ECLI:NL:RVS:2026:311
202505030/2/R4.
Datum uitspraak: 20 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Baak, verzoekers, en de raad van de gemeente Bronckhorst, verweerder.
Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de raad het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Bronckhorst: Veegplan 2025-1" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst vastgesteld (hierna: het besluit tot wijziging).
Tegen dit besluit hebben [verzoekers] beroep ingesteld. [verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 4 december 2025, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. H. Martens, rechtsbijstandverlener in Assen, en de raad, vertegenwoordigd door D. Robbertsen-Boon en D.G.H. Geurts, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Paluma Beheer B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen Inleiding 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Spoedeisend belang 3. Op 17 oktober 2025 is een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen van twee bedrijfsverzamelgebouwen op het perceel en voor de omgevingsplanactiviteit aanleggen van een uitweg. Met name vanwege de aangevraagde omgevingsplanactiviteit bouwen is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel 4. Uit de motivering bij het besluit tot wijziging volgt dat is beoogd te voorzien in twee bedrijfsverzamelgebouwen met een maximale bouw- en goothoogte van beide 8 m op het perceel waar slechts bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegelaten. Op de zitting is met [verzoekers] en de raad vastgesteld dat het besluit tot wijziging een aantal fouten bevat. De voorzieningenrechter verwacht dat deze gebreken in de bodemprocedure hersteld kunnen worden.
Desondanks ziet de voorzieningenrechter reden voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat de gebreken die zien op de toegestane milieucategorie en de maximale bouw- en goothoogte ertoe leiden dat is voorzien in ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden dan de raad heeft beoogd. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
De voorzieningenrechter volgt [verzoekers] verder in hun betoog dat het besluit tot wijziging hogere bebouwing toestaat dan de raad heeft beoogd. Voor het perceel is geen afzonderlijke maximale bouwhoogte opgenomen in het omgevingsplan. Daarom geldt voor het perceel de algemene maximale bouwhoogte van artikel 21.62 van de regels van het omgevingsplan, namelijk 10 m. Het besluit tot wijziging voorziet daarom in een hogere bouwhoogte dan de raad heeft beoogd.
Volgens [verzoekers] is artikel 21.63, achtste lid, van de regels alleen te raadplegen op de landelijke voorziening via de aanduiding "Bedrijfswoning uitgesloten". Zij stellen dat het achtste lid wegvalt wanneer artikel 21.63 van de regels rechtstreeks wordt geraadpleegd op de landelijke voorziening. De voorzieningenrechter stelt echter vast op basis van de landelijke voorziening, de zogenoemde ‘regels op de kaart’ van het Omgevingsloket, dat die stelling niet klopt.
Verder wijzen [verzoekers] er wel terecht op dat bij het raadplegen van de aanduiding "bouwvlak" in de landelijke voorziening een koppeling is gelegd met een bepaling die ziet op de functie "Wonen", welke functie niet is toegekend aan het perceel. De voorzieningenrechter ziet in die ondergeschikte technische omissie echter geen reden voor schorsing van het besluit tot wijziging.
Conclusie 8. Uit overweging 5 volgt dat aan het besluit tot wijziging een aantal gebreken kleven. Er zijn ruimere gebruiks- en bouwmogelijkheden toegelaten dan de raad heeft beoogd. De raad heeft het bestaan van die gebreken ook erkend. De voorzieningenrechter ziet zich vanwege de aard van deze gebreken genoodzaakt om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en zal bij wijze van voorlopige voorziening het besluit tot wijziging schorsen voor zover dat besluit op het perceel een hogere bouwhoogte dan 8 m en niet-agrarische bedrijven in een hogere milieucategorie dan 2 toestaat. Dit betekent dat voor het perceel voorlopig een bouwhoogte van 8 m geldt, niet-agrarische bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan en dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen op dat perceel daaraan moet worden getoetst. Overigens heeft de raad tijdens de zitting meegedeeld dat een herstelbesluit zal worden genomen om de geconstateerde gebreken te herstellen.
Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bronckhorst van 17 juli 2025, zijnde het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Bronckhorst: Veegplan 2025-1", voor zover dat besluit op de locatie met de functie "Bedrijf", te weten het perceel aan de Zutphen-Emmerikseweg 101 in Baak, een hogere bouwhoogte dan 8 m en niet-agrarische bedrijven in een hogere milieucategorie dan 2 toestaat;
II. veroordeelt de raad van de gemeente Bronckhorst tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. gelast dat de raad van de gemeente Bronckhorst aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 194,00 voor de behandeling van het verzoek vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Huussen, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Huussen griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026 571-1070