ECLI:NL:RVS:2026:3170
202307828/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van:
Pivot Park Screening Centre B.V. en Pivot Park Holding B.V., appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 november 2023 in zaak nr. 21/5799 in het geding tussen:
Pivot en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college de subsidie voor het project ‘COILED’ vastgesteld op € 1.071.229,64, de subsidie voor Pivot vastgesteld op nihil en een bedrag van € 72.899,10 teruggevorderd.
Bij besluit van 9 november 2021 heeft het college het door Pivot daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 november 2023 heeft de rechtbank het door Pivot daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft Pivot hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Het college heeft daarnaast voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 mei 2025, waar Pivot, vertegenwoordigd mr. R.J. de Heer en mr. A. Mahmoud, advocaten in Amsterdam, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Bouwmeester Berends, zijn verschenen.
Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding 2. Pivot is een bedrijf dat zich toelegt op "extensive cellular and biochemical in-vitro screening experiments and High Throughput Screening services".
Besluitvorming 6. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek tot vaststelling van de subsidie, de subsidie voor het project vastgesteld op € 1.071.229,64. Niet is voldaan aan de eis dat ten minste 35% van de subsidiabele kosten zijn gemaakt en betaald door mkb-ondernemingen. Op grond van artikel 3.3.6, vijfde lid, onderdeel d, van de Beleidsregel wordt de subsidie 100% lager vastgesteld als de mkb-ondernemingen 20% of minder van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald. Omdat het gerealiseerde percentage aan subsidiabele kosten van de mkb-ondernemingen in dit geval 6,6% bedraagt, is de subsidie voor Pivot met 100% lager vastgesteld. Het college heeft het te veel betaalde bedrag van € 72.889,10 bij Pivot teruggevorderd.
Uitspraak van de rechtbank 7. De rechtbank heeft vastgesteld dat de subsidie een Europeesrechtelijk karakter heeft waarop de Verordening (EU) nr. 1303/2013 (de Verordening) van toepassing is. Het college moet daarom de nationaalrechtelijke grondslag voor lagere vaststelling van de subsidie, te weten artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), conform de Verordening uitleggen.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een onregelmatigheid zoals bedoeld in artikel 2, zesendertigste lid, van de Verordening. Er wordt namelijk niet voldaan aan de in artikel 3.3.4, zesde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel vastgelegde eis dat ten minste 35% van de subsidiabele kosten moeten worden gemaakt en betaald door mkb-ondernemingen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Beleidsregel toepassing geeft aan het Unierecht, in het bijzonder de Verordening. In dit verband volgt uit het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 16 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:360 (Neamt en Bacau) dat het begrip ‘onregelmatigheid’ zo moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op inbreuken op de bepalingen van nationaal recht die bijdragen tot het verzekeren van de juiste toepassing van het Unierecht inzake het beheer van de door de Fondsen van de Unie gefinancierde projecten. Dat de in de Beleidsregel genoemde percentages niet uit de Verordening volgen, maakt volgens de rechtbank niet dat geen toepassing is gegeven aan de Verordening.
7.2. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college terecht een financiële correctie heeft toegepast. In artikel 143, eerste en tweede lid, van de Verordening, en zoals ook volgt uit de arresten van het HvJ van 14 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:562 (Miasto na prawach powiatu), en 6 december 2017, ECLI:EU:C:2017:940 (Compania Nationalá de Autostrázi Si Drumuri Na&nale din Románia), staat dat de lidstaten een financiële correctie moeten opleggen als een onregelmatigheid is geconstateerd. Dat artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb een ‘kan-bepaling’ is, doet daar niet aan af. Die bepaling moet verdragsconform worden uitgelegd en de Verordening biedt geen ruimte voor de toepassing van een discretionaire bevoegdheid.
7.3. De rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat het college ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt bij het vaststellen van de omvang van de financiële correctie. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 7:12 van de Awb, nu de belangenafweging niet blijkt uit het besluit. In artikel 143, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat bij het opleggen van een financiële correctie rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de Fondsen of het EFMZV, en dat de lidstaten een evenredige correctie toepassen. Het college heeft dus ten onrechte - automatisch - een financiële correctie van 100% toegepast. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest van het HvJ van 8 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:451 (ANAS). Verder volgt uit het arrest van het HvJ van 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2462 (SOMVAO) en het arrest Neamt en Bacau alleen dat bij een onregelmatigheid een financiële correctie moet volgen. Daaruit volgt niet hoe in het concrete geval aan de financiële correctie invulling moet worden gegeven. De rechtbank heeft beoordeeld of het besluit van 9 november 2021 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Dat Pivot de gesubsidieerde activiteiten wel heeft uitgevoerd, doet aan de juiste besteding van de subsidiegelden dus niet af. De rechtbank heeft verder overwogen dat de maatregel evenwichtig is. Van Pivot mocht als professionele marktpartij worden verwacht dat zij weet wat haar status is. Daarbij komt dat, voor zover de vragen die hebben geleid tot de door Pivot ingeleverde mkb-verklaring onduidelijk waren, zij ook de verklaring mkb-toets kon invullen, zoals twee van haar projectpartners hebben gedaan. Daarin is expliciet de vraag gesteld of één of meer overheidsinstanties gezamenlijk of indirect zeggenschap over 25% van het kapitaal of stemrecht van de onderneming heeft, wat bij Pivot het geval is.
Verder kan het college niet worden verweten dat hij wist of had moeten weten dat Pivot geen mkb-onderneming is. Weliswaar heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag de concernrelaties opgevraagd bij de Kamer van Koophandel, maar dit was alleen om het formulier ‘verklaring geen financiële moeilijkheden’ te toetsen. Voor de toets naar de mkb-status van Pivot heeft het college zich beperkt tot de door Pivot ingeleverde mkb-verklaring. Het college mocht daarbij uitgaan van de juistheid van de door Pivot verstrekte gegevens. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het op nihil stellen van de subsidie voor Pivot onredelijk bezwarend is, is niet gebleken, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep Is sprake van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening?
10.1. De Verordening definieert in artikel 2, zesendertigste lid, een onregelmatigheid als elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken economisch subject, waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld. Hierbij leveren ook inbreuken op bepalingen van nationaal recht die bijdragen tot het verzekeren van de juiste toepassing van het Unierecht inzake het beheer van de door de fondsen van de Unie gefinancierde projecten een onregelmatigheid op (vergelijk het arrest van het HvJ van 26 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:360, onder 37 (Județul).
10.2. De Verordening beoogt verbetering van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de fondsen die steun verlenen in het kader van het cohesiebeleid, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Artikel 9, onder 3, van de Verordening bepaalt dat een van de thematische doelstellingen is: de vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven. In bijlage XI, onder punt 3, van de Verordening wordt daarover verder uiteengezet wat in het kader van EFRO de investeringsprioriteiten en ex-antevoorwaarden zijn en aan welke criteria moet worden voldaan.
10.3. De grondslag naar nationaal recht voor de uitvoering van de Verordening is de Uitvoeringswet EFRO. Artikel 9 van die wet bepaalt dat de daarvoor aangewezen autoriteit (hier: het college) algemene uitgangspunten over de uitoefening van haar bevoegdheden rond subsidieverstrekking vaststelt in een beleidsregel. Hiertoe behoort ook het formuleren van de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden verleend. In dit kader heeft het college de Beleidsregel vastgesteld. De Beleidsregel en het daaraan ten grondslag liggende Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016 zijn op grond van artikel 29 van de Verordening en overeenkomstig artikel 3, vijfde lid, van de Uitvoeringswet door de Europese Commissie goedgekeurd. Uit het voorgaande volgt dat de Beleidsregel bijdraagt aan de juiste toepassing van het Unierecht, in het bijzonder de Verordening. Dit betekent dat een inbreuk daarop een onregelmatigheid is als bedoeld in artikel 2, zesendertigste lid, van de Verordening.
10.4. Vast staat dat Pivot geen mkb-onderneming is. Daarmee is niet voldaan aan de subsidievoorwaarde voor subsidieverlening van meer dan € 1.500.000,00. Dit betekent dat er sprake is van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening, waarop een financiële correctie moet volgen De rechtbank heeft daarom terecht artikel 4:46 van de Awb conform de eisen van de Verordening toegepast.
10.5. Het betoog slaagt niet.
Toepassing van het evenredigheidsbeginsel 11. Pivot betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het op nihil vaststellen van de subsidie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De subsidie is namelijk volledig besteed aan het doel waarvoor de subsidie is verleend. Daarbij komt dat Pivot de mkb-verklaring juist en naar eer en geweten heeft ingevuld. Het is niet te wijten aan Pivot dat achteraf blijkt dat door de vraagstelling in die verklaring de uitkomst anders had moeten zijn. Pivot ziet verder niet in waarom de subsidie voor de andere projectpartners niet op nihil is vastgesteld. Ook had het college bij het toetsen van de aanvraag zelf kunnen controleren of Pivot een mkb-onderneming is.
11.1. Artikel 143, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat de lidstaten een financiële correctie toepassen die noodzakelijk is in verband met individuele of systemische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd. Hierbij houden de lidstaten rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheid en met het financiële verlies voor de Fondsen en passen zij een evenredige correctie toe. Hieruit volgt dat het college bij de constatering van een onregelmatigheid een financiële correctie moet toepassen, waarbij het college bij het toepassen van de financiële correctie een belangenafweging maakt.
11.2. Omdat sprake is van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening, moet het college een financiële correctie toepassen. Artikel 143, tweede lid, van de Verordening vereist dan dat de financiële correctie voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Eenzelfde evenredigheidsbeoordeling is ook naar nationaal recht vereist.
11.3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het op nihil vaststellen van de subsidie van Pivot niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarvoor is van belang dat het aan Pivot te wijten is dat bij de subsidieaanvraag onjuiste gegevens over haar bedrijfsstatus zijn verstrekt. Pivot heeft immers zelf verklaard een mkb-onderneming te zijn, terwijl het een grootbedrijf is. Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, mocht van Pivot als professionele marktpartij worden verwacht dat zij weet wat haar status is. Het college mocht daarom de subsidie van Pivot op nihil vaststellen. Van de andere subsidieontvangers is niet gebleken dat zij geen mkb-onderneming zijn; zij hebben voor de subsidieaanvraag de juiste gegevens aangeleverd. Zoals het college op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, zou het onverkort toepassen van de Beleidsregel op de andere projectpartners voor hen een onevenwichtig besluit opleveren. De Afdeling ziet daarom niet in waarom de subsidie voor hen ook op nihil had moeten worden vastgesteld.
11.4. Het betoog slaagt niet.
Is er strijd met het gelijkheidsbeginsel?
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep 13. Het college heeft op de zitting van de Afdeling medegedeeld dat hij het incidenteel hoger beroep heeft ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van Pivot gegrond is. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is, waarmee deze voorwaarde dus niet wordt vervuld. Het incidenteel hoger beroep van het college komt daarom te vervallen.
Conclusie 14. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Den Ouden voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 284-1062 BIJLAGE WETTELIJK KADER Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad Artikel 2 […].
Artikel 122 […].
Artikel 143 1. De lidstaten zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het onderzoeken van onregelmatigheden, voor het toepassen van de vereiste financiële correcties en voor het doen van terugvorderingen. Bij een systemische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle concrete acties die daarbij betrokken kunnen zijn.
Artikel 144 1. De Commissie past financiële correcties toe door de bijdrage van de Unie aan een operationeel programma door middel van uitvoeringshandelingen volledig of gedeeltelijk in te trekken overeenkomstig artikel 85 als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie komt dat: […].
De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde individuele onregelmatigheden en houdt er rekening mee of de onregelmatigheid systemisch is. Wanneer het bedrag van de onregelmatige uitgaven die aan de Fondsen of het EFMZV in rekening zijn gebracht niet precies kan worden bepaald, past de Commissie een vast percentage of een geëxtrapoleerde financiële correctie toe.
Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:46 […].
Regeling Europese EZ-subsidies Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: […]; mkb: midden- en kleinbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, van Verordening 1303/2013; […]; subsidieontvanger: begunstigde als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van Verordening 1303/2013; […].
Artikel 5.2.1. Subsidiabele activiteiten 1. De managementautoriteit verstrekt subsidie voor activiteiten passend binnen het programma waarvoor de managementautoriteit is aangewezen.
Artikel 5.2.2. Subsidieplafond en subsidiebedrag 1. De managementautoriteit stelt een subsidieplafond of twee of meer deelplafonds ter uitvoering van deze regeling vast, alsmede de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag onder het desbetreffende plafond.
Uitvoeringswet EFRO Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […]. h. project: samenhangend geheel van activiteiten ter verwezenlijking van de doelstelling van een programma volgens de daarvoor in dat programma vastgestelde criteria;
Artikel 9 Een autoriteit als bedoeld in artikel 3 neemt algemene uitgangspunten omtrent de uitoefening van haar bevoegdheden rond subsidieverstrekking die zij vaststelt ingevolge een EFRO-verordening op in een beleidsregel.
Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016 Artikel 3.3.1 1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op experimentele ontwikkeling of het verrichten van industrieel onderzoek in combinatie met experimentele ontwikkeling.
Artikel 3.3.2 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: […]. e. de mkb-ondernemingen als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, ten minste 30% van de subsidiabele kosten maken en betalen, en Artikel 3.3.4 […].