BWBR0007094_2011-03-10_0 Regeling kabelvliegers en kleine ballons Regeling kabelvliegers en kleine ballons De Minister van Verkeer en Waterstaat; Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op artikel 59, tweede lid onder d en e, van het Luchtverkeersreglement, Besluit: Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: kabelvlieger: een toestel, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, dat door middel van (een) ankerkabel(
- s)of lijn(
- en)is verbonden met het aardoppervlak; kleine ballon: een kleine kabelballon of een kleine vrije ballon; kleine kabelballon: een ballon, die door middel van (een) ankerkabel(
- s)of lijn(
- en)is verbonden met het aardoppervlak en die op zeeniveau in de internationale standaardatmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2 m of een inhoud van ten hoogste 4 m³ heeft, dan wel een samenstel van ballons waarvan de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarde niet te boven gaan; kleine vrije ballon: een ballon die niet is verbonden met het aardoppervlak en die op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2 m of een inhoud van ten hoogste 4 m³ heeft, dan wel een samenstel van ballons waarvan de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarden niet te boven gaan; sfeerballon: kleine vrije ballon, of samenstel van kleine vrije ballons, waarvan de hoogte of de breedte niet meer dan 75 cm bedraagt. Artikel 1a Grondslag Deze regeling berust op artikel 4 van het Besluit luchtverkeer 2014. Artikel 1b Kruisende koersen 1 De kabelvlieger, kleine kabelballon en onbemande vrije ballon verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen, vrije ballonen en luchtschepen. 2 In alle overige gevallen dat twee luchtvaartuigen kruisen op of omstreeks hetzelfde niveau, verleent het luchtvaartuig dat het andere aan zijn rechterzijde heeft voorrang. Artikel 2 Kabelvliegers en kleine kabelballons Een kabelvlieger of kleine kabelballon wordt niet gebruikt: a. boven een hoogte van 100 meter boven grond of water; b. binnen een afstand van 3 km van de grens van luchthavens en zweefvliegterreinen; c. binnen een afstand van 5 km van de grens van gecontroleerde luchthavens; d. binnen burger laagvlieggebieden, militaire laagvlieggebieden en binnen een afstand van 5 km van militaire laagvliegroutes. Artikel 3 Kleine vrije ballons 1 Voorwerpen die door kleine ballons worden meegevoerd worden voorzien van een valscherm dat de daalsnelheid beperkt tot ten hoogste 5 m/sec, indien deze voorwerpen ieder afzonderlijk of gezamenlijk: a. een massa van 30 gram of meer hebben, of b. een oppervlaktedichtheid van 5 gr/cm2 of meer hebben. 2 Voor het oplaten van een kleine vrije ballon binnen een afstand van 8 km van de grens van een gecontroleerde luchthaven is de toestemming vereist van de betrokken plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst; deze toestemming kan worden geweigerd als de vaart van de ballon – gezien de heersende windrichting – zal voeren over het landingsterrein of over gebieden in de omgeving daarvan, waarover luchtvaartuigen naderen of vertrekken en waardoor de orde en regelmaat van het luchtverkeer wordt verstoord. 3 Het voornemen tot het oplaten van een kleine vrije ballon binnen een afstand van 3 km van de grens van de niet-gecontroleerde burgerluchthavens wordt tijdig, doch uiterlijk twee uur vóór de voorgenomen oplating ter kennis gebracht aan de betrokken havenmeester. Indien de vaart van de ballon – gezien de heersende windrichting – zal voeren over het landingsterrein of onmiddellijke omgeving daarvan kan de havenmeester aanwijzingen geven om te voorkomen dat het luchthavenverkeer wordt verstoord of in gevaar gebracht. 4 Degene die een kleine vrije ballon wil oplaten binnen een afstand van 3 km van een zweefvliegterrein stelt al het mogelijke in het werk om vooraf overleg met de gebruiker van dat zweefvliegterrein te voeren. Artikel 4 Sfeerballons 1 Indien 1000 sfeerballons, of meer, nagenoeg gelijktijdig worden opgelaten is daarop artikel 3, tweede, derde en vierde lid van toepassing. 2 Voorwerpen die door sfeerballons worden meegevoerd worden voorzien van een valscherm dat de daalsnelheid beperkt tot maximaal 5 m/sec indien deze voorwerpen ieder afzonderlijk of gezamenlijk: a. een massa van 30 gram of meer hebben, of b. een oppervlakte-dichtheid van 5 gr/cm2 of meer hebben. 3 Sfeerballons bevatten geen metalen voorwerpen of onderdelen. Artikel 5 Intrekking Het besluit van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 2 december 1982, nr. LVB/L 26057/Stcrt. 1982, 245, wordt ingetrokken. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 7 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kabelvliegers en kleine ballons. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 8 Vervallen 's-Gravenhage 13 december 1994 De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink