ECLI:NL:RVS:2026:3026
202306272/1/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Sint-Maartensdijk, gemeente Tholen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2023 in zaak nr. 23/672 in het geding tussen: [appellanten] en de burgemeester van Tholen.
Procesverloop Bij besluit van 12 augustus 2022 heeft de burgemeester het volledige perceel (inclusief de zich daarop bevindende woning en loods) aan de [locatie] in Sint-Maartensdijk, kadastraal bekend als Sint-Maartensdijk H 515, gesloten voor de duur van zes maanden.
Bij besluit van 13 december 2022 heeft de burgemeester het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 september 2023 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij brief van 19 januari 2024 heeft ABN AMRO Hypotheek Groep B.V. (hierna: ABN) de Afdeling verzocht om met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) haar in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
De Afdeling heeft op 1 december 2025 een zitting gehouden voor het geven van inlichtingen zoals bedoeld in artikel 8:44 van de Awb, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat in Valkenburg, via een digitale verbinding, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J. Keur, advocaat in Nijmegen, en G.J. Hertogs, zijn verschenen. Voorts is ABN, vertegenwoordigd door mr. A. Holtland, advocaat in Amsterdam, gehoord.
De Afdeling heeft de zaak inhoudelijk ter zitting behandeld op 20 maart 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat in Valkenburg, beiden via een digitale verbinding, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.S. Helder, advocaat in Nijmegen, en G.J. van der Gouwe, zijn verschenen.
Overwegingen Inleiding 1. [appellanten] zijn eigenaar en de bewoners van het perceel gelegen aan de [locatie] in Sint-Maartensdijk. Naar aanleiding van de vondst elders van gedumpte chemicaliën van een vermoedelijk drugsproductieproces heeft de politie op 19 juli 2022 onder meer de woning en de bijbehorende loods van het perceel doorzocht. Over deze doorzoeking is een bestuurlijke rapportage opgesteld. Daarin staat dat in de loods een volledig ingerichte, middelgrote tot grote cocaïnewasserij/laboratorium, grote hoeveelheden chemicaliën die nodig zijn voor de productie van amfetamine en cocaïne, chemisch (drugs-)afval en de inrichting van rust- en eetfaciliteiten, zoals slaapplekken, vermoedelijk voor medewerkers van de drugsproductie, zijn aangetroffen. In de woning zijn ook diverse andere goederen aangetroffen die (mogelijk) in verband kunnen worden gebracht met de drugsproductie en -handel in de loods en een doos met zwaar vuurwerk, te weten mortierbommen. In de rapportage staat ook dat de stroomvoorziening in de loods afkomstig was uit de woning en dat deze voorziening is afgesloten wegens brandgevaar.
Verzoek om deelname als partij in het geding 3. ABN heeft op 19 januari 2024 verzocht om te worden toegelaten als derde-belanghebbende in de zin van artikel 8:26, van de Awb tot deze procedure over het sluitingsbevel. De Afdeling heeft dit verzoek bij brief van 19 december 2025 afgewezen. Op de zitting van 1 december 2025 waarop ABN en partijen over dit verzoek zijn gehoord, is gebleken dat ABN al sinds 23 augustus 2023 bekend was met de sluiting van het perceel. Het had daarom op de weg van ABN gelegen om zelf rechtsmiddelen aan te wenden tegen het sluitingsbevel van 12 augustus 2022, nu zij meent door dit besluit rechtstreeks te zijn getroffen in een rechtstreeks belang. Dit heeft zij niet gedaan.
Uitspraak van de rechtbank 5. In de loods zijn grote hoeveelheden vaten, tonnen, jerrycans en emmers met vloeistoffen en materialen aangetroffen waaruit door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) een hoeveelheid harddrugs is uitgewassen. De rechtbank oordeelt dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen uit het rapport van het NFI van 21 oktober 2022. De rechtbank wijst op de uitkomst van die bemonstering en oordeelt dat aannemelijk is dat de grens van 0,5 gram werd overschreden. Voorts overweegt de rechtbank dat het buiten twijfel staat dat de grote hoeveelheden vloeistoffen en materialen bestemd waren voor het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van drugs. De rechtbank concludeert dat de burgemeester bevoegd was om over te gaan tot sluiting van de loods op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a en onder b, van de Opiumwet.
Hoger beroep 8. In hoger beroep betogen [appellanten] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester niet bevoegd was om het gehele perceel, inclusief de woning en schapenweide, te sluiten. Zij voeren aan dat er niet daadwerkelijk harddrugs zijn aangetroffen, maar dat het slechts gaat om resten en geur. De bemonstering van de vloeistoffen ziet maar op een klein gedeelte van wat er was aangetroffen. Het is dus helemaal niet komen vast te staan dat de grens van 0,5 gram is overschreden. De aangetroffen materialen waren niet bestemd voor drugshandel, zo waren de gripzakjes bestemd voor medicijnen, en ging het niet om mortierbommen, maar om 4 inch shells die waren achtergelaten door hun zoon.
De link met criminaliteit is te snel gelegd. Verder waren de voorwerpen, zoals de microweegschaaltjes, helemaal niet geschikt voor gebruik bij het grootschalig produceren en verpakken van drugs. [appellanten] hadden geen wetenschap van de activiteiten in de loods. Tussen de woning en de loods staat een haag en er waren verschillende inritten. Over de stroomvoorziening stellen zij dat die er al jaren was. De woning was dus ook niet dienstig aan de loods en vormt daarmee geen functioneel geheel. Dat geldt ook voor de schapenweide. [appellanten] stellen dat van de afwatering niet zomaar kan worden aangenomen dat deze via een dakgoot de grond vervuilt. Ook betogen zij dat de sluiting niet noodzakelijk en niet evenredig is, omdat er geen aanwijzingen zijn voor mensenhandel, uitbuiting of ernstige verstoring van de openbare orde.
De beoordeling geeft blijk van vooringenomenheid, terwijl zij zelf helemaal geen antecedenten of betrokkenheid bij strafbare feiten hebben.
Beoordeling van het hoger beroep 10. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep. Hoewel die uitspraak gaat over sluiting van woningen, gelden dezelfde uitgangspunten, waar van toepassing, ook voor lokalen, zoals bedrijfsruimten, zie de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:336, onder 7.1.
Slotsom 14. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier. w.g. Den Ouden voorzitter w.g. Bossmann griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026 314-1158