BWBR0006781_2004-09-01_0 Wet van 29 juni 1994, houdende regels inzake een algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen in de Europese Gemeenschappen Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij de wet regels te stellen ter uitvoering van richtlijn nr. 92/51/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn nr. 89/48/EEG (PbEG 1992, L 209); dat deze regels ten aanzien van onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen de toelating moeten waarborgen tot beroepen waarvoor in Nederland een nationaal kort-hoger-onderwijsdiploma dan wel een nationaal diploma ter afsluiting van een beroepsopleiding op niet-hoger-onderwijsniveau wordt vereist, indien deze onderdanen in één van de overige Lid-Staten gerechtigd zijn overeenkomstige beroepen uit te oefenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders bepaald, verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. richtlijn 89/48: richtlijn nr. 89/48/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988, betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PbEG 1989, L 019) naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld; c. richtlijn 92/51: richtlijn nr. 92/51/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992, betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn nr. 89/48/EEG (PbEG 1992, L 209) naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld; d. gereglementeerd beroep: een geheel van activiteiten, al dan niet in loondienst verricht, waarvoor 1°. bij of krachtens wet voor de toelating of voor het voeren van een beroepstitel, dan wel 2°. indien het beroepen in de gezondheidszorg betreft, krachtens het nationale stelsel van sociale zekerheid voor het voor bezoldiging of vergoeding in aanmerking brengen, als vereiste is gesteld het bezit van een nationaal getuigschrift; e. hoger-onderwijsopleiding: een voltijdse opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een cursusduur van ten minste drie jaren dan wel een daarmee naar niveau en studielast overeenkomende deeltijdse opleiding, in voorkomende gevallen gevolgd door een aanvullende beroepsopleiding; f. kort-hoger-onderwijsopleiding: een voltijdse opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een cursusduur van ten minste één en minder dan drie jaren dan wel een daarmee naar niveau en studielast overeenkomende deeltijdse opleiding, in voorkomende gevallen gevolgd door een aanvullende beroepsopleiding; g. gereglementeerde opleiding: een opleiding die: 1°. specifiek gericht is op een bepaald beroep, en 2°. bestaat uit een studiecyclus, in voorkomend geval aangevuld met een beroepsopleiding, beroepsstage of praktijkervaring, waarvan structuur en niveau bij of krachtens wet zijn vastgesteld; h. bekwaamheidsattest: een bewijsstuk dat een opleiding met goed gevolg is afgesloten, waarbij: a. het in de aanhef bedoelde bewijsstuk geen onderdeel uitmaakt van een geheel van bewijsstukken dat een diploma dan wel een certificaat als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 dan wel artikel 4 of artikel 5 onderscheidenlijk een diploma als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s vormt, en b. het bewijsstuk is afgegeven in een Lid-Staat anders dan Nederland door het daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde gezag, naar aanleiding van een beoordeling van de persoonlijke kwaliteiten, de bekwaamheden of de kennis van de aanvrager, die voor de uitoefening van een beroep van essentieel belang worden geacht, zonder dat het bewijs van een voorafgaande opleiding is vereist; i. Lid-Staat: een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; j. beroepservaring: de daadwerkelijke en geoorloofde uitoefening van het desbetreffende beroep in een Lid-Staat; k. aanpassingsstage: de uitoefening in Nederland van een beroep onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beoefenaar van het desbetreffende beroep, met in voorkomende gevallen een aanvullende opleiding, teneinde te kunnen beoordelen of aanvrager voldoende bekwaamheid bezit om het desbetreffende beroep uit te oefenen; l. proeve van bekwaamheid: een toets inzake de beroepskennis van aanvrager met betrekking tot vakgebieden die niet worden bestreken door de door aanvrager gevolgde opleiding en die wezenlijk zijn voor de uitoefening van het beroep in Nederland, teneinde te kunnen beoordelen of aanvrager voldoende bekwaamheid bezit om het desbetreffende beroep uit te oefenen; m. EG-verklaring: een verklaring als bedoeld in artikel 10, tweede lid. Artikel 2 Diploma vereist voor toelating tot een beroep in een Lid-Staat Een diploma is een bewijsstuk, dan wel een geheel van bewijsstukken, afgegeven in een Lid-Staat anders dan Nederland door het daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde gezag, waaruit blijkt dat de bezitter voldoet aan de in die Lid-Staat bij of krachtens wet voor de toelating tot een beroep gestelde opleidingsvereisten door middel van: a. een overwegend in een Lid-Staat genoten en met goed gevolg afgesloten kort-hoger-onderwijsopleiding dan wel een opleiding opgenomen in bijlage 2, of b. 1°. een in een Lid-Staat anders dan Nederland genoten en met goed gevolg afgesloten opleiding anders dan een opleiding als bedoeld onder a, 2°. een in een derde land genoten en met goed gevolg afgesloten opleiding die voldoet aan de wettelijke bestuursrechtelijke voorschriften van een Lid-Staat, dan wel 3°. een in overeenstemming met de opleidingsvereisten voor de toelating tot het beroep in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat opgedane beroepservaring van ten minste drie jaren, na een in een derde land met goed gevolg afgesloten opleiding, welke opleidingen door het daartoe bij of krachtens wet in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat bevoegde gezag als gelijkwaardig zijn erkend met een opleiding als bedoeld onder a. Artikel 3 Diploma op grond van een beroepsvoorbereidende opleiding Indien in de Lid-Staat waar betrokkene een beroep uitoefent dan wel heeft uitgeoefend, voor de toelating tot dat beroep geen diploma als bedoeld in artikel 2 is vereist, geldt als diploma in de zin van deze wet een bewijsstuk, dan wel een geheel van bewijsstukken, a. afgegeven door het daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde gezag, b. met betrekking tot 1°. een in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed gevolg afgesloten kort-hoger-onderwijsopleiding, dan wel 2°. een in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed gevolg afgesloten opleiding die door de Lid-Staat, bedoeld in de aanhef, als gelijkwaardig met een opleiding als bedoeld onder 1° wordt aangemerkt, mits de andere Lid-Staten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen van deze gelijkwaardigheid in kennis zijn gesteld, die hem op de betrokken beroepsuitoefening heeft voorbereid, en c. waaruit blijkt dat betrokkene in de tien jaren voorafgaand aan een aanvraag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat gedurende ten minste twee jaren voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds het desbetreffende beroep heeft uitgeoefend. Artikel 4 Certificaat vereist voor toelating tot een beroep in een Lid-Staat 1 Een certificaat is een bewijsstuk, dan wel een geheel van bewijsstukken, afgegeven in een Lid-Staat anders dan Nederland door het daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde gezag, waaruit blijkt dat de bezitter voldoet aan de in die Lid-Staat bij of krachtens wet voor de toelating tot een beroep gestelde opleidingsvereisten door middel van een overwegend in een Lid-Staat genoten en in de eerstbedoelde Lid-Staat met goed gevolg afgesloten opleiding op niet-hoger-onderwijsniveau al dan niet van technische of beroepsmatige aard, gevolgd door: a. hetzij een beroepsopleiding anders dan een kort-hoger-onderwijsopleiding, die wordt gegeven aan een onderwijsinstelling of in een bedrijf, of afwisselend aan een onderwijsinstelling en in een bedrijf, in voorkomend geval aangevuld met de stage of praktijkervaring die naast deze beroepsopleiding is vereist, b. hetzij de stage of periode van praktijkervaring die bij de desbetreffende in de aanhef bedoelde opleiding is vereist. 2 Het vermelde in artikel 2, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5 Certificaat op grond van een beroepsvoorbereidende opleiding Indien in de Lid-Staat waar betrokkene een beroep uitoefent dan wel heeft uitgeoefend, voor de toelating tot dat beroep geen certificaat als bedoeld in artikel 4 is vereist, geldt als certificaat in de zin van deze wet een bewijsstuk, dan wel een geheel van bewijsstukken, a. afgegeven door het daartoe bij of krachtens wet in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat bevoegde gezag, b. met betrekking tot 1°. een in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed gevolg afgesloten opleiding op niet-hoger-onderwijsniveau al dan niet van technische of beroepsmatige aard, gevolgd door: a. hetzij een beroepsopleiding anders dan een kort-hoger-onderwijsopleiding, die wordt gegeven aan een onderwijsinstelling of in een bedrijf, of afwisselend aan een onderwijsinstelling en in een bedrijf, in voorkomend geval aangevuld met de stage of praktijkervaring die naast deze beroepsopleiding is vereist, b. hetzij de stage of periode van praktijkervaring die in de desbetreffende in de aanhef bedoelde opleiding is vereist, dan wel 2°. een in een Lid-Staat anders dan Nederland met goed gevolg afgesloten opleiding die door de Lid-Staat, bedoeld in de aanhef, als gelijkwaardig met een opleiding als bedoeld onder 1° wordt aangemerkt, mits de andere Lid-Staten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen van deze gelijkwaardigheid in kennis zijn gesteld, die hem op de betrokken beroepsuitoefening heeft voorbereid, en c. waaruit blijkt dat betrokkene in de tien jaren voorafgaand aan een aanvraag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, in de in de aanhef bedoelde Lid-Staat gedurende ten minste twee jaren voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds het desbetreffende beroep heeft uitgeoefend. Artikel 6 Reikwijdte wet 1 Onverminderd de toepassing van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s is de onderhavige wet van toepassing op een gereglementeerd beroep als bedoeld in artikel 1, onder d, tenzij bij of krachtens wet ten aanzien van een gereglementeerd beroep is geïmplementeerd: a. een richtlijn opgenomen in bijlage 1, dan wel b. een separate Richtlijn inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels die de Raad van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van het betrokken beroep heeft vastgesteld. 2 Indien met toepassing van artikel 15 van de richtlijn 92/51 wijzigingen worden aangebracht in de lijsten van opleidingen, die in de bijlagen C en D van die richtlijn zijn opgenomen, worden deze wijzigingen door Onze Minister ambtshalve in bijlage 2, voor zover het betreft wijzigingen in bijlage C van die richtlijn, en in bijlage 3, voor zover het betreft wijzigingen in bijlage D van die richtlijn, aangebracht en bekend gemaakt. 3 Onze Minister maakt bekend in de Staatscourant a. op welke beroepen deze wet in ieder geval van toepassing is; b. indien ingevolge het tweede lid bijlage 2 dan wel bijlage 3 zijn gewijzigd, welke wijzigingen in die bijlagen zijn aangebracht. Hoofdstuk II Toelating EG-onderdanen § 1 Algemeen Artikel 7 Principe toelating EG-onderdanen 1 Een onderdaan van een Lid-Staat die ten aanzien van een gereglementeerd beroep in het bezit is van een EG-verklaring, voldoet aan de in Nederland bij of krachtens wet voor de toelating tot het desbetreffende beroep gestelde opleidingsvereisten. 2 In afwijking van het eerste lid voldoet de onderdaan van een Lid-Staat die toelating verlangt tot een gereglementeerd beroep waarvoor een Nederlands bekwaamheidsattest wordt vereist, aan de opleidingsvereisten indien hij: a. in het bezit is van een bekwaamheidsattest dat door een Lid-Staat anders dan Nederland voor de toelating tot het desbetreffende beroep is voorgeschreven, dan wel b. in een Lid-Staat anders dan Nederland behaalde kwalificaties overlegt welke in het bijzonder met betrekking tot de gezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming garanties bieden die gelijkwaardig zijn aan de garanties welke bij of krachtens de wet in Nederland vereist zijn. 3 In afwijking van het eerste lid voldoet de onderdaan die toelating verlangt tot een gereglementeerd beroep waarvoor slechts het bezit is vereist van een bewijsstuk dat met goed gevolg een algemene opleiding op het niveau van het Nederlandse basisonderwijs dan wel secundair onderwijs is afgerond, aan de opleidingsvereisten indien hij in het bezit is van een bewijsstuk van een opleiding van het overeenkomstige niveau dat in een Lid-Staat anders dan Nederland is afgegeven door een bevoegde instantie die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die Lid-Staat. Artikel 8 Bevoegde autoriteit 1 Onze Minister die het aangaat, is bevoegd tot afgifte van een EG-verklaring aan een onderdaan van een Lid-Staat die toelating tot een gereglementeerd beroep in Nederland verlangt. 2 Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister die het aangaat, kan ten aanzien van een gereglementeerd beroep, in afwijking van het in het eerste lid bepaalde, een andere bevoegde autoriteit worden aangewezen. Artikel 9 Bepalingen inzake enige mogelijke overige toelatingsvereisten 1 Indien de toelating tot een gereglementeerd beroep mede afhankelijk is gesteld van het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens dan wel een document betreffende de lichamelijke of geestelijke gezondheid geldt als zodanig een met die verklaring of dat document overeenkomend document, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst. 2 Indien in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een met de in het eerste lid bedoelde verklaring omtrent het gedrag overeenkomend document niet wordt afgegeven, kan betrokkene volstaan met het afleggen van een verklaring onder ede dan wel een plechtige verklaring ten overstaan van een daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde instantie dan wel ten overstaan van een notaris of een in die Lid-Staat bevoegde beroepsorganisatie, welke een attest afgeeft dat deze eed of plechtige verklaring bewijskracht heeft. 3 Indien in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een met de in het eerste lid bedoelde verklaring betreffende de lichamelijke of geestelijke gezondheid overeenkomend document niet wordt verlangd, kan betrokkene volstaan met een in die Lid-Staat door een bevoegde instantie afgegeven verklaring, die overeenstemt met de in Nederland gebruikelijke verklaring. 4 Indien een bewijs van financiële draagkracht is vereist voor de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep, zijn attesten die zijn afgegeven door een financiële instelling in de lidstaat van oorsprong of herkomst gelijkwaardig aan die welke in Nederland worden afgegeven. 5 Indien Onze Minister die het aangaat, van een eigen onderdaan die toelating verlangt tot een gereglementeerd beroep, eist dat deze verzekerd is tegen de financiële risico's van zijn beroepsaansprakelijkheid, aanvaardt hij een attest van een verzekeraar in een andere lidstaat als gelijkwaardig aan een attest dat in Nederland wordt afgegeven. Het attest vermeldt dat de verzekeraar de in Nederland van kracht zijnde bepalingen heeft nageleefd voor wat betreft de voorwaarden en de reikwijdte van de dekking. 6 De in het eerste, tweede, derde en vijfde lid bedoelde verklaringen, documenten of attesten mogen bij indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, niet ouder zijn dan drie maanden. § 2 Werkwijze bevoegde autoriteit Artikel 10 EG-verklaring 1 Een onderdaan van een Lid-Staat die in Nederland op grond van de onderhavige wet wil worden toegelaten tot een gereglementeerd beroep, kan, tenzij hij: a. toelating verlangt tot een beroep als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, en tevens b. in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 3 van de onder a vermelde wet, bij de bevoegde autoriteit een aanvraag indienen tot het verkrijgen van een EG-verklaring. 2 De bevoegde autoriteit geeft een EG-verklaring af aan aanvrager: a. ingeval een diploma als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 wordt vereist en betrokkene in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, onderscheidenlijk b. ingeval een diploma als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 dan wel als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s wordt vereist en betrokkene in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 3 dan wel een gereglementeerde opleiding als bedoeld in bijlage 3 met goed gevolg heeft afgerond, onderscheidenlijk c. ingeval een diploma als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 wordt vereist en betrokkene in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4 dan wel artikel 5, onderscheidenlijk d. ingeval een certificaat als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 wordt vereist, en betrokkene: 1. in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, 2. in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 3, 3. in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4 dan wel artikel 5, 4. een gereglementeerde opleiding met goed gevolg heeft afgerond, dan wel 5. tijdens de tien jaren voorafgaande aan de aanvraag als bedoeld in de aanhef gedurende drie aaneengesloten jaren voltijds dan wel een gelijkwaardige periode deeltijds het desbetreffende beroep heeft uitgeoefend, en tevens: 1°. aan betrokkene geen aanvullende vereisten worden gesteld op grond van artikel 11 of op grond van artikel 12, dan wel 2°. binnen vier weken nadat betrokkene ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat hij aan de hiervoor onder 1° bedoelde aanvullende vereisten heeft voldaan. 3 Aan aanvrager wordt binnen de in artikel 15 bedoelde termijn bekendgemaakt of de beschikking van de bevoegde autoriteit betreft: a. een afwijzing van de aanvraag, b. een toewijzing van de aanvraag, dan wel c. het stellen van aanvullende vereisten als bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt aangegeven op welke praktische dan wel theoretische kennis de aanvullende vereisten betrekking hebben. Artikel 11 Kortere opleiding ingeval een diploma wordt vereist 1 Indien de duur van de door een aanvrager met goed gevolg afgesloten kort-hoger-onderwijsopleiding ten minste een jaar korter is dan de in Nederland bij of krachtens wet voor de toelating tot het desbetreffende beroep vereiste opleiding, kan de bevoegde autoriteit van aanvrager eisen dat hij aantoont te beschikken over beroepservaring. Bij een aanvrager die een deeltijdse opleiding dan wel een opleiding als bedoeld in artikel 2, onder b, heeft gevolgd, wordt in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin niet uitgegaan van de duur van de door hem gevolgde opleiding, maar van de voltijdse duur van de opleiding als bedoeld in artikel 2, onder a. 2 Op grond van het eerste lid kan ten hoogste vier jaren beroepservaring worden verlangd, met dien verstande dat geëist mag worden: a. een beroepservaring gedurende een periode die het dubbele bedraagt van de ontbrekende periode, wanneer deze periode betrekking heeft op een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs dan wel op een met een examen af te sluiten stage onder toezicht; b. een beroepservaring gedurende een periode die gelijk is aan de ontbrekende periode, wanneer deze periode betrekking heeft op praktijkervaring opgedaan onder begeleiding van een geschoolde beroepsbeoefenaar. 3 De beroepservaring, bedoeld in artikel 3, onder c, geldt als beroepservaring als bedoeld in dit artikel. 4 Dit artikel vindt geen toepassing indien: a. ten aanzien van aanvrager met het oog op de toelating tot het desbetreffende beroep toepassing is gegeven aan artikel 12, dan wel b. indien voor de toelating tot het beroep een met goed gevolg afgesloten opleiding opgenomen in bijlage 2 wordt vereist en aanvrager een hoger-onderwijsopleiding onderscheidenlijk een kort-hoger-onderwijsopleiding met goed gevolg heeft afgesloten. Artikel 12 Wezenlijke verschillen 1 Indien de door aanvrager gevolgde opleiding betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de in Nederland voor de toelating tot het desbetreffende beroep bij of krachtens wet vereiste opleiding, kan de bevoegde autoriteit van aanvrager verlangen dat hij een proeve van bekwaamheid aflegt dan wel een aanpassingsstage van ten hoogste drie onderscheidenlijk twee jaren volgt, indien voor de toelating tot het desbetreffende beroep een diploma onderscheidenlijk een certificaat wordt vereist. Indien de bevoegde autoriteit van aanvrager verlangt een aanpassingsstage te doorlopen of een proeve van bekwaamheid af te leggen, gaat de bevoegde autoriteit eerst na of de kennis die aanvrager tijdens zijn beroepservaring heeft verworven, van dien aard is dat het wezenlijke verschil, bedoeld in de eerste volzin, daardoor geheel of ten dele wordt ondervangen. 2 Aanvrager wordt de keuze gelaten of hij een aanpassingsstage doorloopt dan wel een proeve van bekwaamheid aflegt. Artikel 13 Afwijking keuzerecht 1 In afwijking van artikel 12, tweede lid, wordt het afleggen van een proeve van bekwaamheid als aanvullend vereiste gesteld indien: a. voor de toelating tot het beroep een diploma wordt vereist en aanvrager in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2 dan wel in artikel 3, en tevens b. voor het uitoefenen van het beroep waarvoor een EG-verklaring wordt gevraagd, gedetailleerde kennis van onderdelen van het Nederlands recht is vereist en het verstrekken van adviezen of het verlenen van bijstand op het gebied van het Nederlands recht een wezenlijk onderdeel van de uitoefening van het beroep vormt, dan wel c. voor de toelating tot het beroep een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een cursusduur van ten minste drie jaren wordt vereist. 2 In afwijking van artikel 12, tweede lid, kan de bevoegde autoriteit zich de keuze tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid voorbehouden indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder d, ten vijfde. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan de in het eerste lid bedoelde beroepen worden aangewezen waarvoor de bevoegde autoriteit een uitzondering kan maken op het keuzerecht van de aanvrager. Artikel 14 Regels aanvraag, stage en proeve Onze Minister die het aangaat geeft per gereglementeerd beroep regels ten aanzien van de aanvraag tot het verkrijgen van een EG-verklaring, de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd alsmede op de beoordeling van de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid. Artikel 15 Termijn De bevoegde autoriteit beslist over de aanvraag binnen vier maanden nadat zij de aanvraag heeft ontvangen. Hoofdstuk III Wijzigingen in andere wetten Artikel 16 Wet op het notarisambt Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 17 Wet op de rechterlijke organisatie Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 18 Advocatenwet Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 19 Wet op het primair onderwijs Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 20 Wet op de expertisecentra Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 21 Wet op het voortgezet onderwijs Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 22 Wet op het cursorisch beroepsonderwijs Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 23 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 24 Wet op de architecten titel Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 25 Kadasterwet Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 26 Wet op de zeevaartdiploma’s Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 27 Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 28 Loodsenwet Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 29 Wet van 25 december 1878 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 30 Wet opde paramedische beroepen Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 31 Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 32 Wet inzake de tandprothetici Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 33 Wijziging Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 34 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 35 Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 36 Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te 's-Gravenhage 29 juni 1994 Beatrix De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, J. M. M. Ritzen de dertigste augustus 1994 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager Inhoudsopgave Hoofdstuk I Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1. Definities Artikel 2. Diploma vereist voor toelating tot een beroep in een Lid-Staat Artikel 3. Diploma op grond van een beroepsvoorbereidende opleiding Artikel 4. Certificaat vereist voor toelating tot een beroep in een Lid-Staat Artikel 5. Certificaat op grond van een beroepsvoorbereidende opleiding Artikel 6. Reikwijdte wet Hoofdstuk II Toelating EG-onderdanen § 1 Algemeen Artikel 7. Principe toelating EG-onderdanen Artikel 8. Bevoegde autoriteit Artikel 9. Bepalingen inzake enige mogelijke overige toelatingsvereisten § 2 Werkwijze bevoegde autoriteit Artikel 10. EG-verklaring Artikel 11. Kortere opleiding ingeval een diploma wordt vereist Artikel 12. Wezenlijke verschillen Artikel 13. Afwijking keuzerecht Artikel 14. Regels aanvraag, stage en proeve Artikel 15. Termijn Hoofdstuk III Wijzigingen in andere wetten Artikel 16. Wet op het Notarisambt Artikel 17. Wet op de rechterlijke organisatie Artikel 18. Advocatenwet Artikel 19. Wet op het primair onderwijs Artikel 20. Wet op de expertisecentra Artikel 21. Wet op het voortgezet onderwijs Artikel 22. Wet op het cursorisch beroepsonderwijs Artikel 23. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Artikel 24. Wet op de architectentitel Artikel 25. Kadasterwet Artikel 26. Wet op de zeevaartdiploma's Artikel 27. Wet op de zeevischvaartdiploma’s 1935, Stb. 455 Artikel 28. Loodsenwet Artikel 29. Wet van 25 december 1878 Artikel 30. Wet op de paramedische beroepen Artikel 31. Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters Artikel 32. Wet inzake de tandprothetici Artikel 33. Wijziging Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's Artikel 34. Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 35. Inwerkingtreding Artikel 36. Citeertitel Bijlagen 1 t/m 3 Bijlage 1 Opgave van in bijlage A en B van richtlijn 92/51/EEG vermelde overgangsrichtlijnen De onder Bijlage A van de richtlijn vermelde overgangsrichtlijnen zijn: 1. Richtlijn van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (industrie en ambacht); richtlijn 64/429/EEG. Gepubliceerd in PbEG 117 van 23 juli 1964. Richtlijn van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht); richtlijn 64/427/EEG. Gepubliceerd in PbEG 117 van 23 juli 1964. 2. Richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden in de levensmiddelenindustrie alsmede bij de vervaardiging van dranken (klassen 20 en 21 CITI); richtlijn 68/365/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 260 van 22 oktober 1968. Richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden in de levensmiddelenindustrie alsmede bij de vervaardiging van dranken (klassen 20 en 21 CITI); richtlijn 68/366/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 260 van 22 oktober 1968. 3. Richtlijn van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren; richtlijn 64/223/EEG. Gepubliceerd in PbEG 56 van 4 april 1964. Richtlijn van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van tussenpersonen in handel, industrie en ambacht; richtlijn 64/224/EEG. Gepubliceerd in PbEG 56 van 4 april 1964 Richtlijn van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de werkzaamheden in de groothandel en van de werkzaamheden van tussenpersonen in de handel, industrie en ambacht; richtlijn 64/222/EEG. Gepubliceerd in PbEG 56 van 4 april 1964. 4. Richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de kleinhandel ressorteren (ex groep 612 CITI); richtlijn 68/363/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 260 van 22 oktober 1968 Richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de kleinhandel ressorteren (ex groep 612 CITI); richtlijn 68/364/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 260 van 22 oktober 1968. 5. Richtlijn van de Raad van 30 november 1970 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de groothandel in steenkool ressorteren en voor de werkzaamheden van tussenpersonen op het gebied van steenkool (ex groep 6112 CITI); richtlijn 70/522/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 267 van 10 december 1970. Richtlijn van de Raad van 30 november 1970 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de groothandel in steenkool ressorteren en van de werkzaamheden van tussenpersonen op het gebied van steenkool (ex groep 6112 CITI); richtlijn 70/523/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 267 van 10 december 1970. 6. Richtlijn van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden en voor de werkzaamheden van tussenpersonen welke onder de handel in en de distributie van giftige produkten ressorteren; richtlijn 74/557/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 307 van 18 november 1974. Richtlijn van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied op het gebied van de werkzaamheden welke onder de handel in en de distributie van giftige stoffen ressorteren en de werkzaamheden die beroepsmatig gebruik van die produkten meebrengen met inbegrip van de werkzaamheden van tussenpersonen; richtlijn 74/556. Gepubliceerd in PbEG L 307 van 18 november 1974. 7. Richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de persoonlijke diensten ressorteren (ex klasse 85 CITI): 1. restaurants en slijterijen (groep 852 CITI) 2. hotels, pensions en dergelijke inrichtingen, kampeerterreinen (groep 853 CITI); richtlijn 68/367/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 260 van 22 oktober 1968. Richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de persoonlijke diensten ressorteren (ex klasse 85 CITI): 1. restaurants en slijterijen (groep 852 CITI) Gepubliceerd in PbEG L 26 van 31 januari 1977. 9. Richtlijn van de Raad van 29 juni 1982 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van bepaalde tussenpersonen op het gebied van het vervoer en van reisbureaubedrijven (groep 718 CITI) alsmede van opslagbedrijven (groep 720 CITI); richtlijn 82/470/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 213 van 21 juli 1982. 10. Richtlijn van de Raad van 19 juli 1982 houdende maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten van kappers; richtlijn 82/489/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 218 van 27 juli 1982. 11. Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor diverse werkzaamheden (ex klasse 01 tot en met 85 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden; richtlijn 75/368/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 167 van 30 juni 1975. 12. Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden die op ambulante wijze worden verricht en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden; richtlijn 75/369/EEG. Gepubliceerd in PbEG L 167 van 30 juni 1975. De onder Bijlage B van de richtlijn vermelde overgangsrichtlijnen zijn: Het betreft hier de rubrieken 1 tot en met 7 van de hier boven aangegeven richtlijnen, met uitzondering van de onder rubriek 6 genoemde richtlijn 74/566/EEG. Opmerking: Er moet op gewezen worden dat de verschillende in deze bijlage vermelde richtlijnen in de loop der jaren diverse malen zijn gewijzigd c.q. aangevuld, onder meer in verband met de toetreding van een aantal nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschap. Bijlage 2 De lijst van opleidingen met een bijzondere structuur die is opgenomen in bijlage c van richtlijn 92/51 naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld Lijst van opleidingen met een bijzondere structuur als bedoeld in artikel 1, onder a, eerste alinea, tweede streepje, onder ii), van de richtlijn 92/51 1 Paramedisch en sociaal-pedagogisch gebied In Duitsland - kinderverpleegkundige ("Kinderkrankenschwester/Kinderkrankenpfleger") - fysiotherapeut ("Krankengymnast(in)/Physiotherapeut(in)") - bezigheids- en arbeidstherapeut ("Beschäftigungs- und Arbeitstherapeut (-in)") - logopedist ("Logopäde/Logopädin") - orthopodist ("Orthoptist(in)") - van staatswege erkend pedagogisch werker ("Staatlich anerkannte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.