ECLI:NL:RVS:2026:644
202306360/1/R3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante A] en [appellant B], gevestigd onderscheidenlijk wonend in Reutum, gemeente Tubbergen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 augustus 2023 in zaken nrs. 22/1042, 22/2318 en 23/611 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.
Procesverloop Verzoek om intrekking van de last onder dwangsom (22/1042) Bij besluit van 8 december 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om de bij besluit van 20 mei 2021 opgelegde lasten onder dwangsom vanwege verschillende overtredingen op het perceel [locatie] in Reutum (kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie Q, nummer 2010 en 2011; hierna percelen Q2010 en 2011) (gedeeltelijk) in te trekken, afgewezen.
Bij besluit van 11 mei 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eerste invorderingsbesluit (22/2318) Bij besluit van 21 juni 2022 heeft het college besloten tot invordering van volgens hem verbeurde dwangsommen van in totaal € 15.500,00.
Bij besluit van 28 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tweede invorderingsbesluit (23/611) Bij besluit van 12 september 2022 heeft het college besloten tot invordering van volgens hem verbeurde dwangsommen van in totaal € 10.000,00.
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Beroep en hoger beroep Bij uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 11 mei 2022, 28 november 2022 en 19 januari 2023 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 december 2025, waar [appellant], in de persoon van [appellant B], bijgestaan door mr. ing. A.J.G. Nijland, rechtsbijstandverlener in Losser, en het college, vertegenwoordigd door C.I. Migchielsen, zijn verschenen.
Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding 2. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek hebben op 1 en 3 december 2020 controles op het perceel plaatsgevonden. Daarbij hebben toezichthouders van de gemeente verschillende overtredingen geconstateerd. Het college heeft besloten daartegen handhavend op te treden. In het besluit van 20 mei 2021 heeft het college [appellant B] en [appellante A] onder oplegging van dwangsommen ineens gelast de geconstateerde overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden. De begunstigingstermijn is laatstelijk verlengd tot en met 25 november 2021. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit. Dat besluit is dus onherroepelijk.
In het besluit van 8 december 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om de lasten (gedeeltelijk) in te trekken, afgewezen.
In het besluit van 21 juni 2022 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] een aantal overtredingen niet binnen de begunstigingstermijn heeft beëindigd. Volgens het college is niet geheel uitvoering gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals die zijn opgenomen in het in bijlage 3 van het bestemmingsplan opgenomen erfinrichtingsplan en zijn een tijdelijke unit en een overkapping niet verwijderd (lasten 3, 9 en 10). Volgens het college zijn de dwangsommen van in totaal € 15.500,00 van rechtswege verbeurd. Het heeft daarom besloten over te gaan tot invordering van deze dwangsommen.
In het besluit van 12 september 2022 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] opnieuw kampeermiddelen heeft geplaatst buiten de gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan de aanduiding "kampeerterrein" rust (last 1). [appellant] heeft daarom niet voldaan aan de opgelegde last om de buiten die gronden geplaatste kampeermiddelen verwijderd te houden. Volgens het college is de dwangsom van € 10.000,00 van rechtswege verbeurd. Het heeft daarom besloten over te gaan tot invordering van deze dwangsom. [appellant] is het niet eens met deze besluiten en is daartegen opgekomen.
Relevante regelgeving 5. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesbelang 6. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Als het door de appellant gestelde belang uitsluitend bestaat uit het uitspreken van een proceskostenvergoeding voor het ingestelde rechtsmiddel, betekent dat niet dat belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep.
Dit betekent dat het college niet meer bevoegd is de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Omdat [appellant] hierdoor in feite heeft bereikt wat hij met het instellen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over de invorderingsbesluiten zou kunnen bereiken, is zijn belang bij de beoordeling van het hoger beroep in zoverre komen te vervallen.
7.1. [appellant] heeft aangevoerd dat hij niettemin belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, omdat hij schade heeft geleden. Hij wijst daarbij op de kosten die hij heeft gemaakt om de overtredingen op zijn perceel te legaliseren. Hij wijst er ook op dat hij proceskosten heeft gemaakt waarvan hij heeft verzocht deze te vergoeden.
7.2. De Afdeling overweegt ten eerste dat de omstandigheid dat om vergoeding van proceskosten is verzocht, geen reden vormt voor het aannemen van procesbelang. De Afdeling ziet in de door [appellant] gestelde schade ook geen reden om procesbelang aan te nemen. De kosten die [appellant] heeft gemaakt, heeft hij gemaakt om de eerder onherroepelijk vastgestelde overtredingen op het perceel te legaliseren. Deze gestelde schade is dus niet het gevolg van de invorderingsbesluiten. De Afdeling zal het hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op de aangevallen uitspraak inzake de invorderingsbesluiten, wegens het gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden in hoger beroep over de invorderingsbesluiten.
Beoordeling van het hoger beroep 8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in het besluit op bezwaar van 11 mei 2022 alleen heeft bezien of tot opheffing van de lasten onder nummers 3, 9 en 10 moet worden overgegaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het besluit geen betrekking op de andere lasten.
8.1. In het besluit van 8 december 2021 staat dat het college heeft besloten het besluit van 20 mei 2021, waarbij meerdere lasten onder dwangsom zijn opgelegd, niet in te trekken, noch geheel, noch gedeeltelijk. Dit besluit is in het besluit op bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 29 maart 2022, gehandhaafd. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de afwijzing van het verzoek betrekking had op alle elf opgelegde lasten. Dat het college, zoals [appellant] aanvoert, alleen gemotiveerd is ingegaan op de lasten onder 3, 9 en 10, doet daaraan niet af. Of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] heeft kunnen afwijzen, zal de Afdeling hierna aan de hand van wat [appellant] heeft aangevoerd, beoordelen.
Het betoog slaagt niet.
9.1. Op verzoek van een overtreder kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, deze last opheffen. In artikel 5:34 zijn twee situaties genoemd die daartoe aanleiding kunnen geven. De Afdeling heeft eerder overwogen dat ook andere, niet in artikel 5:34 van de Awb bedoelde omstandigheden, tot opheffing van de last kunnen leiden (de uitspraken van 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5746, en 6 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY7586). Voor het antwoord op de vraag welke andere omstandigheden dat zijn, sluit de Afdeling aan bij de rechtspraak over invordering van verbeurde dwangsommen (de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, onder 2.2). Dit betekent dat een belanghebbende in een procedure over de opheffing van de last vanwege andere omstandigheden dan genoemd in artikel 5:34 van de Awb, in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
9.2. De rechtbank heeft de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, behoudens het betoog over de onmogelijkheid om aan de last inzake het erfinrichtingsplan te voldoen, niet inhoudelijk besproken en dus niet beoordeeld of er sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. De Afdeling zal dat hierna doen. Zij zal daarna ingaan op het betoog van [appellant] dat de last inzake het erfinrichtingsplan niet uitgevoerd kan worden als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb.
9.4. Over de vraag of er evident geen overtredingen hebben plaatsgevonden, overweegt de Afdeling als volgt.
Vast staat en niet in geschil is dat er gronden en bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" en "Agrarisch - 1" in gebruik zijn genomen zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen overeenkomstig het in bijlage 3 bij het bestemmingsplan opgenomen erfinrichtingsplan. Van een uitzonderlijk geval dat evident geen overtreding is gepleegd, is dus geen sprake.
Voor de overkapping geldt dat, ook al zou deze een bijbehorend bouwwerk zijn als bedoeld in artikel 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet vereist zou zijn, een omgevingsvergunning als bedoeld onder c van die bepaling wel vereist is als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan. In het besluit van 20 mei 2021 staat onder verwijzing naar het controlerapport van 14 december 2020 dat het bouwwerk wat de locatie betreft in strijd is met het bestemmingsplan. De Afdeling volgt [appellant] daarom niet in zijn betoog dat er in zoverre evident geen sprake is van een overtreding.
Voor de tijdelijke unit geldt dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de duur van twee jaar is verleend. Vaststaat dat de tijdelijke unit na afloop van die periode niet is verwijderd en ten tijde van het besluit van 20 mei 2021 zonder omgevingsvergunning op het perceel aanwezig was. Ook al zou de tijdelijke unit onder artikel 3 van bijlage II van het Bor vallen en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet nodig zou zijn, is mogelijk wel een omgevingsvergunning als bedoeld in onderdeel c van dat artikellid vereist. Nu de planregels niet zo duidelijk zijn dat zonder meer kan worden vastgesteld dat de tijdelijke unit niet in strijd is met het bestemmingsplan, bestaat geen grond voor het oordeel dat evident geen overtreding is gepleegd.
Over de op het perceel aangetroffen bouwwerken voor het rusttheater (sanitair-gebouw, yurt, schutting, berging en jacuzzi) voert [appellant] aan dat geen sprake is van een overtreding, omdat deze gebouwen vergunningvrij op gronden met de bestemming "Wonen" zijn toegestaan. De Afdeling wijst er in dit verband echter op dat tijdens de controles op het perceel is geconstateerd dat deze bouwwerken niet op die gronden stonden. Ze stonden zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning (deels) op gronden met de bestemming "Agrarisch - 1" dan wel "Groen". Van de situatie dat evident geen sprake is van een overtreding is dan ook geen sprake. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de gelaste maatregel, te weten het verwijderen van deze bouwwerken, te ver strekt en het college hem in plaats daarvan had kunnen gelasten de bouwwerken te verplaatsen, had [appellant] dit kunnen en moeten aanvoeren tegen het besluit tot oplegging van de last.
Aan een deel van de gronden waarop de bestemming "Agrarisch - 1" rust, is de aanduiding "kampeermiddelen" toegekend. Kleinschalig kamperen is ingevolge het bestemmingsplan op die gronden toegestaan. [appellant] heeft niet bestreden dat er kampeermiddelen hebben gestaan en zijn gebruikt op gronden met een agrarische bestemming, waaraan niet die aanduiding was toegekend. Er bestaat dus geen grond voor het oordeel dat er in zoverre evident geen overtreding is gepleegd. Dat de kampeermiddelen volgens [appellant] wel op gronden met de bestemming "Wonen" mogen staan en de last in zoverre anders geformuleerd had kunnen en moeten worden, doet aan het voorgaande niet af. Hij had dit kunnen en moeten aanvoeren tegen het besluit tot oplegging van de last.
De Afdeling overweegt tot slot dat, anders dan [appellant] aanvoert, de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan" aan het oordeel dat het niet evident is dat geen overtredingen zijn gepleegd, niet afdoet. De regels van het bestemmingsplan "Schuur voor schuur 4 locaties, Reutum, Manderveen en Haarle" zijn ingevolge artikel A van dat Veegplan blijven gelden. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dat artikel niet in werking is getreden of onduidelijk is, zoals [appellant] suggereert.
9.5. De Afdeling overweegt ten overvloede nog het volgende. Gelet op het verhandelde op de zitting vreest [appellant] dat het college tot invordering overgaat als hij de yurt en het sanitair-gebouw die hij op grond van het handhavingsbesluit verwijderd moet houden, opnieuw opricht, maar dit keer op de gronden met een woonbestemming. [appellant] kan in die eventuele invorderingsprocedure aanvoeren dat die bouwwerken volgens hem op die locatie omgevingsvergunningvrij zijn. Hij kan het college ook verzoeken de met betrekking tot die bouwwerken opgelegde lasten onder dwangsom op te heffen op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Awb.
Artikel 5.4.3, aanhef en onder a, van de planregels verplicht daar ook niet toe. In dat artikel wordt juist uitdrukkelijk de aanleg van landschapsmaatregelen die zijn opgenomen in bijlage 3 op gronden met de bestemming "Agrarisch - 1" toegestaan. In artikel 3, aanhef en onder g, van de planregels is daarnaast bepaald dat gronden met de bestemming "Agrarisch - 1" bestemd zijn voor het uitvoeren van erfinrichtingsplannen. Het erfinrichtingsplan in bijlage 3 is naar het oordeel van de Afdeling een erfinrichtingsplan als in dat artikel bedoeld. De vrees van [appellant] dat hij een economisch delict pleegt als hij de houtsingel op gronden met een agrarische bestemming aanlegt, is gelet op het voorgaande dan ook niet gerechtvaardigd. Nu niet in geschil is dat de houtsingel feitelijk ook (deels) op gronden met de bestemming "Agrarisch - 1" kan worden aangelegd, is geen sprake van de situatie dat het niet mogelijk is de last uit te voeren.
Het betoog van [appellant] dat sprake is van een uitzonderlijk geval op grond waarvan het college de lasten had moeten opheffen, slaagt ook niet. Van de situatie dat evident geen overtreding is gepleegd of [appellant] evident geen overtreder is, is geen sprake. Het college heeft daarom evenmin andere, niet in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb bedoelde omstandigheden die tot opheffing van de lasten zouden moeten leiden, hoeven aan te nemen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Inschakeling Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) 10. De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding de STAB om een deskundigenbericht te verzoeken, zoals [appellant] in hoger beroep heeft gevraagd.
Conclusie 11. Het hoger beroep, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak met nummers 22/2318 en 23/611, is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak met nummer 22/1042, is ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak in zoverre, zij het, gelet op wat is overwogen onder 9.2 en 9.7, met een verbetering van de gronden waarop deze rust.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 augustus 2023 in zaken nrs. 22/2318 en 23/611 niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 augustus 2023 in zaak 22/1042.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier. w.g. Kaajan lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pieters griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 473 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:34, eerste lid, Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Artikel 5:35 1. In afwijking van artikel 104, eerste lid, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.
Bestemmingsplan "Schuur voor schuur 4 locaties, Reutum, Manderveen en Haarle"
Artikel 3.1 De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […], c. kleinschalig kamperen ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' […];
Artikel 5.1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor:
Artikel 5.2.2 Voor het bouwen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. de vrijstaande bijbehorende bouwwerken zullen achter de naar de weg(en) gekeerde (voor)gevel(s) van het dichtst bij de weg gesitueerde bestaande gebouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd; […];
Artikel 5.4.3, aanhef en onder a Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch - 1' zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen in de bestemming 'Groen' en 'Agrarisch - 1' conform de in Bijlage 1 en Bijlage 3 opgenomen erfinrichtingsplannen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.