft verduisterd. Hij was op een feest waarbij twee vrouwen daarna hun jas hebben achtergelaten in zijn auto. Op 11 maart 2025 heeft hij de jassen teruggegeven aan de vrouwen. Ook ontkent [appellant] dat hij een fiets heeft ontvreemd. Tot slot wijst hij erop dat zijn strafzaak ter zake van mishandeling is geseponeerd op grond van code 52. Dat is een lichte afdoening. [appellant] betoogt dat hij een groot belang heeft bij het verkrijgen van de VOG. De stage is een verplicht onderdeel van zijn studie. Zonder stage kan hij geen studiepunten halen, loopt hij studievertraging op en zal hij moeten stoppen met zijn opleiding. Dat beperkt zijn toekomstperspectief als docent geschiedenis. Verder betoogt [verzoeker] dat hij eind 2024 nog een VOG heeft gekregen om stage te lopen bij dezelfde school. Daarbij is geen sprake geweest van incidenten.
Oordeel 7.1. Op grond van het subjectieve criterium beoordeelt de staatssecretaris of het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving.
7.2. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat de strafrechter en het Openbaar Ministerie geen ernstige bezwaren voor het zedenfeit hebben aangenomen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De strafrechter heeft volgens het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 10 juni 2025 weliswaar geoordeeld dat er onvoldoende ernstige bezwaren zijn ter zake van het zedenfeit, maar heeft ook geoordeeld de ernstige bezwaren voor de andere feiten blijven bestaan en dat er voldoende grond is voor voortduring van de voorlopige hechtenis voor die drie feiten. Dat de rechtbank heeft besloten om de voorlopige hechtenis te schorsen, maakt dat niet anders.
7.3. Volgens paragraaf 3.1.4.1 van de beleidsregels worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd door de staatssecretaris alleen in de beoordeling betrokken als na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelvorming kan worden gekomen en er twijfel is of een VOG kan worden afgegeven. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1249 heeft overwogen moet de staatssecretaris aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Daaronder vallen ook de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden. Dat de strafbare feiten waarvan [appellant] wordt verdacht naar hij stelt in de privésfeer hebben plaatsgenomen doet niet af aan de ernst van die feiten en kan dus geen reden vormen om af te wijken. Evenmin komt in dit geval betekenis toe aan het feit dat [appellant] de feiten ontkent. Gelet op de ernst en het aantal van de in het JDS geregistreerde recente feiten mocht de staatssecretaris aan het belang van de bescherming van de samenleving en in het bijzonder van de leerlingen grote betekenis toekennen en hoefde de staatssecretaris daarom niet op grond van artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken.
7.4. In wat [appellant] verder heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in de onder 13 opgenomen overwegingen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie 8. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier. w.g. Daalder voorzieningenrechter w.g. Larsson-van Reijsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026