Besluit van 12 december 1994, tot instelling en reglementering van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Instellingsbesluit reglementering van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 juli 1994, nr. RH 177715, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Overwegende dat op grond van artikel 7 van de Waterschapswet (Stb. 1991, 444) bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorzien in de situatie dat de besturen van twee of meer provincies niet of niet binnen redelijke termijn tot overeenstemming komen over de opheffing of instelling van een waterschap voor de waterstaatkundige verzorging van een in hun provincies gelegen gebied, dan wel over de vaststelling of wijziging van een reglement voor een dergelijk waterschap, omdat zij van mening verschillen over hetzij de noodzaak hetzij de inhoud van het te nemen besluit; Overwegende dat een zodanige situatie is ingetreden met betrekking tot de instelling van een waterschap omvattende het gebied van de bestaande waterschappen Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Groot-Waterschap van Woerden; Overwegende dat het in dit verband tevens gewenst is krachtens artikel 4 Waterstaatswet 1900 (Stb. 1900, 176) voor het gebied van het nieuwe waterschap een verordening vast te stellen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536); Na overleg met de besturen van de waterschappen Groot-Waterschap van Woerden en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Gedeputeerde Staten der provincies Utrecht en Zuid-Holland gehoord; De Raad van State gehoord (advies van 25 november 1994, nr. WO9.94.0425); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 december 1994, nr. HW/RH 188032, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De waterschappen Groot-Waterschap van Woerden en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden worden opgeheven. Artikel 2 Het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wordt ingesteld. Artikel 3 Aan de dijkgraaf van het waterschap Groot-Waterschap van Woerden wordt eervol ontslag verleend. Artikel 4 Het reglement voor het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 1 bij dit besluit. Artikel 5 Het kiesreglement voor het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 2 bij dit besluit. Artikel 6 Het overgangsrecht voor het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (Overgangsrecht Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 3 bij dit besluit. Artikel 7 Met ingang van de datum van samenvoeging worden ingetrokken het Reglement voor het Groot-Waterschap van Woerden en het Kiesreglement van Woerden (Prov. blad van Utrecht 1991, nr. 15 en Prov. blad van Zuid-Holland 1991 nr. 50 en 51) alsmede het Reglement voor het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en de Verordening Overgangsrecht Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (Prov. Blad van Utrecht 1994, nr. 3, 4 en 5). Artikel 8 De Verordening waterkwaliteitsbeheer Woerden (Prov. blad van Utrecht 1987, nr. 30, Prov. blad van Zuid-Holland 1986, nr. 152) wordt ingetrokken. Artikel 9 De Verordening waterkwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 4 bij dit besluit. Artikel 10 Het door de provincie Utrecht uitgeoefende kwaliteitsbeheer in de kieskringen II, III en IV, genoemd in artikel 10 van het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, wordt overgedragen aan het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden op een nader door provinciale staten van Utrecht te bepalen tijdstip dat is gelegen voor of op 1 januari
- Artikel 11 Dit besluit en de in de artikelen 4, 5, 6 en 9 bedoelde reglementen, overgangsrecht en verordening treden in werking: a. voorzover deze geen betrekking hebben op het kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater in de kieskringen II, III en IV: met ingang van 1 januari 1995; b. voor zover deze betrekking hebben op het kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater in de kieskringen II, III en IV: met ingang van het tijdstip bedoeld in artikel 10 van dit besluit. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage 12 december 1994 Beatrix De Minister van Verkeer en Waterstaat, A. Jorritsma-Lebbink de tweeëntwintigste december 1994 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager Bijlage 1 Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoofdstuk 1 Naam, gebied, taak en zetel van het waterschap Artikel 1 Er is een waterschap met de naam Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verder aan te duiden als het waterschap. Artikel 2
- Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit reglement behorende gewaarmerkte kaart nummer 94009, schaal 1 : 100
- Het gebied, bedoeld in het eerste lid, wordt bij besluit van gedeputeerde staten nader aangeduid op detailkaarten, met een schaal van ten minste 1 :10
- Van elk van de in het eerste en tweede lid bedoelde kaarten berust een exemplaar bij het waterschap alsmede bij het provinciaal bestuur van Utrecht en van Zuid-Holland. Artikel 3 De taak van het waterschap is gericht op de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied en omvat de zorg voor: a. de waterkering; b. het kwantitatief oppervlaktewaterbeheer; c. het kwalitatief oppervlaktewaterbeheer, bedoeld in de Verordening waterkwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; d. het vaarwegbeheer van de Dubbele Wiericke, de Grecht, de Korte en Lange Linschoten, de Montfoortse vaart, de Kromme Rijn en de Leidsche Rijn. Artikel 4 Het algemeen bestuur bepaalt in welke gemeente in zijn gebied het waterschap zijn zetel heeft. Hoofdstuk 2 De samenstelling en inrichting van het bestuur § 1 Inleidende bepaling Artikel 5 Het dagelijks bestuur, de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur hebben de benaming van respectievelijk college van dijkgraaf en hoogheemraden, dijkgraaf en hoogheemraden. § 2 Het algemeen bestuur Artikel 6 Als categorieën van belanghebbenden worden in het algemeen bestuur vertegenwoordigd: a. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken; f. het instellen van een heffing op de voet van artikel 18, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; g. het vaststellen van verordeningen als bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet; h. het vaststellen van de verordening, bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Waterschapswet; i. het vaststellen van het beheersplan, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding; j. het vaststellen van een peilbesluit, bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding; k. het vaststellen van de legger, bedoeld in artikel 64, eerste lid; l. het nemen van besluiten tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken, voor zover deze betrekking hebben op werken waarvan in betekenende mate een wijziging van de bestaande waterstaatkundige situatie of van de hoogte van de te heffen omslagen is te verwachten; m. het nemen van besluiten tot het oprichten van of deelnemen in rechtspersonen. § 3 Het college van dijkgraaf en hoogheemraden Artikel 26 Het college van dijkgraaf en hoogheemraden bestaat uit de dijkgraaf en vier hoogheemraden. Artikel 27 De benoeming van de hoogheemraden vindt op zodanige wijze plaats dat elk van de categorieën van belanghebbenden, bedoeld in artikel 6, onder a, b, c en d, met één hoogheemraad in het college is vertegenwoordigd. Artikel 28 De benoeming van hoogheemraden na de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel
- Artikel 29 In het geval van artikel 28 gaat de benoeming van degene die zijn benoeming tot hoogheemraad heeft aangenomen in op het tijdstip waarop ten minste twee hoogheemraden hun benoeming hebben aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip. Artikel 30 De benoeming van een hoogheemraad ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk, doch tenzij het algemeen bestuur in een bijzonder geval anders beslist, eerst nadat opengevallen plaatsen in het algemeen bestuur zijn vervuld. Artikel 31 De benoemde hoogheemraad wordt geacht de benoeming niet aan te nemen indien op de tiende dag na kennisgeving van de benoeming door middel van een aangetekende brief nog geen mededeling van hem is ontvangen dat hij de benoeming aanneemt. Artikel 32 Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming. Artikel 33 Vanaf het tijdstip van aftreden van de hoogheemraden tot het tijdstip waarop na de verkiezing van het nieuwe algemeen bestuur, ten minste twee hoogheemraden de benoeming hebben aangenomen, treedt de dijkgraaf in de plaats van het college van dijkgraaf en hoogheemraden. Artikel 34
- Een hoogheemraad kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.
- Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. Artikel 35 Schorsing in en tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt terstond schorsing in onderscheidenlijk verlies van het ambt van hoogheemraad mede. Artikel 36
- Over een voorstel tot het verlenen van ontslag als bedoeld in artikel 41, vijfde lid, van de Waterschapswet wordt niet beraadslaagd of besloten, dan nadat het algemeen bestuur ten minste twee weken en ten hoogste drie maanden tevoren heeft verklaard, dat de betrokken hoogheemraad het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.
- De oproeping tot de vergadering, waarin over dat voorstel wordt beraadslaagd of besloten, wordt ten minste achtenveertig uur voor de aanvang of zoveel eerder als het algemeen bestuur heeft bepaald, bij de leden van het algemeen bestuur bezorgd. Zij vermeldt het voorstel tot het verlenen van ontslag als bedoeld in artikel 41, vijfde lid, van de Waterschapswet.
- Artikel 18 is niet van toepassing bij besluiten van het algemeen bestuur ingevolge artikel 41, vijfde lid, van de Waterschapwet of ingevolge dit artikel. Artikel 37
- Bij verhindering, ontstentenis of ontslag van een hoogheemraad, of indien een hoogheemraad met de waarneming van het ambt van dijkgraaf is belast, wordt hij zo nodig vervangen door een lid van het algemeen bestuur, aan te wijzen door het algemeen bestuur.
- De toekenning van een vergoeding ten laste van het waterschap aan degene die met de waarneming van het ambt van hoogheemraad is belast, wordt geregeld bij de provinciale verordening, bedoeld in artikel 44 van de Waterschapswet. Artikel 38 Het college van dijkgraaf en hoogheemraden stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden. Artikel 39
- De dijkgraaf stelt, met inachtneming van hetgeen het college van dijkgraaf en hoogheemraden heeft bepaald, dag en plaats van de vergadering van het college en het tijdstip van de opening vast.
- De dijkgraaf maakt dag en plaats van te houden openbare vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend. Artikel 40
- In de vergadering van het college van dijkgraaf en hoogheemraden kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
- Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de dijkgraaf, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.
- Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het college kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd, alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Artikel 41 De artikelen 20, eerste tot en met derde lid, 21 en 22 zijn ten aanzien van de vergaderingen van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van overeenkomstige toepassing. Artikel 42
- Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd.
- Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter. Artikel 43
- Het algemeen bestuur kan regelen van welke besluiten van het college van dijkgraaf en hoogheemraden aan de leden van het algemeen bestuur kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
- Het college van dijkgraaf en hoogheemraden laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. Artikel 44 Ingestelde beroepen of ingebrachte bezwaren als bedoeld in artikel 86, vierde lid van de Waterschapswet worden slechts ingetrokken als het algemeen bestuur daartoe beslist. § 4 De dijkgraaf Artikel 45
- De aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf, bedoeld in artikel 46, derde lid, van de Waterschapswet vindt plaats met inachtneming van een stemming in het algemeen bestuur.
- Voor iedere plaats op de aanbeveling wordt afzonderlijk gestemd.
- Van de gehouden stemmingen wordt staande de vergadering een proces-verbaal opgemaakt, dat door de dijkgraaf en de secretaris wordt ondertekend.
- Het proces-verbaal van de stemmingen, bedoeld in het derde lid, wordt meegezonden met de overeenkomstig artikel 46, derde lid, van de Waterschapswet aan gedeputeerde staten te zenden aanbeveling. Artikel 46 De in artikel 45 bedoelde stemming wordt, indien het een vacature ten gevolge van periodieke aftreding betreft, ten minste twee maanden vóór de datum van aftreding, en indien het een tussentijdse vacature betreft, binnen vier maanden na het ontstaan van de vacature gehouden. Artikel 47 De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel 50 van de Waterschapswet, vindt plaats in handen van de commissaris van de Koningin in de provincie Utrecht. Artikel 48
- De dijkgraaf heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap.
- Het algemeen bestuur kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen, indien het belang van het waterschap zich daartegen niet verzet. Artikel 49
- Alle aan het algemeen bestuur of aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden gerichte stukken worden door of namens de dijkgraaf geopend.
- Van de ontvangst van aan het algemeen bestuur gerichte stukken die niet terstond in de vergadering van het algemeen bestuur aan de orde worden gesteld, doet hij in de eerstvolgende vergadering van dat bestuursorgaan mededeling. Artikel 50
- Bij verhindering of ontstentenis van de dijkgraaf wordt zijn ambt waar genomen door een hoogheemraad, door het college van dijkgraaf en hoogheemraden aan te wijzen.
- Bij verhindering of ontstentenis van alle hoogheemraden wordt het ambt waargenomen door het oudste lid in jaren van het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur een ander lid met de waarneming belast. Artikel 51 Het college van dijkgraaf en hoogheemraden kan de dijkgraaf toestaan de ondertekening van stukken die van dat college uitgaan op te dragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur, aan de secretaris of aan een of meer andere ambtenaren van het waterschap. § 5 Afdelingen Artikel 52
- Het algemeen bestuur kan afdelingen instellen. Het gebied van de in te stellen afdelingen is alsdan gelijk aan dat van de kieskringen, bedoeld in artikel
- De besturen van de afdelingen bestaan alsdan in elk geval uit de in de overeenkomstige kieskring gekozen leden van het algemeen bestuur.
- Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, eerste volzin, regelt het algemeen bestuur de taken van de afdelingen, de verdere samenstelling alsmede de inrichting en bevoegdheden van haar besturen. Het algemeen bestuur kan daarbij tevens toepassing geven aan het bepaalde in de artikelen 83, eerste lid, en 87, eerste lid, van de Waterschapswet. Artikel 25, tweede lid, is alsdan van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de overdracht van bevoegdheden. De artikelen 15, 17 tot en met 24 en 38 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergaderingen van het afdelingsbestuur. § 6 De secretaris Artikel 53 De secretaris wordt door het algemeen bestuur benoemd uit een door het college van dijkgraaf en hoogheemraden in te dienen voordracht van zo mogelijk twee personen. Artikel 54 Artikel 33, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet is ten aanzien van de secretaris van overeenkomstige toepassing. Artikel 55 Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels vast over de taak van de secretaris en regelt de vervanging. Hoofdstuk 3 Het onderhoud van waterstaatswerken Artikel 56 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. waterkeringen: de dijken, kaden, natuurlijke hoogten en peilscheidingen, onder welke benaming ook, die dienen tot kering van water; zij worden in de legger, bedoeld in artikel 64, naar de mate van hun belang onderscheiden in primaire waterkeringen, secundaire waterkeringen en tertiaire waterkeringen; Bijlage 2 Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: a. Waterschap: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; b. Reglement: Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; c. categorie ongebouwd: de categorie van belanghebbenden, bedoeld in artikel 6, onder a, van het Reglement; d. categorie gebouwd: de categorie van belanghebbenden, bedoeld in artikel 6, onder b, van het Reglement; e. categorie ingezetenen: de categorie van belanghebbenden, bedoeld in artikel 6, onder c, van het Reglement; f. categorie gebruikers bedrijfsgebouwd: de categorie van belanghebbenden, bedoeld in artikel 6, onder d, van het Reglement. Artikel 2 De bepalingen in dit reglement ten aanzien van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verkiezing van de plaatsvervangende leden. Hoofdstuk 2 De verkiezing van de leden van het algemeen bestuur Titel 1 Algemene bepaling Artikel 3 Voor de verkiezing van de leden en plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur vindt in iedere kieskring van het waterschap voor iedere categorie van belanghebbenden een afzonderlijke verkiezing plaats. Artikel 4
- De leden van het algemeen bestuur vertegenwoordigende de categorie gebruikers bedrijfsgebouwd alsmede hun plaatsvervangers worden gekozen door de leden van de Samenwerkende Kamers van Koophandel en fabrieken in de provincie Utrecht.
- De verkiezing vindt plaats met inachtneming van de vertegenwoordiging zoals aangegeven in artikel 11 van het Reglement. Artikel 5
- De kieskringen I, II, III en IV worden gevormd door de geheel of gedeeltelijk binnen die kieskringen gelegen gemeenten zoals aangegeven op de kaart bedoeld in artikel 10 van het Reglement.
- Indien een gemeente in meer dan een kieskring is gelegen kan het algemeen bestuur, in afwijking van de kaart bedoeld in het eerste lid, bepalen dat een gemeente wordt gerekend te behoren tot een door dat bestuur aan te wijzen kieskring. Titel 2 Het tijdstip van aftreden van de leden van het algemeen bestuur Artikel 6 De leden van het algemeen bestuur treden af met ingang van de eerste dinsdag van september in het jaar van periodieke verkiezing. Titel 3 Het hoofdstembureau Artikel 7
- Voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur wordt één hoofdstembureau ingesteld. Het is gevestigd in de gemeente, daartoe aangewezen door het algemeen bestuur.
- Het hoofdstembureau bestaat uit vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
- De dijkgraaf is voorzitter van het hoofdstembureau. De plaatsvervangend voorzitter en de andere leden alsmede drie plaatsvervangende leden worden door het college van dijkgraaf en hoogheemraden benoemd en ontslagen.
- De benoemingen geschieden voor vier kalenderjaren. Degene, die ter vervulling van een opengevallen plaats is benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. Artikel 8 Het algemeen bestuur stelt de vergoedingen van de voorzitter en van de leden van het hoofdstembureau vast. Artikel 9 Voor het houden van de zittingen van het hoofdstembureau wijst het college van dijkgraaf en hoogheemraden een geschikte ruimte aan. Titel 4 De kandidaatstelling Hoofdstuk 1 De opgave van kandidaten Artikel 10 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats op de eerste dinsdag van april. Indien de derde dag na de kandidaatstelling, bedoeld in artikel 18, Goede Vrijdag is, vindt de kandidaatstelling plaats op de eerste maandag van april. Artikel 11
- Op de dag van de kandidaatstelling kunnen bij de voorzitter van het hoofdstembureau of bij het door deze aan te wijzen lid van dat bureau op de secretarie van het waterschap van negen tot achttien uur opgaven van kandidaten worden ingeleverd. De formulieren voor de opgave van kandidaten zijn kosteloos verkrijgbaar en worden op aanvraag toegezonden vanaf het in het tweede lid bedoelde tijdstip.
- Ten minste drie weken voor de kandidaatstelling brengt de dijkgraaf dit ter openbare kennis. In de bekendmaking wordt tevens melding gemaakt van de vereisten voor kandidaatstelling.
- De opgave wordt opgemaakt overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen model. Artikel 12
- De opgave moet zijn ondertekend door ten minste tien personen, niet zijnde de kandidaat of de kandidaat-plaatsvervanger zelf, die binnen de kieskring waarvoor de opgave geldt, bevoegd zijn tot kandidaatstelling krachtens artikel 18 van de Waterschapswet.
- Niemand mag per categorie van belanghebbenden meer dan één opgave ondertekenen.
- Een ondertekening kan niet worden ingetrokken nadat de opgave is ingeleverd.
- De naam van eenzelfde kandidaat mag niet voorkomen op meer dan één ingeleverde opgave, ongeacht of het verschillende verkiezingen als bedoeld in artikel 3 betreft. Artikel 13
- Bij de opgave wordt overgelegd een schriftelijke verklaring van de daarop voorkomende kandidaten, dat zij instemmen met hun kandidaatstelling.
- Een overgelegde verklaring van instemming kan niet worden ingetrokken.
- De formulieren voor de verklaring van instemming zijn kosteloos verkrijgbaar en worden op aanvraag toegezonden vanaf het in artikel 11, tweede lid, bedoelde tijdstip.
- De verklaring wordt opgemaakt overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen model. Artikel 14
- De inlevering van de opgave geschiedt persoonlijk door één van de onder tekenaars. De kandidaten kunnen bij de inlevering aanwezig zijn.
- Degene die de opgave heeft ingeleverd, ontvangt van de voorzitter van het hoofdstembureau of van het door deze aangewezen lid van dat bureau een bewijs daarvan. Hoofdstuk 2 Het onderzoek en de openbaarmaking van de opgaven van de kandidaten Artikel 15 Op de dag van de kandidaatstelling, om twintig uur, houdt het hoofdstembureau een zitting tot het onderzoeken van de opgaven. Artikel 16
- Indien bij het onderzoek blijkt van één of meer van de volgende verzuimen, geeft het hoofdstembureau onverwijld kennis bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs aan degene, die de opgave heeft ingeleverd, dat: a. de opgave niet is ondertekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, eerste lid. Bij de vaststelling van het aantal ondertekenaars, blijft buiten beschouwing de ondertekenaar die per categorie van belanghebbenden meer dan één opgave heeft ondertekend; h. die meer namen bevat dan die van één kandidaat voor het lidmaatschap van het algemeen bestuur en zijn kandidaat-plaatsvervanger; i. waarop de naam van een kandidaat voorkomt, van wie een uittreksel uit het register van overlijden dan wel een afschrift van de akte van overlijden is overgelegd. Artikel 20 Zodra de beslissing, bedoeld in artikel 18, onherroepelijk is geworden, maakt de voorzitter van het hoofdstembureau de opgaven onverwijld openbaar door deze voor een ieder ter inzage te leggen op de secretarie van het waterschap. Van de terinzagelegging wordt tegelijk door hem openbare kennisgeving gedaan. Artikel 21
- Artikel 19, eerste lid, van de Waterschapswet is van toepassing per kieskring.
- Een besluit van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Waterschapswet, wordt uiterlijk op de vierentwintigste dag na de kandidaatstelling genomen.
- Van de daartoe te houden stemmingen wordt staande de vergadering een proces-verbaal opgemaakt, dat door de dijkgraaf en de secretaris wordt ondertekend.
- Het bepaalde in artikel 20 ten aanzien van de openbaarmaking is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot kandidaatstelling van het algemeen bestuur en op het proces-verbaal, bedoeld in het derde lid. Artikel 22 Indien zich in een kieskring een situatie voordoet als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Waterschapswet wordt dat vermeld in het proces-verbaal, bedoeld in artikel
- Artikel 23
- Van de in de artikelen 15 en 18 bedoelde zittingen wordt proces-verbaal opgemaakt.
- De bij de in artikel 18 bedoelde zitting aanwezige stemgerechtigden kunnen bezwaren inbrengen. Van deze bezwaren wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.
- De processen-verbaal worden opgemaakt overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen model.
- De voorzitter van het hoofdstembureau doet het proces-verbaal op de secretarie van het waterschap voor een ieder ter inzage leggen. Van de terinzagelegging wordt tegelijk openbare kennisgeving door hem gedaan. Titel 5 De verkiezing Afdeling 1 Algemene bepaling Artikel 24
- De verkiezing vindt plaats met inachtneming van de bepalingen in deze titel.
- Indien met betrekking tot een categorie van belanghebbenden in een kieskring artikel 17, tweede lid van de Waterschapswet van toepassing is, vindt in die kieskring voor die categorie geen stemming plaats. Afdeling 2 Het kiesrecht Artikel 25 Voor het bezit van het stemrecht, bedoeld in artikel 19 van de Waterschapswet, is vereist dat het bedrag van de belastingplicht ten minste gelijk staat aan het voor een omslag over 25 are verschuldigde bedrag. Artikel 26 Ten aanzien van onroerende zaken waarvan de eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde een rechtspersoon is kunnen de bevoegdheid tot kandidaatstelling alsmede het stemrecht alleen worden uitgeoefend door één van degenen die tot vertegenwoordiging bevoegd is. Artikel 27 Een stemgerechtigde voor de verkiezing van de vertegenwoordigers van de categorieën ongebouwd en gebouwd bezit uitsluitend een stem in de kieskring waarin hij voor het genot van onroerende zaken voor het desbetreffende jaar voor het grootste bedrag belastingplichtig is. Afdeling 3 De registratie van de stemgerechtigdheid Artikel 28
- Van de in het register, bedoeld in artikel 29 van de Waterschapswet, opgenomen stemgerechtigden worden voor iedere kieskring afzonderlijk vermeld: a. de geslachtsnamen, de beginletters van de voornamen en de adressen van natuurlijke personen en de namen en adressen van rechtspersonen en van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid; Bijlage 3 Overgangsrecht Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit overgangsrecht wordt verstaan onder: a. waterschap: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; b. Reglement: Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; c. op te heffen waterschappen: Groot-Waterschap van Woerden en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; d. datum van samenvoeging: datum met ingang waarvan het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden in werking treedt; e. overgaand gebied: gebied van de op te heffen waterschappen dat deel gaat uitmaken van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; f. Kiesreglement: Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; g. datum van overdracht: datum met ingang waarvan het waterkwaliteitsbeheer door de provincie Utrecht wordt overgedragen. Hoofdstuk 2 Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden Artikel 2
- De op de dag voorafgaande aan de datum van samenvoeging voor overgaand gebied geldende waterschapsbesluiten blijven van kracht totdat het bevoegde bestuursorgaan van het waterschap deze vervallen heeft verklaard.
- De op de dag voorafgaande aan de datum van samenvoeging voor overgaand gebied geldende provinciale voorschriften, betreffende de taken of de bestuursorganen van de op te heffen waterschappen blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders beslist.
- Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de voor de datum van overdracht voor overgaand gebied geldende provinciale voorschriften betreffende het door de provincie Utrecht over te dragen waterkwaliteitsbeheer. Artikel 3
- Voor de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur van het waterschap gelden de reglementen van orde van het op te heffen Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden totdat deze door andere zijn vervangen.
- Voor de secretaris van het waterschap geldt de instructie van het op te heffen Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden totdat deze door een andere is vervangen. Artikel 4
- Met ingang van de datum van samenvoeging en zolang de in artikel 2 bedoelde voorschriften blijven gelden, oefenen de in het waterschap bevoegde bestuursorganen en ambtenaren de bevoegdheden uit die bij die voorschriften aan overeenkomstige bestuursorganen en ambtenaren van de op te heffen waterschappen zijn toegekend.
- Met ingang van de datum van overdracht is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheden die met betrekking tot het over te dragen kwaliteitsbeheer aan de provincies zijn toegekend. Hoofdstuk 3 Overgang rechten en verplichtingen Artikel 5
- Met ingang van de datum van samenvoeging gaan alle publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van de op te heffen waterschappen over op het waterschap.
- Van de op te heffen waterschappen worden de burgerlijke rechten en verplichtingen om niet overgedragen aan het waterschap, zonder dat daarvoor een nader besluit wordt gevorderd. Voor zover voor de vereffening nodig, blijven deze op te heffen waterschappen als rechtspersoon in stand en is het dagelijks bestuur van het waterschap hun bestuur.
- Procedures bij de op te heffen waterschappen worden met ingang van de datum van samenvoeging door het bestuur van het waterschap voortgezet in de stand waarin zij verkeren.
- Ten aanzien van de in het tweede lid begrepen registergoederen zal verandering in de tenaamstelling in de openbare registers, bedoeld in artikel 3:16 van het Burgerlijk Wetboek plaatshebben. Dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap doen daartoe de nodige opgaven aan de bewaarder van de registers.
- De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de overgang van rechten en verplichtingen van de provincie Utrecht, voor zover die betrekking hebben op dan wel verband houden met de uitoefening van het waterkwaliteitsbeheer in overgaand gebied.
- Ter bepaling van de rechten en verplichtingen bedoeld in het vijfde lid, die met betrekking tot het waterkwaliteitsbeheer aan het overgaand gebied kunnen worden toegerekend, wijzen gedeputeerde staten van Utrecht en het voorlopig dagelijks bestuur gezamenlijk een onafhankelijke deskundige aan. Artikel 6
- Beheer en onderhoud van werken in overgaand gebied die bij de provincie Utrecht in beheer en onderhoud zijn ten behoeve van het waterkwaliteitsbeheer gaan met ingang van de datum van overdracht over naar het waterschap.
- In afwijking van het bepaalde in artikel 5, vijfde juncto tweede lid, wordt de waarde van de in het eerste lid bedoelde werken vastgesteld door een door gedeputeerde staten van Utrecht en het voorlopig dagelijks bestuur aan te wijzen onafhankelijke deskundige. Artikel 7 Ten behoeve van de verdeling van de activa en passiva van de provincie Utrecht met betrekking tot het waterkwaliteitsbeheer in overgaand gebied, dat met ingang van de datum van overdracht overgaat naar het waterschap, bepalen gedeputeerde staten van Utrecht en het voorlopig dagelijks bestuur op welke wijze de verdeling plaatsvindt. Zij winnen hiertoe advies in van een door hen aan te wijzen onafhankelijke deskundige. Artikel 8 De rekeningen van het laatste dienstjaar van de op te heffen waterschappen worden vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. De saldi worden verantwoord in de rekening van het waterschap. Artikel 9 De provinciale rekening van het dienstjaar voorafgaande aan de datum van overdracht wordt voor het waterkwaliteitsbeheer opgemaakt en vastgesteld door het provinciaal bestuur van Utrecht. Gedeputeerde staten van Utrecht en het voorlopig dagelijks bestuur bepalen op welke wijze een positief dan wel negatief saldo op die rekening wordt verrekend. Zij winnen hiertoe advies in van een door hen aan te wijzen onafhankelijke deskundige. Artikel 10
- Voor het tijdvak waarin voor het waterschap nog geen begroting is vastgesteld, is het voorlopig dagelijks bestuur bevoegd tot het doen van uitgaven tot ten hoogste 4/12 gedeelte van het totaal van de bedragen die op de overeenkomstige posten van de voor het dienstjaar voorafgaand aan de datum van samenvoeging vastgestelde begrotingen van de op te heffen waterschappen zijn geraamd.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het doen van uitgaven voor het waterkwaliteitsbeheer voor zover de begroting van de provincie Utrecht kan worden toegerekend aan overgaand gebied. Artikel 11
- Met ingang van de datum van samenvoeging gaan de archiefbescheiden van de op te heffen waterschappen over naar het waterschap.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op archiefbescheiden van de provincie Utrecht die betrekking hebben op het waterkwaliteitsbeheer in overgaand gebied, dan wel van belang zijn voor de uitoefening van die taak door het waterschap, met dien verstande dat voor datum van samenvoeging moet worden gelezen: datum van overdracht. Hoofdstuk 4 Voorlopig bestuur Artikel 12 De waarnemend voorzitter van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, alsmede de leden van de dagelijkse en algemene besturen van de op te heffen waterschappen zijn eervol van hun functie ontheven met ingang van de datum van samenvoeging. Artikel 13 Er is een overgangsbestuur dat bestaat uit een voorlopig algemeen bestuur, een voorlopig dagelijks bestuur en een waarnemend dijkgraaf. Het overgangsbestuur treedt op met ingang van de datum van samenvoeging. Artikel 14
- Het voorlopig algemeen bestuur bestaat uit 36 leden. Van deze leden vertegenwoordigen: a. tien leden de categorie van degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken; Bijlage 4 Verordening waterkwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoofdstuk 1 Begripsbepaling Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. wet: Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536); b. afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de wet; c. waterschap: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; d. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap; e. algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap; f. reglement: Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; g. zuiveringstechnisch werk: werk, in beheer bij het waterschap, dat is ingericht of wordt aangewend voor transport of behandeling van afvalstoffen. Hoofdstuk 2 Taak en bevoegdheden Artikel 2 Deze verordening is van toepassing op de oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor zover die zijn gelegen in het gebied van het waterschap, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het reglement, dit met uitzondering van het in de provincie Zuid-Holland gelegen gebied van kieskring II, bedoeld in artikel 10 van het reglement. Artikel 3 De bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, van de wet is toegekend aan het dagelijks bestuur. Het algemeen bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van deze bevoegdheid. Artikel 4 Het waterschap is belast met het nemen van maatregelen tot bescherming van de hoedanigheid van oppervlaktewateren mede in verband met de daaraan toegekende functies. Tot deze maatregelen behoren in elk geval het tot stand brengen, beheren, onderhouden en exploiteren van zuiveringstechnische werken. Artikel 5 Het algemeen bestuur stelt ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het voorkomen en tegengaan van verontreiniging van oppervlaktewateren bij verordening een heffing in als bedoeld in artikel 17 van de wet. Artikel 6 Het waterschap werkt, voor zover zulks gewenst en doelmatig is, met andere lichamen, belast met het waterkwaliteitsbeheer, samen op chemisch, technisch en administratief gebied. Artikel 7 Het algemeen bestuur stelt met betrekking tot het aansluiten van rioleringen op zuiveringstechnische werken een verordening vast. Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8 De op grond van de Verordening waterkwaliteitsbeheer Woerden en de Verordening waterkwaliteitsbeheer Utrecht 1976 verleende vergunningen worden voor de toepassing van deze verordening aangemerkt als vergunningen die zijn verleend of gewijzigd op grond van deze verordening. Artikel 9 Deze verordening treedt, voor zover zij betrekking heeft op de oppervlaktewateren die zijn gelegen in het gebied van kieskring I, bedoeld in artikel 10 van het reglement, in werking met ingang van 1 januari 1995 en, voor zover zij betrekking heeft op de oppervlaktewateren die zijn gelegen in het overige gebied van het waterschap, bedoeld in artikel 2, op een door provinciale staten van Utrecht te bepalen tijdstip. Artikel 10 Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening waterkwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.