ECLI:NL:RVS:2026:350
202403618/1/A2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Domburg, gemeente Veere, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 23 april 2024 in zaak nr. 20/8089 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Veere.
Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2020 heeft het college aan [partij] een tegemoetkoming in planschade van € 29.000,00 toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij besluit van 8 juli 2020, als gewijzigd bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en de aan [partij] toegekende tegemoetkoming in planschade op € 26.800,00 bepaald.
Bij uitspraak van 23 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 8 juli 2020 en 13 oktober 2020 ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.H.U. Keizer, advocaat in Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door J.E. Joosen en G. Roovers, via videoverbinding zijn verschenen.
Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 14 juli 2015 een omgevingsvergunning gekregen voor het herbouwen van hotel De Tien Torens aan de Duinweg 36 in Zoutelande. [partij] heeft het college verzocht om tegemoetkoming in planschade als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning. Volgens [partij] is haar recht van erfpacht op [locatie] als gevolg van de omgevingsvergunning in waarde verminderd. Het college heeft, na advies te hebben ingewonnen bij Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), besloten tot het toekennen van een tegemoetkoming in planschade van € 26.800,00 aan [partij].
De rechtbank heeft in de tussenbeslissing van 15 december 2022 geoordeeld dat het advies van de SAOZ, voor wat betreft de planvergelijking, het vastgestelde schadebedrag en het normaal maatschappelijk risico, niet aan het besluit van het college ten grondslag mocht worden gelegd. De rechtbank heeft Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) benoemd als deskundige. De STAB heeft op 6 juni 2023 een verslag uitgebracht. Volgens de STAB is een tegemoetkoming in planschade van € 36.840,00 passend, waarbij zij heeft uiteengezet dat een deel van de schade, gelijk aan 4% van de waarde van het perceel van [partij] onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning, onder het normaal maatschappelijke risico valt. De rechtbank heeft geen reden gezien om het STAB-verslag niet aan haar oordeel ten grondslag te leggen en heeft haar uitspraak daarop gebaseerd. De hoogte van de door het college toegekende tegemoetkoming van € 26.800,00 heeft de rechtbank echter in stand gelaten, omdat [appellant] door het instellen van beroep niet in een nadeligere positie terecht mag komen. Dit volgt uit het zogenoemde verbod op ‘reformatio in peius’.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 is de Wro ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.18 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
Toetsingskader 5. In de overzichtsuitspraak in planschadezaken van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen.
Beoordeling van het hoger beroep van [appellant] 11. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [partij] op de peildatum, namelijk 26 augustus 2015, zakelijk gerechtigd was tot het perceel [locatie]. [appellant] voert hiertoe aan dat het Waterschap na het eindigen van het recht van erfpacht op 31 december 2010 met [partij] heeft gesproken over een nieuwe erfpachtovereenkomst en dat deze gesprekken pas in 2019 hebben geleid tot een nieuwe erfpachtovereenkomst. Bovendien staat in de eerder getekende vaststellingsovereenkomst dat [partij] over de periode van 1 januari 2011 tot 1 juni 2019 een vergoeding voor het gebruik aan het Waterschap verschuldigd was. De term gebruiksvergoeding bevestigt dat het recht van erfpacht op 31 december 2010 geëindigd was.
11.1. De Afdeling is van oordeel dat het college zich er voldoende van heeft vergewist dat [partij] op de peildatum van 26 augustus 2015 in een zakenrechtelijke relatie stond tot de [locatie]. Het heeft daarbij het vonnis van de rechtbank Middelburg van 1 juli 2015 in aanmerking genomen dat is gewezen in een civielrechtelijke procedure tussen het Waterschap Scheldestromen en [partij]. Dit vonnis is ook door de SAOZ en de STAB bij hun adviezen is betrokken. In dat vonnis is de rechtbank ervan uitgegaan dat de erfpacht na 31 december 2010 is verlengd. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat het Waterschap een beroep op het geëindigd zijn van de erfpacht niet toekomt. Verder is van belang dat voor het college geen aanleiding bestond om aan te nemen dat het vonnis niet onherroepelijk was geworden. [appellant] heeft op de zitting nog verwezen naar het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:837. In dat arrest, dat betrekking heeft op een zaak van een andere erfpachter, heeft het Hof een ander vonnis van de rechtbank Middelburg van 1 juli 2015 vernietigd. Op de zitting heeft [appellant] bevestigd dat ervan uitgegaan moet worden dat in de zaak van [partij] geen hoger beroep is ingesteld en dat het vonnis van 1 juli 2015 in die zaak onherroepelijk is geworden. Aan die verwijzing komt daarom in deze zaak geen betekenis toe. Het betoog slaagt niet.
Conclusie 13. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier. w.g. Van Altena voorzitter w.g. Yildiz griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026 594