ECLI:NL:RVS:2026:3040
202303040/1/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Financiën, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2023 in zaken nrs. 22/5144, 22/5175, 22/5626, 22/5627, 22/5628 en 22/5630 in het geding tussen: [appellant] en het ministerie van Financiën (lees: de minister van Financiën).
Procesverloop [appellant] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zes door hem ingediende verzoeken om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (de Woo).
Bij uitspraak van 16 maart 2023 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de minister opgedragen met inachtneming van haar uitspraak binnen 14 dagen na verzending ervan besluiten op de twee Woo-verzoeken van 5 en 9 augustus 2022 bekend te maken en uiterlijk 31 juli 2023 alsnog besluiten op de vier Woo-verzoeken van 3 oktober 2022 bekend te maken, en bepaald dat de minister aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00 per overschrijding, met dien verstande dat de minister maximaal tweemaal een dwangsom van maximaal € 15.000,00 verbeurt.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Zowel de staatssecretaris als [appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling, in enkelvoudige samenstelling, heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2025, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Kluijtmans en mr. J.W. Rouwendal, en [appellant] zijn verschenen.
Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend, de zaak naar een meervoudige kamer verwezen en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.
Zowel [appellant] als de staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen 1. Het hogerberoepschrift van de staatssecretaris bevat drie gronden. Op de zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris zijn grond over de duur van een van de door de rechtbank gegeven beslistermijnen ingetrokken. In zijn laatste nader stuk heeft hij zijn grond over de door de rechtbank bepaalde griffierechtvergoeding ingetrokken.
De grond over de gegrondverklaring van de beroepen in zaken nrs. 22/5144 en 22/5175 heeft de staatssecretaris gehandhaafd.
3.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat hij een financieel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Hij wil met het hoger beroep ongedaanmaking bereiken van het door de rechtbank in zaken nrs. 22/5144 en 22/5175 bepaalde dat hij bij overschrijding van de gegeven beslistermijn een dwangsom verbeurt.
3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris om de door hem vermelde reden belang bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Er bestaat daarom geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring ervan.
4.1. Artikel 4.1, eerste lid, van de Woo luidt: "Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek."
Artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 luidt: "De Belastingdienst staat onder het gezag van de Minister van Financiën."
4.2. Naar het oordeel van de Afdeling is de Belastingdienst een onder de verantwoordelijkheid van de minister werkzame dienst als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Woo. De Belastingdienst is immers onderdeel van het ministerie van Financiën. Daarbij bepaalt artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling dat de Belastingdienst onder het gezag van de minister staat. Voor het antwoord op de in deze zaak voorliggende vraag of besluiten op de Woo-verzoeken van 5 en 9 augustus 2022 zijn genomen, is in zoverre daarom niet relevant of het gaat om bij het ministerie van Financiën dan wel bij de Belastingdienst ingediende verzoeken. Gelet op artikel 4.1, eerste lid, van de Woo is de minister, daaronder begrepen zijn als minister optredende staatssecretaris (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2952, r.o. 7.1), in beide gevallen bevoegd besluiten te nemen.
4.3. Het besluit van de staatssecretaris van 1 november 2022 is genomen op een Woo-verzoek van 8 augustus 2022 om openbaarmaking van informatie over de evaluatie van de fiscale beleggingsinstelling en de vrijgestelde beleggingsinstelling. Het verzoek van 5 augustus 2022 heeft weliswaar dezelfde strekking als het verzoek van 8 augustus 2022, maar dit betekent niet dat het besluit van 1 november 2022 dus ook een besluit op het verzoek van 5 augustus 2022 is. Het verzoek van 5 augustus 2022 wordt in het besluit van 1 november 2022 immers niet vermeld. Daarnaast heeft de staatssecretaris met [appellant] over de verzoeken van 5 en 8 augustus 2022 als van elkaar losstaande verzoeken gecommuniceerd en op 5 december 2023 een besluit op het verzoek van 5 augustus 2022 genomen. Uit de brief van 11 januari 2023 blijkt verder niet dat [appellant] vond dat er al een besluit op het verzoek van 5 augustus 2022 was genomen.
In zoverre slaagt het betoog niet.
4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de staatssecretaris op 26 januari 2023 een besluit op het Woo-verzoek van 9 augustus 2022 heeft genomen. [appellant] had ten tijde van de uitspraak van de rechtbank daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep in zaak nr. 22/5175. Dat de staatssecretaris op 4 april 2023 nog een aanvullend besluit heeft genomen, zoals [appellant] aanvoert, maakt dit niet anders.
In zoverre slaagt het betoog.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank het beroep in zaak nr. 22/5175 gegrond heeft verklaard, de minister heeft opgedragen binnen 14 dagen na verzending van de uitspraak een besluit op het Woo-verzoek van 9 augustus 2022 bekend te maken en ten aanzien van dit verzoek te bepalen dat de minister aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt;
III. verklaart het beroep in die zaak niet-ontvankelijk;
IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Hartsuiker griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026 620-1166