BWBR0006449_2005-02-25_0 Besluit van 4 februari 1994, houdende regels voor akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondsteelt Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 augustus 1992, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, nr. MJZ 10892036, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de artikelen 8.40, 8.41, 8.42 en 21.7 van de Wet milieubeheer; Gezien het advies van de Centrale raad voor de milieuhygiëne van 20 december 1988; De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1993, No. W08.92.0360); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 februari 1994, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, nr. MJZ 01294019, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond, voor zover: 1°. niet meer dan 15 stuks melkrundvee worden gehouden; 2°. niet meer dan 25 mestvarkeneenheden worden gehouden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden; 3°. geen pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden; 4°. aan konijnen niet meer dan 50 voedsters worden gehouden; 5°. niet meer dan 50 geiten worden gehouden; 6°. geen bassins voor de opslag van dunne mest aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m2, of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2500 m3 en voor zover in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren; 7°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen worden bewaard dan die van de klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag, derde druk 1982; 8°. niet meer dan 600 m3 vaste dierlijke mest wordt bewaard; 9°. organische mest, niet zijnde dierlijke mest, uitsluitend wordt bewaard voor aanwending ten behoeve van het eigen bedrijf; 10°. bewaring van land- en tuinbouwprodukten plaatsvindt, die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van het eigen bedrijf of aldaar zullen worden aangewend; 11°. geen groter oppervlak dan 2500 m2 aan permanente opstand van glas of kunststof aanwezig is; 12°. geen onderhouds- of reparatiewerkzaamheden plaatsvinden aan andere installaties, werktuigen of toestellen dan die behorend bij het eigen bedrijf; 13°. ten hoogste 1000 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 wordt bewaard, behoudens tijdelijke opslag ten behoeve van direct gebruik; 14°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt opgewekt met behulp van zonne-energie dan wel wordt betrokken van openbare elektriciteitsbedrijven, behoudens indien gebruik wordt gemaakt van noodstroomvoorzieningsinstallaties; 15°. uitsluitend gas, gasolie, petroleum of lichte stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening; 16°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen of gasflessen, het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is; 17°. ondergrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie niet plaatsvindt in een andere dan een stalen of kunststof tank en niet meer bedraagt dan 20.000 liter; 18°. bovengrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 10.000 liter; 19°. geen onder- of bovengrondse tank voor de bewaring van K1- of K2-vloeistoffen aanwezig is, behoudens een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 3000 liter voor het bewaren van petroleum; 20°. afgewerkte olie uitsluitend bovengronds, in vaatwerk, wordt bewaard in een totale hoveelheid van niet meer dan 400 liter; 21°. geen aflevering van motorbrandstoffen aan derden plaatsvindt; 22°. ten hoogste een reservewisselreservoir voor de opslag van LPG per transportmiddel, dat door middel van LPG wordt aangedreven, aanwezig is, met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter; 23°. geen aktiviteiten plaatsvinden, als bedoeld in bijlage I, categorie 21, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; b. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting te verlenen; c. dunne mest: mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater; d. vaste dierlijke mest: mest die geheel of gedeeltelijk bestaat uit faeces of urine van landbouwdieren en die niet verpompbaar is; e. bassin: een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal; f. woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd; g. gevoelig object: een gebouw of deel van een gebouw dat tot het verblijf van personen is bestemd, een gebouw of terrein dat is bestemd voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of artikel 8, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie, een gebouw dat deel uitmaakt van een agrarisch bedrijf en ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf, of een als kamphuis of blokhut aan te merken bouwwerk, dat ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf;. h. voor verzuring gevoelig gebied: een voor verzuring gevoelig gebied in de zin van de Interimwet ammoniak en veehouderij; i. ammoniakemissie: emissie van potentieel zuur, afkomstig van ammoniak, gemeten in kg per jaar; j. ammoniakdepositie: depositie van potentieel zuur, afkomstig van ammoniak, gemeten in mol per hectare per jaar;. k. melkrundvee: 1°. melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat overwegend wordt gehouden voor de melkproduktie met inbegrip van de dieren die in de mest-periode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest; 2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproduktie en het voortbrengen en zogen van kalveren; l. assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van planten en gewassen, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces daarvan, waarbij het geïnstalleerd vermogen op enig moment meer bedraagt dan 15,7 W/m2; m. K1-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen is onder 21°C, bepaald volgens NEN 3204, uitgave 1968, en die bij 37,8°C een dampspanning heeft van ten minste 35 kPa en ten hoogste 98,1 kPa, bepaald volgens NEN 928, uitgave 1970, of een verfprodukt waarvan het vlampunt gelegen is onder 21°C, bepaald volgens NEN-EN 53, uitgave 1976; n. K2-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 21°C en onder 55°C, bepaald volgens NEN 3204, uitgave 1968, of een verfprodukt waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 21°C en onder 55°C, bepaald volgens NEN-EN 53, uitgave 1976; o. K3-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 55°C, bepaald volgens NEN-ISO 2719, uitgave 1979, of een verfprodukt waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 55°C, bepaald volgens NEN-EN 53, uitgave
- 2 Dit besluit is niet van toepassing op een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt dat is opgericht: a. na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen op minder dan 1°. 50 m afstand van een bebouwde kom; 2°. 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object; b. vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen op minder dan 1°. 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object; 2°. 10 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object voor het geval geen dieren bedrijfsmatig worden gehouden en er geen bewaring van dunne mest plaatsvindt in een bassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni
- 3 Dit besluit is eveneens niet van toepassing op een akkerbouw of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt waar dunne mest wordt opgeslagen in een bassin dat tot stand is gebracht na 1 juni 1987 en dat is gelegen: a. op minder dan 50 m van een woning van derden, die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwprodukten, of voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; b. op minder dan 100 m afstand van een gevoelig object of een woning van derden, niet zijnde een woning als bedoeld onder a. 4 Indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 m2, bedragen de in het derde lid bedoelde afstanden onderscheidenlijk 25 en 50 m. 5 Dit besluit is niet van toepassing op een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt, waarin bedrijfsmatig dieren worden gehouden en dat is opgericht: a. op of na 1 november 1997 en dat: 1°. op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie van meer dan 15 mol veroorzaakt, 2°. ligt in een gemeente, die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage, of 3°. ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt, als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij; b. voor 1 november 1997 en dat op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie veroorzaakt van: 1°. meer dan 15 mol, 2°. meer dan de hoogste, door degene die de inrichting drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie die het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien die waarde hoger is dan 15 mol, 3°. meer dan de hoogste waarde die het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt mocht veroorzaken op grond van een vergunning krachtens de Hinderwet of artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, die voor de inrichting gold onmiddellijk voorafgaand aan het meest recente tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, indien die waarde hoger is dan 15 mol en de onder 2° bedoelde waarde, of 4°. meer dan de hoogste, door degene die de inrichting drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie, die het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt ligt in een gemeente die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage; c. voor 1 november 1997 en dat een hogere ammoniakemissie veroorzaakt dan de hoogste, door degene die de inrichting drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakemissie die het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij. 6 Het vijfde lid is op een akker- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt niet van toepassing, indien de hoogste, door degene die de inrichting drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakemissie, onderscheidenlijk van de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, die het akker- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt in de periode vanaf 1 november 1997 tot 1 november 1998 heeft veroorzaakt, hoger is dan de in het vijfde lid aangegeven waarde, indien: a. voor het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt ten behoeve van de oprichting dan wel een verandering of een verandering van de werking van de inrichting voor 1 november 1997 een bouwvergunning op grond van de Woningwet is verleend, dan wel, indien het een verandering of een verandering van de werking van de inrichting betreft, ten behoeve waarvan geen bouwvergunning is vereist, met het oog op die verandering voor 1 november 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan ten bedrage van ten minste f 10.000,–, b. de oprichting, verandering of verandering van de werking voor 1 november 1998 heeft plaatsgevonden en c. de waarde die het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt na de oprichting, verandering of verandering van de werking veroorzaakt, niet hoger is dan de waarde die de inrichting overeenkomstig dit besluit voor 1 november 1997 mocht veroorzaken, zoals het voor die datum luidde. 7 In afwijking van het vijfde en zesde lid is dit besluit niet van toepassing op een akker- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt indien met het oog op de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij de voor het akker- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt geldende vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, op of na 1 november 1997 geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of is gewijzigd, en het akker- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie veroorzaakt van meer dan de hoogste waarde die de inrichting na de intrekking of wijziging van de vergunning op grond van de vergunning mocht veroorzaken. 8 De berekening van het aantal mestvarkeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, 2°, vindt plaats met toepassing van de door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde richtlijn Veehouderij en stankhinder, nr. DWL/
- 9 Voor het bepalen van de afstanden genoemd in het tweede lid, onder a en b, dient te worden gemeten vanaf het onderdeel van het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt, dat het dichtst bij een woning van derden of een gevoelig object is gelegen. 10 Bij de toepassing van het vijfde tot en met zevende lid, worden de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie bepaald op de wijze waarop de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie bij de toepassing van de Interimwet ammoniak en veehouderij worden bepaald. Artikel 2 1 Degene die een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt drijft, dient te voldoen aan de voorschriften, die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I, alsmede aan de krachtens die voorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen. De voorschriften, opgenomen in bijlage I, zijn niet van toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarop het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is, voor zover de voorschriften betrekking hebben op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling en de ingebruikneming, bedoeld in dat besluit. De voorschriften, opgenomen in bijlage I, zijn niet van toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarop het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is, voorzover de voorschriften betrekking hebben op het ontwerp, de vervaardiging, de overeenstemmingsbeoordeling, de keuring voor ingebruikneming en de herkeuring bedoeld in dat besluit. 2 Van een beschikking waarin nadere eisen worden gesteld, wordt mededeling gedaan door kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Artikel 3 1 Degene die voornemens is een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt op te richten, meldt dit ten minste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd gezag. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt dan wel met betrekking tot het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens. 3 Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn, en worden de gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. 4 Degene die een melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste of het tweede lid, stelt het bevoegd gezag zo tijdig in kennis van een wijziging van het in het derde lid bedoelde tijdstip dat het bevoegd gezag in staat is voorafgaand aan dat tijdstip te controleren of aan de in bijlage I opgenomen voorschriften wordt voldaan. Artikel 4 1 Gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop dit besluit van toepassing wordt op een reeds opgericht akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt, is artikel 2 op dat bedrijf niet van toepassing. 2 In een geval als bedoeld in het eerste lid, meldt degene die een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt drijft, ten hoogste 26 weken na het in dat lid bedoelde tijdstip aan het bevoegd gezag dat hij het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt in werking heeft. De melding geschiedt overeenkomstig artikel 3, derde lid. 3 Deze melding is niet vereist, indien voor het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geldt. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 6 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. 's-Gravenhage 4 februari 1994 Beatrix De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J. G. M. Alders de vierentwintigste februari 1994 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Bijlage I behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer Inhoud I Begrippen II Voorschriften: 1 De opslag van mest 2 De opslag van organische meststoffen niet zijnde dierlijke mest 3 De opslag van veevoeder 4 De opslag van nitraathoudende kunstmeststoffen 5 Bestrijdingsmiddelen 6 Onderhoudswerkplaats 7 Gebruik van gasflessen 8 Afvalstoffen 9 Bodembescherming 10 Geluidhinder 11 Centrale verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening 12 Noodstroomvoorzieningen 13 Gebruik vorkheftrucks 14 Bewaren van LPG-reservoirs voor de aandrijving vantransportmiddelen 15 Op aardgas gestookte toestellen en regelapparatuur 16 Bewaren van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en chemicaliën in emballage 17 Gedragsvoorschriften 18 Brandbestrijding 19 Meet- en registratieverplichtingen 20 Voorschriften voor de opslag van gasolie, lichte stookolie, dieselolie en petroleum in bovengrondse tanks met een inhoud vanmeer dan 200 liter 21 Afleverpompen voor motorbrandstoffen 22 Opslag van afgewerkte olie I Begrippen 1 In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; equivalent geluidsniveau (LAeq): het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode, optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig voorschrift 10.5; foliebassin: een bassin, uitgevoerd als een met een afdichtingsfolie beklede grondput; gasfles: een voor herhaald gebruik bestemde, cilindrische, metalen drukhouder, die voorzien is van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter; geluidgevoelige bestemmingen: gebouwen of objecten, als aangewezen bij de algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder; geluidsniveau in dB(A): het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publikatie no. 651, uitgave 1979; mestsilo: een bassin, niet zijnde een foliebassin; gevaarlijke stof: stof zoals ingedeeld en gedefinieerd in het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen; NEN: een door het NNI uitgegeven norm; NEN-EN: een door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; NEN-ISO: een door de International Organization for Standardization opgestelde en door het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; NNI: het Nederlands Normalisatie Instituut; onbrandbaar: het onbrandbaar zijn overeenkomstig het bepaalde in NEN 6064; openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; referentieniveau: de hoogste waarde van de onder a. en b. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveauperiode; a. het geluidsniveau, uitgedrukt in dB, dat, gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd, wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; b. het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode; riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; VLG: het Reglement betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen; weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: de tijd, uitgedrukt in minuten, gedurende welke geen uitbreiding van brand naar aangrenzende ruimten mag plaatsvinden, bepaald overeenkomstig NEN
- 2 Voor zover een DIN-, NEN-, NEN-EN- of NEN-ISO-norm, waarnaar in een voorschrift wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de vóór de datum waarop dit besluit in het Staatsblad is geplaatst, laatst uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen dan wel - voor zover het op die datum reeds bestaande constructies, toestellen en apparaten betreft - de norm die bij de aanleg c.q. installatie van die constructies, toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. II Voorschriften 1 De opslag van mest 1.1 Algemeen 1.1.1.Dunne mest en gier moeten worden opgeslagen in een hiertoe bestemde mestdichte opslagruimte. Indien de opslagruimte niet onder een stal is gelegen moet het transport naar de opslagruimte geschieden door middel van een gesloten en mestdicht riool of een daaraan gelijkwaardige voorziening. 1.1.
- Op het bewaren van dunne mest in een mestbassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987, zijn de voorschriften onder 1.2 onderscheidenlijk 1.3 van toepassing. 1.1.
- Op een mestkelder voor de bewaring van dunne mest, welke geheel of gedeeltelijk onder een stal is gelegen en die tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit, zijn de desbetreffende bepalingen van de door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgegeven publikatie Richtlijnen Mestbassins 1994 van toepassing. 1.1.
- Bij het verwijderen van mest of gier mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport van dunne mest of gier moet geschieden in gesloten tankwagens. Vaste mest moet worden getransporteerd met behulp van daartoe geschikte transportmiddelen, die op correcte wijze zijn beladen. 1.1.4a .Spoel- en schrobwater van stallen of mestopslagen worden niet in een openbaar riool gebracht. 1.1.4b. Voor een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt, dat is opgericht vóór 1 maart 1996, en van waaruit vóór die datum, spoel- en schrobwater van stallen of andere mestopslagen op een openbaar riool worden gebracht, is voorschrift 1.1.4a niet van toepassing, indien: a. in de gemeente waarin het betrokken bedrijf is gelegen op 1 maart 1996 een gemeentelijke verordening ontbrak, die regels stelde voor het brengen van afvalwater in een openbaar riool, of 1.2.
- Een mestsilo die niet is afgedekt mag niet verder gevuld zijn dan 0,20 m onder de rand. 1.2.
- Tenzij een beoordeling door of namens een door de Raad voor Certificatie voor dit werk erkend instituut, door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige uitwijst dat er een volgend tijdsbestek van gebruik kan zijn, moet een mestsilo of delen ervan worden vervangen vóór het verstrijken van de geldende referentieperiode, die bedraagt: a. 20 jaar voor betonnen, houten, stalen of gemetselde constructies, met dien verstande dat niet tot vervanging behoeft worden over te gaan binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd. In dit bewijs wordt voor de beoordeelde delen van de mestsilo een nieuwe referentieperiode aangegeven. 1.2.
- Indien een folie ten behoeve van binnenafdichting wordt vervangen, zijn op de nieuw aan te brengen folie de bepalingen 1.7.1 en 1.7.2 van de door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgegeven publikatie 'Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990' van toepassing. Een door de installateur van de folie afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat aan de bedoelde bepalingen wordt voldaan en waarin de referentieperiode voor de folie is aangegeven, moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd. De referentieperiode voor een nieuw aan te brengen folie ten behoeve van binnenafdichting bedraagt 10 jaar. 1.3 Foliebassins 1.3.
- De voorschriften 1.3.2 tot en met 1.3.22 zijn uitsluitend van toepassing op een foliebassin dat is aangelegd vóór 1 juni
- Het voorschrift 1.3.5 is van toepassing met ingang van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. 1.3.
- De constructie van een foliebassin moet in zijn geheel en in alle delen afzonderlijk zodanig zijn uitgevoerd dat geen verlies van mest door lekkages, scheuren of anderszins optreedt. 1.3.
- Bij een UV-bestendige afdichtingsfolie hoeft geen kruinslab te worden toegepast. 1.3.
- De leidingen, afsluiters en andere appendages moeten voldoende bestand zijn tegen de corrosieve invloeden van het mestmilieu, UV-licht en lage temperaturen. Leidingen moeten plaatsvast zijn gemonteerd. 1.3.
- Leidingen die niet op vorstvrije diepte zijn aangelegd moeten tegen bevriezen zijn beschermd. In een vul-aftapleiding die onder druk staat van de inhoud van het foliebassin moeten ten minste twee afsluiters aanwezig zijn. De buitenste afsluiter moet met een veiligheidsslot geborgd kunnen worden. In leidingen waarin hevelwerking kan optreden moeten afsluiters of ontluchtingsvoorzieningen zijn aangebracht. 1.3.
- Beplanting rondom een foliebassin mag door wortelingroei geen beschadiging aan de folie veroorzaken. 1.3.
- Bij het mengen van de bassininhoud met een rondpompsysteem moeten de reactiekrachten, welke bij de uitstroming van de dunne mest vrijkomen, zodanig worden afgeleid, dat noch de folie, noch het binnentalud wordt beschadigd. 1.3.
- Indien de bassininhoud wordt gemengd met een mixer moet de folie ter plaatse van de mixeropstelling tegen beschadigd raken zijn beschermd. 1.3.
- Onverminderd het gestelde in voorschrift 1.3.8 moet een mixer zijn voorzien van een beschermkooi. 1.3.
- Rondom een foliebassin moet een hek aanwezig zijn, waarvan de hoogte ten minste 1,80 m bedraagt, gemeten vanaf de buiten het hek direct omliggende betreedbare grond. Het hek moet met een deugdelijk slot zijn afgesloten gedurende de tijd dat geen onmiddellijk toezicht wordt uitgeoefend door een verantwoordelijk persoon. 1.3.
- Op onderlinge afstand van ten hoogste 6 m moeten op het talud klimvoorzieningen voor personen zijn aangebracht. 1.3.
- De oprit voor een trekker voor de aandrijving van een mixer moet langs de bassinrand eindigen met een hekwerk voorzien van twee leuningen met een hoogte van 1.10 m en 0,50 m. Voor het aandrijven van de mixer mag het hekwerk onderbroken zijn. Tevens moet op 1 m van de bassinrand een stootrand van 0,30 m hoog zijn aangebracht. 1.3.
- De ruimte boven de mest in een bassin met een niet drijvende afdekking moet in open verbinding staan met de buitenlucht, zowel op een plaats boven de rand van het bassin als ook op het hoogste punt van de afdekking. De opening op het hoogste punt moet ten minste 10.000 mm2 groot zijn. 1.3.
- In een uit één deel bestaande drijvende afdekking moeten voorzieningen zijn aangebracht om ophoping van gas onder de afdekking te voorkomen. 1.3.
- Indien aan een eerder verleende vergunning voorschriften zijn verbonden, waarin voorzieningen zijn verlangd die gelijkwaardig zijn aan de in de voorschriften 1.3.10 tot en met 1.3.14 gegeven voorzieningen blijven deze voorschriften van overeenkomstige toepassing en blijven de voorschriften 1.3.10 tot en met 1.3.14 buiten toepassing. Indien de in de voorschriften 1.3.10 tot en met 1.3.14 gegeven voorzieningen niet conform deze voorschriften kunnen worden aangebracht kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende het voldoen aan andere, aan de omstandigheden aangepaste, gelijkwaardige voorzieningen. 1.3.
- Het vullen van een foliebassin mag uitsluitend plaatsvinden met een vaste vulleiding, tenzij de folie ter plaatse van de uitmonding van de vulleiding tegen beschadigd raken is beschermd. 1.3.
- Een foliebassin zonder afdekking mag uitsluitend op of nabij de bodem van het bassin worden gevuld. 1.3.
- Het gestelde in voorschrift 1.3.17 is niet van toepassing indien een foliebassin is gelegen: a. op meer dan 100 m afstand van een woning van derden, die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwprodukten of voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; 2°. direct na het uithalen van het kuilvoer moet de kuil door middel van kunststoffolie, vastgelegd met zandslurven of een hieraan gelijkwaardige voorziening, toegedekt worden; 3°. eventuele restanten van het kuilvoer moeten direct van het terrein van de inrichting afgevoerd worden, dan wel op zodanige wijze worden opgeslagen dat geen stankoverlast kan plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen, inhoudende het voldoen aan andere, aan de omstandigheden aangepaste maatregelen, die uit het oogpunt van het voorkomen en beperken van stankhinder gelijkwaardig zijn aan de onder 1° tot en met 3° bedoelde maatregelen. 3.
- Voor een kuilvoeropslag van gras als bedoeld in voorschrift 3.5 behoeven de maatregelen, genoemd onder 1° tot en met 3° van voorschrift 3.5, niet in acht te worden genomen indien: 1°. de kuilvoeropslag is gelegen op ten minste 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object; b. de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden beperkt. Van het ledigen en reinigen van de slibvangput en de olie-afscheider wordt een logboek bijgehouden.
- Een slibvangput en een olie-afscheider voldoen in elk geval aan regels als bedoeld in het vierde lid, indien voor deze voorzieningen een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling waaruit blijkt dat een instelling, gevestigd in een andere lid-staat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welke instelling in staat is tot het op onafhankelijke, betrouwbare en deskundige wijze beoordelen van slibvangputten en olie-afscheiders, bij een keuring heeft vastgesteld dat de voorzieningen voldoen aan deze regels. 8.
- Voor voorzieningen als bedoeld in voorschrift 8.12, die zijn geplaatst vóór 1 maart 1997, is hetgeen in dat voorschrift in het eerste lid, onder b en c is gesteld, niet van toepassing. 8.
- Bedrijfsafvalwater afkomstig uit een onderhoudswerkplaats of uit ruimten voor het wassen van voertuigen of spuitapparatuur, wordt voor vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid. 8.
- In afwijking van voorschrift 8.14 kan worden volstaan met een doelmatige controlevoorziening op een andere plaats dan bedoeld in dat voorschrift. Voordat een controlevoorziening op een andere plaats wordt geplaatst, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat plaatsing van de controlevoorziening overeenkomstig voorschrift 8.14 niet mogelijk is. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de doelmatigheid en de plaats van de controlevoorziening. 9 Bodembescherming 9.
- Het bewaren en composteren van afgedragen gewas en andere plantaardige afvalstoffen dient te geschieden op een vloeistofdichte ondergrond met opstaande randen of gelijkwaardige voorziening; de stapeling moet zodanig geschieden dat uitzakkend vocht niet van de vloeistofdichte ondergrond kan vloeien. Indien dit vocht niet op de openbare riolering of anderszins uit de inrichting kan of mag worden afgevoerd moet het vocht worden afgevoerd naar een vloeistofdichte opslagruimte. 9.
- Het gestelde in voorschrift 9.1 is van toepassing met ingang van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, indien het bewaren en composteren reeds plaatsvond voor deze datum, tenzij bij inwerkingtreding van dit besluit in een vergunning krachtens 8.1 van de Wet milieubeheer of een verordening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet voor de inrichting de in voorschrift 9.1 bedoelde voorziening al werd verlangd. 10 Geluidhinder 10.
- Het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige vast opgestelde toestellen en installaties, mag ter plaatse van woningen van derden, andere geluidgevoelige bestemmingen en - voor zover binnen een afstand van 50 m van de inrichting geen woningen van derden of geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn - op enig punt 50 m van de inrichting, niet meer bedragen dan het referentieniveau ter plaatse, met dien verstande dat: a. het equivalente geluidsniveau (LAeq) niet meer mag bedragen dan: 50 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur; 45 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur; 40 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur; Bijlage II behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer Bij een melding als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4, tweede lid, moeten de volgende gegevens worden verstrekt: a. naam en adres van degene die het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt drijft, b. een opgave van het adres waar het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt is of zal worden gevestigd, c. het voorgenomen tijdstip waarop het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de werking daarvan wordt verwezenlijkt, d. de gegevens waaruit kan worden afgeleid of omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, tweede, derde, vijfde of zesde lid zich voordoen en gegevens waaruit de noodzaak tot het stellen van nadere eisen kan blijken en e. een plattegrond van het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt; f. een opgave van: 1°. de samenstelling en de eigenschappen van het bedrijfsafvalwater en de hoeveelheid ervan, die in een riolering wordt gebracht, 2°. de voorzieningen waardoor het bedrijfsafvalwater wordt geleid voordat het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht. Bijlage III behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer Vervallen. Bijlage IV behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer Vervallen.