← Nederland

Inhoudsomschrijving thema's ‘Politieke besluitvorming’ en ‘Multiculturele samenleving’ voor het examen maatschappijleer

Thema's voor het centraal examen maatschappijleer ingaande schooljaar 1995 - 1996 Inhoudsomschrijving thema's ‘Politieke besluitvorming’ en ‘Multiculturele samenleving’ voor het examen maatschappijleer De minister van onderwijs en wetenschappen, Gelet op artikel 1, juncto onderdeel 2.2 van de bijlagen I,II,III en IV van de Regeling examenprogramma's maatschappijleer (Uitleg OenW- Regelingen 1991, 12) betreffende de examenprogramma's maatschappijleer eindexamen v.w.o. en h.a.v.o.; eindexamen m.a.v.o.-C, m.a.v.o.-D, v.b.o.-C en v.b.o.-D; staatsexamen v.w.o. en h.a.v.o.; staatsexamen m.a.v.o.-C en m.a.v.o.-D; Besluit: Artikel 1 Inhoudsomschrijving de inhoudsomschrijving van het thema ‘Politieke besluitvorming’ voor het centraal en schriftelijk examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o., de inhoudsomschrijving van het thema ‘Politieke besluitvorming’ voor het centraal en schriftelijk examen maatschappijleer m.a.v.o. en v.b.o. en de inhoudsomschrijving van het thema ‘Multiculturele samenleving’ voor het centraal en schriftelijk examen maatschappijleer m.a.v.o. en v.b.o. die met ingang van het schooljaar 1995/1996 van kracht worden, worden vastgesteld zoals is aangegeven in respectievelijk de bijlagen 1, 2 en 3, behorende bij deze regeling. Artikel 2 Bekendmaking Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OenW- Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant. Artikel 3 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OenW- Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt. Artikel 4 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Inhoudsomschrijving thema's ‘Politieke besluitvorming’ en ‘Multiculturele samenleving’ voor het examen maatschappijleer. De minister van onderwijs en wetenschappen, dr. ir. J.M.M.Ritzen Bijlage 1 Inhoudsomschrijving thema Politieke besluitvorming examen maatschappijleer v.w.o. en h.a.v.o. vanaf 1995/1996 Structuur van de inhoudsomschrijving De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma): de politiek-juridische invalshoek; de sociaal-economische invalshoek; de sociaal-culturele invalshoek. De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde. De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor v.w.o. zijn produktief; dat wil zeggen dat de opstellers van de toetsen ervan uit mogen gaan dat kandidaten in staat zijn hun kennis, inzicht en vaardigheden toe te passen bij het analyseren van een (relatief nieuw) vraagstuk. Eindtermen waarin wordt gevraagd om het verwoorden van een eigen mening of standpunt, zijn te typeren als vrije verwerking; kandidaten moeten een vraagstuk niet alleen kunnen analyseren, maar ook – aan de hand van relevante en vakspecifieke criteria – kunnen beoordelen. Het werkwoord ‘herkennen’ in de eindtermen verwijst naar identificatie; kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Bij identificatie gaat het meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Kandidaten moeten in zulke gevallen in staat zijn hun antwoord toe te lichten. Als in eindtermen het werkwoord ‘beschrijven’ wordt gebruikt, is er sprake van reproduktie; er kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis. De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen. Tevens worden kandidaten geacht bekend te zijn met de basisbegrippen, zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma, en deze begrippen te kunnen gebruiken in de context van de onderhavige examenthema's. Inleiding op het thema: Politieke besluitvorming In de algemene categorie A zijn eindtermen geformuleerd over de betekenis van een aantal basisbegrippen voor dit onderwerp, teneinde te komen tot een eerste afbakening van het thema. Daarnaast komen eindtermen aan de orde over de betekenis die de overheid in onze samenleving heeft. Centrale vragen in deze categorie zijn: a. Welke betekenissen hebben de begrippen politiek en beleid, staat en overheid, macht en gezag? b. Wat zijn de hoofdtaken van de overheid in de Nederlandse samenleving? In de politiek juridische categorie B gaat het om de wijze waarop het overheidsbeleid tot stand komt, welke actoren daarbij betrokken zijn en welke specifieke invloed zij daarin hebben. De eindtermen in deze categorie zijn geordend op basis van de volgende vragen: a. Hoe komt overheidsbeleid tot stand? d. In hoeverre wijkt de structuur van het politieke besluitvormingsproces in ons land af van die in andere landen? De sociaal-economische aspecten komen aan bod in de eindtermen van categorie C. De eindtermen in deze categorie zijn geordend op basis van de volgende vragen: a. Welke groepen en instellingen in de maatschappij spelen naast politieke partijen en politieke instituties een rol in het proces dat uiteindelijk leidt tot politieke besluitvorming? Overzicht van alle eindtermen N.B.: Er wordt van uitgegaan dat de kandidaten over de verschillende aspecten van politieke besluitvorming een eigen standpunt kunnen formuleren op basis van vakspecifieke argumenten. De leerstof die uitsluitend voor het v.w.o. geldt is aangegeven met een asterisk (*). A. Algemeen

  1. Kandidaten kunnen de betekenis omschrijven van enkele politieke basisbegrippen. 1.
  2. Kandidaten kunnen beschrijven welke betekenissen de begrippen politiek en beleid hebben. 1.
  3. Kandidaten kunnen beschrijven wat onder de begrippen staat en overheid wordt verstaan. 1.
  4. Kandidaten kunnen de begrippen (politieke) macht en gezag uitleggen en de bronnen noemen waaraan macht en gezag ontleend worden.
  5. Kandidaten kunnen de hoofdtaken van de overheid in de Nederlandse samenleving herkennen. B. Politiek-juridische aspecten
  6. Kandidaten kunnen het proces van politieke besluitvorming analyseren volgens de benadering van het systeemmodel. 1.
  7. Kandidaten kunnen het politieke besluitvormingsproces typeren aan de hand van de begrippen politiek systeem, omgeving, invoer, omzetting, uitvoer en terugkoppeling. 1.
  8. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden de uitvoer (output) van het politieke systeem omschrijven. 1.
  9. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen dat de resultaten van politieke besluitvorming reacties op kunnen roepen in de samenleving in de vorm van nieuwe eisen/wensen of (het onthouden van) steun, en dat politieke besluitvorming zo een doorgaand proces is. 1.
  10. Kandidaten kunnen uitleggen welke actoren (vooral) betrokken zijn bij politieke (besluitvormings)processen. 1.
  11. * Kandidaten kunnen enkele kanttekeningen plaatsen bij een systeem-benadering als model van politieke besluitvorming. 3.
  12. Kandidaten kunnen uitleggen welke formele middelen het parlement (Eerste en Tweede Kamer) heeft om zijn medewetgevende en controlerende taak te vervullen. 3.
  13. Kandidaten kunnen uitleggen welke informele middelen parlementsleden en regering hebben om hun medewetgevende en controlerende taak te vervullen. 3.
  14. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen waarom in Nederland politieke besluitvorming vrijwel uitsluitend tot stand kan komen met coalities. 3.
  15. * Kandidaten kunnen uitleggen wat het verschil is tussen dualisme en monisme in een systeem van politieke besluitvorming. 3.
  16. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden een onderbouwde visie geven op de veranderende machtsverhouding tussen parlement en regering.
  17. Kandidaten kunnen uitleggen wat de rol is van ambtenaren, adviesbureaus, politiek partijen en massamedia in het proces van politieke besluitvorming. 4.
  18. * Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met het begrip overheidsbureaucratie. 4.
  19. Kandidaten kunnen uitleggen wat de invloed van ambtenaren is in het politieke proces. 4.
  20. Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden knelpunten in het functioneren van de overheidsbureaucratie herkennen en omschrijven. 4.
  21. Kandidaten kunnen uitleggen welke rol adviesorganen en planbureaus spelen in de politieke besluitvorming. 4.
  22. Kandidaten kunnen enkele belangrijke adviesorganen en planbureaus noemen en globaal aangeven wat hun taak is. 4.
  23. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke functies politieke partijen in het besluitvormingsproces vervullen. 4.
  24. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke rol massamedia kunnen hebben in het proces van politieke besluitvorming.
  25. Kandidaten kunnen knelpunten noemen t.a.v. het functioneren van de politieke besluitvorming en een aantal mogelijke oplossingen daarvoor noemen. 5.
  26. Kandidaten kunnen een aantal mogelijke knelpunten noemen die naar voren worden gebracht ten aanzien van het functioneren van het politieke besluitvormingsproces in Nederland. 5.
  27. Kandidaten kunnen voorbeelden beschrijven van een voorstel tot verandering van ons politiek stelsel.
  28. Kandidaten kunnen de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming typeren. 6.
  29. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel is. 6.
  30. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een parlementaire democratie is. 6.
  31. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een rechtsstaat is. 6.
  32. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een kiesstelsel heeft, gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging. 6.
  33. * Kandidaten kunnen aan de hand van actuele voorbeelden uitleggen wat het verschil is tussen representatie en representativiteit, wat hiervan de oorzaak is en welke gevolgen dit heeft. 6.
  34. * Kandidaten kunnen kenmerkende verschillen onderscheiden tussen een parlementair en een presidentieel stelsel. C. Sociaal-economische aspecten
  35. Kandidaten kunnen aangeven welke groepen en instellingen in de maatschappij naast politieke partijen en politieke instituties een belangrijke rol spelen in het proces van politieke besluitvorming. 1.
  36. Kandidaten kunnen uitleggen wat pressiegroepen zijn. 2.
  37. Kandidaten kunnen de in de Grondwet genoemde klassieke vrijheidsrechten in verband brengen met de politieke participatiemogelijkheden in pressiegroepen. 2.
  38. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt verstaan onder het begrip burgerlijke ongehoorzaamheid en hoe deze kan bijdragen aan het democratisch gehalte van de samenleving. 3.
  39. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de communistische maatschappijvisie herkennen. 3.
  40. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van rechtsextremisme herkennen. 3.
  41. Kandidaten kunnen aan de hand van een (actueel) voorbeeld uitleggen welke opvattingen binnen het rechtsextremisme bestaan over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving. 3.
  42. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de ecologische stroming herkennen. 3.
  43. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van pragmatisme herkennen. 3.
  44. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de orthodox-christelijke stroming herkennen. 3.
  45. Kandidaten kunnen standpunten van politieke partijen in Nederland in verband brengen met politieke stromingen. 3.
  46. Kandidaten zijn in staat gegeven uitspraken te herkennen als kenmerkend voor bepaalde politieke partijen. Bijlage 2 Inhoudsomschrijving thema Politieke besluitvorming examen maatschappijleer v.b.o./m.a.v.o., C- en D-programma, 1995/96 en 1996/97 Inleiding op de inhoudsomschrijving De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma): de politiek-juridische invalshoek; de sociaal-economische invalshoek; de sociaal-culturele invalshoek. De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde. De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor m.a.v.o.-C/D en v.b.o.-C/D zijn van reproduktie- of identificatieniveau. Reproduktie wil zeggen dat kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis. Identificatie betekent kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Het gaat meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Aan D-kandidaten kunnen, vaker dan aan C-kandidaten, ook produktieve vragen worden gesteld. Het gaat er dan om, dat een kandidaat kennis kan toepassen. Produktieve vragen worden vooral gesteld over eindtermen, waarin werkwoorden voorkomen als ‘uitleggen’ of ‘onderscheiden’. De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen. De basisbegrippen zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma zijn alleen afvraagbaar, voor zover zij deel uitmaken van de onderstaande inhoudsomschrijvingen. Inleiding op het thema: Politieke Besluitvorming Het thema Politieke besluitvorming behoort tot het themaveld Staat en maatschappij. De leerstof van het thema heeft betrekking op politieke besluitvorming in Nederland, beperkt tot het niveau van de landelijke overheid. Veel van de eindtermen is echter ook van toepassing op gemeentelijk niveau. In de eindtermen komen de volgende aspecten aan de orde: Fasen in het proces van politieke besluitvorming. De rol van verschillende groeperingen en instituties in het politieke besluitvormingsproces. Mogelijke knelpunten in het verloop van politieke besluitvorming. De rol van belangen bij het nemen van politieke besluiten. De rol van maatschappijvisies (ideologieën) bij het nemen van politieke besluiten. Een aantal van de hierboven genoemde aspecten van het thema Politieke besluitvorming komt ook aan de orde bij andere c.e.-thema's: Massamedia, Mens & Werk, Criminaliteit & Strafrecht en Multiculturele samenleving. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aandacht die binnen de leerstofomschrijvingen van deze thema's wordt geschonken aan politieke en maatschappelijke stromingen. Het is mogelijk, dat leerstof die betrekking heeft op twee of meer c.e.-thema's binnen eenzelfde examenopgave zal worden afgevraagd. Gezien de aard van het vak maatschappijleer is in de leerstofomschrijving gekozen voor een meer politicologische benadering van politieke besluitvorming in plaats van een formeel-juridische. De leerstofomschrijving gaat ervan uit, dat leerlingen beschikken over een zekere basiskennis ten aanzien van de Nederlandse staatsinrichting. Het ligt immers voor de hand dat in de verplichte uren voor het vak maatschappijleer één of meerdere thema's uit het themaveld Staat en Maatschappij zijn behandeld, waarbij deze basiskennis is aangebracht. Afvraagbaar tijdens het c.e. is echter alleen de in de navolgende eindtermen vastgelegde leerstof. Wel volgt hieronder een lijst van termen, die kandidaten moeten kennen. De betekenis van deze termen is niet afzonderlijk afvraagbaar. Zij kunnen echter wel voorkomen in de tekst van de examenopgaven. Bekend veronderstelde termen Grondwet (In)formateur, regering, kabinet, ministerraad, minister-president, minister, staatssecretaris Ministerie, departement. Volksvertegenwoordiging, parlement, Staten-Generaal, Eerste Kamer, Tweede Kamer, Kamerfractie, oppositie, regeringspartij, fractie, coalitie. Regeerakkoord, wet, amendement, motie. Gemeenteraad, Burgemeester en Wethouders. Overheidsbeleid, invloed, macht, rechtsstaat. Monarchie. In categorie A ‘Politiek-juridische aspecten’ gaat het er op de eerste plaats om dat kandidaten inzicht hebben in het formele verloop van besluitvormingsprocessen in ons land. Verder dienen zij ook zicht te hebben op verschillende visies over het feitelijk functioneren van die besluitvorming. In de Sociaal-economische categorie B Ligt de nadruk op het uitgangspunt dat politieke besluitvorming plaatsvindt in een maatschappelijk krachtenveld. Tal van groepen in de samenleving proberen de besluitvorming te beïnvloeden. Er bestaan verschillende opvattingen over de vraag of alle groepen daarin even goed slagen. In categorie C ‘Sociaal-culturele aspecten’ staat centraal dat bij de totstandkoming van politieke besluiten naast uiteenlopende belangen ook de- vaak daarmee samenhangende-maatschappijvisies een rol spelen. Deze visies worden belichaamd door politieke stromingen. De drie hoofdstromingen die de Nederlandse politieke cultuur de afgelopen eeuw hebben gedomineerd zijn: het liberalisme, het confessionalisme en het socialisme (sociaal-democratie). Overzicht van de eindtermen Het onderstaande is een inhoudsomschrijving ‘nieuwe stijl’; er is een onderscheid gemaakt tussen centrale ‘koepeleindtermen’ (vet gedrukt) en daarvan afgeleid, meer concrete eindtermen. Omdat de leerstof van het D-programma tevens die van het C-programma omvat, is hieronder door middel van een asterisk (*) aangegeven wat leerlingen van D-programma aan extra leerstof dienen te beheersen. A. Politiek-juridische aspecten
  47. Kandidaten kunnen uitleggen hoe overheidsbeleid tot stand komt. 1.
  48. Kandidaten kunnen een aantal fasen in het totstandkomen van politieke beslissingen herkennen en aangeven welke organen, organisaties, instellingen of personen in de verschillende fasen van het politieke proces een belangrijke rol vervullen. 1.
  49. * Kandidaten kunnen uitleggen wanneer er sprake is van politieke problemen. 1.
  50. * Kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken, dat de resultaten van politieke besluitvorming (bijv. wetten) nieuwe wensen of problemen in de samenleving kunnen oproepen. 1.
  51. Kandidaten kunnen herkennen en (*) verklaren dat politieke opstellingen en besluiten het resultaat zijn van het stellen van prioriteiten en het sluiten van compromissen.
  52. Kandidaten kunnen uitleggen wat taken van regering en parlement zijn bij het totstandkomen van overheidsbeleid. 2.
  53. Kandidaten kunnen in gegeven materiaal de taken herkennen van regering en parlement. 2.
  54. Kandidaten kunnen aan de hand van gegeven materiaal verduidelijken wat de verhouding is tussen regering en parlement.
  55. Kandidaten kunnen uitleggen wie er naast regering en parlement een rol spelen in het politieke besluitvormingsproces. 3.
  56. Kandidaten kunnen uitleggen welke rol de Koning(in) speelt in het politieke besluitvormingsproces. 3.
  57. * Kandidaten kunnen uitleggen wat de rol van ambtenaren is in het politieke proces. 3.
  58. Kandidaten kunnen uitleggen (*) of herkennen wat de rol van politieke partijen in het besluitvormingsproces is. 3.
  59. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die burgers hebben om invloed uit te oefenen op politieke besluit vormingsprocessen. 3.
  60. * Kandidaten kunnen uitleggen wat de rol van massamedia is in het proces van politieke besluitvorming.
  61. Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van parlementaire democratie voor het politieke besluitvormingsproces. 4.
  62. * Kandidaten kunnen uitleggen dat politieke besluitvorming in Nederland gebeurt via een parlementaire democratie. 4.
  63. Kandidaten kunnen kenmerken van een parlementaire democratie herkennen.
  64. Kandidaten kunnen uitleggen welke knelpunten onderkend kunnen worden in het functioneren van het besluitvormingsproces. 5.
  65. * Kandidaten kunnen een aantal bezwaren noemen die naar voren worden gebracht ten aanzien van het functioneren van het politieke besluitvormingsproces in ons land. 5.
  66. * Kandidaten kunnen een voorbeeld beschrijven van een voorstel tot wijziging van ons politieke stelsel, dat is bedoeld om aan de in A.5.1 genoemde bezwaren tegemoet te komen. 5.
  67. Kandidaten kunnen voor- en nadelen noemen van een referendum. B. Sociaal-economische aspecten
  68. Welke groepen en instellingen in de maatschappij spelen naast politieke partijen en politieke instituties een rol in het proces dat uiteindelijk leidt tot politieke besluitvorming. 1.
  69. Kandidaten kunnen uitleggen wat belangen- of pressiegroepen zijn. 1.
  70. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als ecologisch herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het ecologisch is. Bijlage 3 Inhoudsomschrijving thema Multiculturele samenleving examen maatschappijleer v.b.o./m.a.v.o., C- en D-programma, 1995/96 en 1996/97 Structuur van de inhoudsomschrijving De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma): de politiek-juridische invalshoek; de sociaal-economische invalshoek; de sociaal-culturele invalshoek. De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde. De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor m.a.v.o.-C/D en v.b.o.-C/D zijn van reproduktie- of identificatieniveau. Reproduktie wil zeggen dat kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis. Identificatie betekent kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Het gaat meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Aan D kandidaten kunnen, vaker dan aan C-kandidaten, ook produktieve vragen worden gesteld. Het gaat er dan om, dat een kandidaat kennis kan toepassen. Produktieve vragen worden vooral gesteld over eindtermen, waarin werkwoorden voorkomen als ‘uitleggen’ of ‘onderscheiden’. De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen. De basisbegrippen zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma zijn alleen afvraagbaar, voor zover zij deel uitmaken van de onderstaande inhoudsomschrijvingen. Inleiding op het thema: Multiculturele samenleving Het thema Multiculturele samenleving behoort tot de themavelden Opvoeding en vorming, en Woon- en leefmilieu. In de algemene categorie A zijn eindtermen geformuleerd over de betekenis van het begrip multiculturele samenleving en een aantal feitelijke gegevens, om te komen tot een eerste afbakening van het thema. Centrale vragen in deze categorie zijn: a. Wat wordt bedoeld met een multiculturele samenleving? b. Welke groepen zijn te onderscheiden in Nederland en wat zijn hun achtergronden? In de politiek-juridische categorie B gaat het om de inhoud van het overheidsbeleid t.a.v. de etnische minderheden. De eindtermen in deze categorie zijn geordend op basis van de volgende vragen: a. Welke uitgangspunten heeft het overheidsbeleid? d. Welke opvattingen bestaan er t.a.v. etnische groepen? In de sociaal-economische categorie C wordt de positie in de samenleving van minderheden behandeld. De eindtermen in deze categorie zijn geordend op basis van de volgende vragen: a. Welke maatschappelijke positie hebben etnische groepen in de samenleving? 1.
  71. Kandidaten kunnen de grootste groepen allochtonen binnen de Nederlandse samenleving noemen en globaal hun omvang aangeven. 1.
  72. Kandidaten kunnen uitleggen dat de samenleving te maken krijgt met nieuwe vraagstukken als gevolg van migratie.
  73. Kandidaten kunnen de aanwezigheid en aantallen van migrantengroepen in Nederland verklaren. 2.
  74. Kandidaten kunnen aangeven welke motieven er waren en/of zijn om weg te gaan uit eigen land en te verhuizen naar een ander land. 2.
  75. Kandidaten kunnen van de grootste groepen allochtonen aangeven welke motieven vooral een rol hebben gespeeld bij hun migratie naar Nederland. 2.
  76. Kandidaten kunnen factoren noemen die de toename van allochtone groeperingen in Nederland kunnen beïnvloeden.
  77. Kandidaten kunnen het verschijnsel migratie in een historische en vergelijkende context plaatsen. 3.
  78. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van mensen die vroeger uit en naar Nederland zijn geëmigreerd. 3.
  79. * Kandidaten kunnen de actuele situatie schetsen met betrekking tot de opname van migranten door Nederland in vergelijking met enkele andere Europese landen. B. Politiek-juridische aspecten
  80. Kandidaten kunnen de uitgangspunten en hoofdlijnen van het minderhedenbeleid verwoorden. 1.
  81. Kandidaten kunnen uitleggen dat in de grondwet en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uitgangspunten verwoord zijn, die voor Nederland een rol (moeten) spelen bij de bepaling van het overheidsbeleid ten aanzien van allochtonen en bovengenoemde vraagstukken. 4.
  82. Kandidaten kunnen redenen noemen waarom mensen anderen discrimineren. 4.
  83. Kandidaten kunnen maatschappelijke situaties omschrijven die discriminatie bevorderen. 4.
  84. Kandidaten kunnen aangeven welke effecten discriminatie kan hebben.
  85. * Kandidaten kunnen argumenten voor en tegen verwoorden in de discussie over de vraag in hoeverre allochtonen zich moeten aanpassen aan ‘de’ Nederlandse cultuur.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.