202402057/1/A
- Datum uitspraak: 28 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2024 in zaak nr. 23/2178 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2023 heeft de minister [appellant] te kennen gegeven dat hij zijn verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) niet in behandeling neemt. Bij besluit van 17 februari 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.C. van Oosterhout, zijn verschenen. Overwegingen
- [appellant] heeft de minister op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van alle correspondentie en data, zowel schriftelijk als digitaal, en verslagen van telefoongesprekken van het departement van Justitie en Veiligheid met hem sinds 23 januari
- [appellant] merkt in zijn verzoek op dat de minister hem telefonisch te kennen heeft gegeven dat geen brieven aan hem zijn gestuurd.
- De minister heeft het verzoek van [appellant] niet in behandeling genomen, omdat hij misbruik van recht heeft gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek niet in behandeling heeft hoeven nemen. De Afdeling is dat met de rechtbank eens. Zij overweegt daartoe als volgt.
- Op grond van artikel 1.1 van de Woo heeft iedereen recht op toegang tot publieke informatie. Als iemand evenwel een verzoek om informatie indient met kennelijk een ander doel dan publieke informatie verkrijgen kan het verzoek op grond van artikel 4.6 van de Woo worden afgewezen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] met zijn verzoek evident niet beoogt publieke informatie te verkrijgen. Dit blijkt volgens haar uit het volgende. [appellant] heeft in 2019 een nagenoeg identiek verzoek gedaan, toen op grond van de destijds geldende Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Over dit verzoek heeft [appellant] geprocedeerd tot aan de Afdeling. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:762) geoordeeld dat [appellant] met dat verzoek misbruik van recht maakte. Volgens de Afdeling had [appellant] de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen namelijk gebruikt als drukmiddel om toch een schadevergoeding te krijgen. Dat is in de zaak die nu voorligt naar het oordeel van de Afdeling niet anders.
- Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. w.g. Schipper-Spanninga lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dijkshoorn griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026 735
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.