ECLI:NL:RVS:2026:3494
202500234/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Zwammerdam, gemeente Alphen aan den Rijn, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 december 2025 in zaak nr. 23/7014 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop Bij besluit van 31 augustus 2022 heeft het college naar aanleiding van een verzoek van [appellant] op grond van de Wet open overheid (Woo) documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 31 augustus 2022 herroepen en een nieuw besluit genomen waarbij het documenten openbaar heeft gemaakt.
Bij uitspraak van 5 december 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 oktober 2023 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit omdat het college nog geen uitvoering heeft gegeven aan de door de rechtbank gegeven opdracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door F. van der Tempel, rechtsbijstandverlener in Zwammerdam, is verschenen.
Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft het college op 24 januari 2022 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om documenten openbaar te maken over - kort gezegd - de Multifunctionele Accommodatie aan de Spoorlaan in Zwammerdam in de periode vanaf 16 februari 2021. Het college heeft bij het besluit van 31 augustus 2022 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Op dat moment was de Woo in werking getreden, wat betekent dat de Woo van toepassing is op het verzoek van [appellant]. Het college heeft toepassing gegeven aan de uitzonderingsgronden in artikel 5.1, eerste lid, onder c en artikel 5.1, tweede lid, onder b, e en f, van de Woo. Het college heeft bij het besluit van 20 oktober 2023 meer documenten openbaar gemaakt.
Wettelijk kader 3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft nagelaten in de uitspraak een oordeel te geven over enkele van zijn beroepsgronden. Ook heeft de rechtbank niet onderkend dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door geen verslag van het horen bij het besluit van 20 oktober 2023 toe te sturen. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat het college een zoekslag had moeten verrichten binnen de afdeling Onderwijs en dat het college totaalbedragen van offertes en facturen openbaar had moeten maken, aldus [appellant].
5.1. Het betoog slaagt niet. Het hoger beroep is ongegrond.
Beroep niet-tijdig beslissen 6. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, nadat de rechtbank het college daartoe de opdracht heeft gegeven. Het college heeft nog geen nieuw besluit genomen. Het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is daarom gegrond. De Afdeling zal het college opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 31 augustus 2022 te nemen. De Afdeling zal aan deze uitspraak een dwangsom verbinden voor iedere dag dat het college in gebreke blijft de uitspraak van de rechtbank na te leven.
Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is gegrond.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 31 augustus 2022 gegrond;
III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn op om uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn de hiervoor genoemde termijn voor de bekendmaking van het besluit overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,00;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. w.g. Van Altena lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dijkshoorn griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026 735-1104 BIJLAGE Wet open overheid Artikel 5.1. Uitzonderingen 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: (…) c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; (…) 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…) b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; (…) e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; (…) (…)