Rectificatie onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., en l.b.o. C/D Rectificatie onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., en l.b.o. C/D De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, Gelet op de eind- en staatsexamenprogramma's aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. en l.b.o. C/D; Besluit: Artikel 1 1 De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen v.w.o. zijn: In het schooljaar 1992/1993: I Het Nederlandse landschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985): zandlandschap; rivierkleilandschap; II Bevolkingsgeografie (circulaire VO/AV 87-04 van 9 juli 1987) III Ruimtelijke organisatie en inrichting (Uitleg nr. 15 van 1 juni 1988): stedelijke gebieden: Oostelijke Randstad; Brabantse Stedenrij; Twentse stedenrij; landelijke gebieden: Drente + Veluwe; Oostelijk Noord-Brabant + Noord-Limburg; Rivierengebied; IV Marokko (Regeling VO/AV/BE-894375 van 16 april 1989); V USSR (RegelingVO/AVV/OB/VO2-90061128 van 27 juli 1990 + rectificatie VO/AVV/VO2-90081672 van 18 september 1990); In het schooljaar 1993/1994: I Het Nederlandse landschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985): duinlandschap; krijt-lösslandschap; 2 De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen h.a.v.o. zijn: In het schooljaar 1992/1993: I Het Nederlandse landschap (circulaire DGVO 13.200 van 20 mei 1985): zeekleilandschap; veenlandschap; II Bevolkingsgeografie (circulaire VO/AV 87-04 van 9 juli 1987); III Ruimtelijke organisatie en inrichting (Regeling VO/AV/BE-894375 van 16 april 1989): stedelijke gebieden: Noordwestelijke Randstad; landelijke gebieden: IJsselmeerpolders; Hollands-Utrechts weidegebied; Friesland, Groningen; IV Frankrijk (RegelingVO/AVV/OB/VOII-90029415 van 14 mei 1990). In het schooljaar 1993/1994: I Het Nederlandse Landschap (circulaire DGVO 13 200 van 20 mei 1985): duinlandschap; krijt-lösslandschap; 3 De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen m.a.v.o. en l.b.o. C/D in de schooljaren 1992/1993 en 1993/1994 zijn: I Stedelijke gebieden in Nederland (RegelingVO/AVV/OB/VO2-90061128 van 27 juli 1990); II Duitsland, zoals omschreven in bijlage 1; III Turkije, land in ontwikkeling, zoals in bijlage 2 is omschreven. Artikel 2 De regeling ‘Onderwerpen centraal examen aardrijkskunde’ van 26 juni 1991, kenmerk VO/AVV/OB/VO2-91047815, gepubliceerd in OenW-Regelingen Extra van 17 juli 1991 nummer 18a, komt hiermee te vervallen. Artikel 3 1 Deze regeling wordt bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Van deze regeling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de dagtekening van het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, waarin de regeling is bekendgemaakt. drs. J. Wallage Bijlage 1 Het onderwerp ‘Duitsland’ (m.a.v.o. en l.b.o. C/D) Inleiding De voorliggende structuur bij het onderwerp ‘Duitsland’ vertoont inhoudelijk grote overeenkomst met de structuur ‘De beide Duitslanden’ (gepubliceerd in bijlage 1 bij de regeling d.d. 16 april 1989, kenmerk VO/AV/BE-894375). Uiteraard kon de centrale probleemstelling van ‘De beide Duitslanden’: ‘In hoeverre leiden de maatschappelijke stelsels in respectievelijk de socialistische en niet-socialistische landen tot verschillen in ruimtelijke organisatie en inrichting en welke gevolgen hebben zij voor de onderlinge betrekkingen tussen die landen’, op deze wijze geformuleerd niet gehandhaafd blijven. Wel is duidelijk dat er, door het feit dat gedurende 45 jaar de maatschappelijke stelsels in Oost- en West-Duitsland zeer verschillend waren, wat betreft ruimtelijke organisatie en inrichting nog geruime tijd duidelijke verschillen zullen blijven tussen beide landsdelen. Voor deze verschillen wordt in de structuur speciaal aandacht gevraagd. Speciale aandacht verdienen ook de ruimtelijke problemen die voortvloeien uit het herenigen van beide staten, waarbij in het bijzonder de totaal veranderde positie van de stad Berlijn ruimtelijk zeer interessant is. De structuur bestaat uit vier delen, aangegeven met de letters A, B, C en D. In het A-gedeelte, ‘Benaderingswijze’ wordt om te beginnen duidelijk gemaakt, dat het in de aardrijkskunde gaat om samenhang tussen enerzijds de ruimtelijke organisatie en inrichting van gebieden en anderzijds een aantal relevante fysische, economische, demografische, sociale en politieke factoren. Verder staat er vermeld dat de leerstof moet worden beperkt door aandacht te geven aan een viertal met name genoemde regio's. De speciale aandacht voor vier regio's impliceert niet dat de kandidaat van de rest van Duitsland helemaal niets hoeft te weten. In A2 staat dat er ten aanzien van het hele gebied een zekere basiskennis verondersteld wordt. In het B-gedeelte ‘Omschrijving van de examenstof’ zijn de reeds genoemde factoren zodanig gegroepeerd dat de ruimtelijke samenhang vanuit vier invalshoeken bekeken kan worden. Per invalshoek is zo duidelijk mogelijk aangegeven wat wel (en dus wat ook niet) behandeld dient te worden. Zo blijkt uit de formulering bij de fysische invalshoek, dat de fysische factoren beschouwd moeten worden als gegevens ter verklaring van de inrichting. De vraag naar het ontstaan van bijvoorbeeld delfstoffen blijft dus buiten beschouwing. Alleen bij de factor klimaat wordt van de kandidaat meer gevraagd dan alleen maar een beschrijving. Dat blijkt uit de examenstof die vermeld is onder C. In het C-gedeelte ‘Lijst van termen en begrippen’ worden bij elke invalshoek de begrippen en termen genoemd die daarbij redelijkerwijs ter sprake kunnen komen. Soms is er uit de opsomming van de examenstof af te leiden, of er al of niet een verklaring wordt verwacht. Zo staat er bijvoorbeeld bij de fysische invalshoek, dat de kandidaten de factoren moeten kennen die de temperatuur bepalen en dat ze ook op de hoogte dienen te zijn van de invloed van het reliëf op de verdeling van de neerslag. De kandidaten moeten dus bijvoorbeeld niet alleen weten dat er in het Sauerland meer regen valt dan in het Ruhrgebied, maar ook kunnen verklaren waardoor dat komt. In het D-gedeelte wordt de topografie vermeld. Het selecteren van een (beperkte) hoeveelheid topografie noopt tot arbitraire beslissingen. Bij de selectie van de plaatsen is uitgegaan van de kaart ‘Verdichtungsräume und Zentrale Orte’ in de Alexander-Atlas. Gekozen is voor de Zentrale Orte van het hoogste en van het één na hoogste niveau, waar nodig aangevuld met de namen van een aantal relevante steden. A Benaderingswijze 1 Van de kandidaten wordt verwacht, dat zij ten aanzien van Duitsland a kennis hebben van de ingerichte ruimte en van een aantal demografische aspecten van de bevolking b kennis hebben van het verschil in maatschappelijk stelsel tussen Oost- en West-Duitsland, in de periode 1945–1990 c kennis hebben van en inzicht hebben in de ruimtelijke samenhang tussen de inrichting en de fysische, economische, demografische, sociale en politieke factoren die daarop – afzonderlijk of in onderlinge samenhang – van invloed zijn d binnen het kader van de politieke en sociale factoren speciaal aandacht schenken aan de gevolgen van het verschil in maatschappelijk stelsel in Oost- en West-Duitsland gedurende de periode 1945–1990 voor de ruimtelijke organisatie en inrichting de zorg voor het milieu 2 De kandidaten dienen van Duitsland a de op bijgaande lijst vermelde topografie te kennen b te beschikken over basiskennis aangaande ligging, oppervlaktevormen, reliëf, klimaat, waterhuishouding, aanwezigheid van delfstoffen, bevolking, bestaansmiddelen en relevante geografische politieke ontwikkelingen vanaf 1945 3 De kandidaten dienen speciaal kennis te hebben van de volgende regio's Ruhrgebied Ballungsraum Halle-Leipzig Het Noordduitse Laagland Berlijn 4 De kandidaten dienen binnen deze regio's kennis te hebben van het volgende a vergelijking van de milieuproblematiek in het industriegebied Halle-Leipzig en in het Ruhrgebied b de gevolgen van het tussen 1945 en 1990 opgetreden verschil in maatschappelijk stelsel voor de inrichting van het platteland en de organisatie van de landbouw in het Oostduitse en het Westduitse deel van het Noordduitse laagland c de gevolgen van 45 jaar politieke scheiding voor Berlijn d de gevolgen van de eenwording voor Berlijn B Omschrijving van de examenstof In deze stofomschrijving zijn de bij A1 bedoelde factoren zodanig gegroepeerd, dat spreiding en ruimtelijke samenhang belicht kunnen worden vanuit vier invalshoeken 1 De fysische invalshoek De wijze waarop a delfstoffen en waterhuishouding in het Ruhrgebied en in Ballungsraum Halle-Leipzig en d de relatie tussen economische activiteiten en milieu en de verschillende wijze waarop vóór de eenwording in Oost- en West-Duitsland gereageerd werd op de milieuproblematiek e de gevolgen van de Duitse eenwording voor de relatie ‘economische activiteiten-milieu’ in Oost-Duitsland b de gevolgen van het openen van de grenzen (op 9 november 1989) tussen Oost- en West-Duitsland voor de binnenlandse migratie en dientengevolge voor de leeftijdsopbouw van de beide landsdelen Bijlage 2 Het onderwerp ‘Turkije, land in ontwikkeling’ (m.a.v.o. en l.b.o. C/D) I Omschrijving van de examenstof Van de kandidaten wordt verwacht dat zij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.