← Nederland

ECLI:NL:RVS:2026:712

BRS.25.002330 ECLI:NL:RVS:2026:712 Datum uitspraak: 11 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.56811 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen

  1. In de derde grief betoogt appellant terecht dat de omstandigheid dat de termijn van ophouding met zestien minuten is overschreden een gebrek oplevert en dat dit tot een proceskostenveroordeling had moeten leiden. Dit gebrek heeft betrekking op de staandehouding, overbrenging en ophouding van appellant. De rechtbank had om die reden aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, onder 2.2, en 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1544, onder
  2. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan. De grief slaagt.
  3. Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
  4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten voor het geconstateerde gebrek in de ophouding. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.56811, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten vanwege het geconstateerde gebrek in de ophouding; III. bevestigt die uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026 1179-644

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.