ECLI:NL:RVS:2026:913
202403847/2/R1.
Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
Procesverloop Bij tussenuitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1818, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van die tussenuitspraak het daarin omgeschreven gebrek in het besluit van het college van 9 mei 2024 (lees: 8 mei 2024) te herstellen en een nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 6 juni 2025 (hierna: het eerste herstelbesluit) heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw, na wijziging van de aanvraag, een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen en bergingen op het adres Laanweg 55a tot en met 55n in Schoorl. [appellant sub 1] en anderen hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over het eerste herstelbesluit. [appellant sub 1] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 2 oktober 2025 (hierna: het tweede herstelbesluit) heeft het college, na een volgende aanpassing van de aanvraag, het eerste herstelbesluit gewijzigd.
De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 7 oktober 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], bijgestaan door ing. F. Zomers, en de raad en het college, vertegenwoordigd door M. Knol MSc, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij]., vertegenwoordigd door [gemachtigden], vergezeld door ing. R.G.M. Louwes, als partij gehoord. [appellant sub 1] en anderen en [partij]. hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, zienswijzen naar voren gebracht over het tweede herstelbesluit. [appellanten sub 2] hebben beroep ingesteld tegen het tweede herstelbesluit. [appellant sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een derde zitting behandeld op 11 december 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], bijgestaan door ing. F. Zomers, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2A], en de raad en het college, vertegenwoordigd door M. Knol MSc, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], vergezeld door ing. R.G.M. Louwes, als partij gehoord.
Overwegingen Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 en tegen het besluit van het college van 8 mei 2024 1. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen richt zich tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laanweg 55-57 Schoorl" (hierna: het bestemmingsplan) en het besluit van het college van 8 mei 2024 tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen en bergingen op het adres Laanweg 55a tot en met 55n in Schoorl. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.
Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het tweede herstelbesluit 4. Vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen kan niet worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dat betekent dat een belanghebbende alleen maar kan opkomen tegen het herstelbesluit voor zover dat besluit deze belanghebbende ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in een nadeliger positie heeft gebracht of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerdere besluit. Vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3771, onder 6.1, en van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3735, onder 5.1.
Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover gericht tegen het eerste en tweede herstelbesluit 6. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
6.1. Het eerste herstelbesluit vervangt het besluit van 8 mei 2024. Het tweede herstelbesluit wijzigt het eerste herstelbesluit. De herstelbesluiten zijn, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, onderwerp van dit geding. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen moet daarom worden geacht ook te zijn gericht tegen de herstelbesluiten. De omstandigheid dat de herstelbesluiten zijn genomen op basis van gewijzigde aanvragen maakt dit niet anders, omdat het gaat om wijzigingen die van ondergeschikte aard zijn. Wat [appellant sub 1] en anderen in hun zienswijzen tegen de herstelbesluiten naar voren brengen, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van het beroep van rechtswege tegen de herstelbesluiten.
Tegen het tweede herstelbesluit voeren [appellant sub 1] en anderen onder meer aan dat de bergingen opnieuw niet volledig zijn voorzien in het aanduidingsvlak waar op grond van het bestemmingsplan bijgebouwen zijn toegestaan. De Afdeling begrijpt dat het college en [partij] ook dat bij nader inzien niet ongegrond achten. Mede om die reden heeft [partij] opnieuw een gewijzigde aanvraag ingediend, zo begrijpt de Afdeling uit de brief van het college van 27 november 2025 en de toelichting daarop op de derde zitting, waarop echter nog moet worden beslist door het college.
De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat de beide herstelbesluiten in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn genomen. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen alleen al om die reden gegrond is voor zover dit is gericht tegen de beide herstelbesluiten, en dat die besluiten moeten worden vernietigd.
Conclusie 8. Het beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan. Daarom blijft dat besluit in stand. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is voor het overige gegrond. De besluiten van het college van 8 mei 2024, 6 juni 2025 en 2 oktober 2025, waarbij omgevingsvergunning (gewijzigd) is verleend, moeten worden vernietigd.
Het college hoeft de proceskosten van [appellanten sub 2] niet te vergoeden.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Bergen (NH) van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laanweg 55-57 Schoorl";
III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) van 8 mei 2024, kenmerk D759726, van 6 juni 2025, kenmerk D870973, en van 2 oktober 2025, kenmerk D2025-00053942;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.911,81, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026 195-1136