BWBR0009294_1998-11-01_0 Regeling bemonstering en analyse overige organische meststoffen Regeling bemonstering en analyse overige organische meststoffen De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Handelende in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de artikelen 8 en 16 van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen; Besluit: Artikel 1 Deze regeling neemt de terminologie over van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen en verstaat voorts onder: a. het Besluit: het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen; b. overige organische meststoffen: zuiveringsslib, compost en zwarte grond als bedoeld in het Besluit; c. bemonstering: bemonstering van overige organische meststoffen of de bodem als bedoeld in de artikelen 8 en 16 van het Besluit; d. analyse: analyse van monsters van overige organische meststoffen of bodemmonsters als bedoeld in de artikelen 8 en 16 van het Besluit; e. Rijkstoezichthouder: de directeur van het Rijkskwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten (RIKILT); f. de Stichting: de Stichting voor de Erkenning van Laboratoria en inspectie-instellingen (STERLAB) te Rotterdam; g. onderzoekslaboratorium: laboratorium waar analyse van monsters van overige organische meststoffen en van bodemmonsters plaatsvindt; h. partij: een hoeveelheid van eenzelfde soort overige organische meststoffen, die een eenheid vormt en waarvan wordt aangenomen dat deze uniforme eigenschappen of hoedanigheden bezit; i. tapmonster: een door middel van aftappen uit een bewegende stroom uit een partij genomen hoeveelheid; j. steekmonster: een door het nemen van één of meer grepen op een punt uit de partij of uit de bodem genomen hoeveelheid; k. inzendmonster: een monster dat uit tapmonsters of steekmonsters is vervaardigd en dat aan het onderzoeks-laboratorium wordt ingezonden; l. laboratoriummonster: monster dat uit een inzendmonster is vervaardigd door homogenisering en proportionering overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage I; m. analysemonster: monster dat uit een laboratoriummonster is vervaardigd door een voorbehandeling uit te voeren als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage I; n. monsterontsluiting: het zodanig bewerken van analysemonsters door middel van chemische destructie dat in het aldus ontstane destruaat chemische analyse ter bepaling van de gehalten aan de analyten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, en, wat monsters van compost betreft, van het gehalte aan stikstof mogelijk is; o. monsteranalyse: het analyseren van het destruaat op de gehalten aan de analyten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, en, wat monsters van compost betreft, op het gehalte aan stikstof, volgens de analysemethode, bedoeld in bijlage I bij deze regeling. Artikel 2 Een onderzoekslaboratorium moet zijn erkend door de Stichting en na erkenning periodiek worden gecontroleerd door de Stichting, overeenkomstig het door de Stichting ten behoeve van de erkenning van laboratoria gehanteerde systeem. Artikel 3 1 Een onderzoekslaboratorium dient zich te registreren bij de Rijkstoezichthouder. 2 De registratie dient te geschieden door middel van het doen toekomen aan de Rijkstoezichthouder van een formulier, overeenkomstig het model in de bij deze regeling behorende bijlage II; het formulier dient vergezeld te gaan van een gewaarmerkt afschrift van het document waaruit de in artikel 2 bedoelde erkenning blijkt. 3 Indien aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan ontvangt het onderzoekslaboratorium van de Rijkstoezichthouder een bevestiging van ontvangst, overeenkomstig het model in de bij deze regeling behorende bijlage II, welke geldt als bewijs van registratie. 4 De registratie wordt ingetrokken indien het laboratorium na de in artikel 4 bedoelde periode niet in het bezit is van een erkenning van de Stichting, dan wel indien de erkenning van het onderzoekslaboratorium door de Stichting wordt ingetrokken, dan wel indien het onderzoekslaboratorium naar het oordeel van de Rijkstoezichthouder niet naar behoren aan de bij deze regeling gestelde voorschriften voldoet. 5 Het in het tweede en derde lid bedoelde formulier ligt ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en is op verzoek verkrijgbaar bij de Dienst Regelingen te Assen. Artikel 4 Voor een onderzoekslaboratorium dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling niet in het bezit is van de in artikel 2 bedoelde erkenning, geldt voor het verkrijgen van een zodanige erkenning een periode van twee jaren, te rekenen vanaf dat tijdstip, gedurende welke het onderzoekslaboratorium onverkort moet voldoen aan de bij of krachtens het Besluit gestelde regels omtrent het verrichten van bemonsteringen en analyses. Artikel 5 1 Bemonstering en analyse van overige organische meststoffen, alsmede toetsing van de analysegegevens, dienen te geschieden volgens de voorschriften en methoden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I. 2 Bemonstering en analyse van de bodem, alsmede toetsing van de analysegegevens, dienen te geschieden volgens de voorschriften en methoden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I. Artikel 6 1 Naar aanleiding van de analyse van een monster van overige organische meststoffen wordt een analyserapport opgemaakt, waarin ten minste is opgenomen: de naam van de producent van de overige organische meststoffen; het gehalte aan stikstof in compost, alsmede de samenstelling en de eigenschappen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, van de onderzochte overige organische meststoffen; of al dan niet aan de eisen die het Besluit stelt met betrekking tot de samenstelling van overige organische meststoffen is voldaan; de naam van het onderzoekslaboratorium dat de analyse heeft verricht. 2 Het onderzoekslaboratorium zendt een afschrift van het analyserapport aan de Rijkstoezichthouder. Artikel 7 1 Naar aanleiding van de analyse van een monster van de bodem wordt een analyserapport opgemaakt, waarin ten minste is opgenomen: een kadastrale of topografische aanduiding van het perceel waarop de bemonstering werd verricht; de naam van degene die zuiveringsslib dan wel compost op het betreffende perceel gebruikt; de hoedanigheid en samenstelling van de bodem van het betreffende perceel, als bedoeld in de bij het Besluit behorende bijlage IV; of de bodem al dan niet voldoet aan de eisen die het Besluit in verband met het gebruik van zuiveringsslib en compost daarop stelt; de naam van het onderzoekslaboratorium dat de analyse heeft verricht. 2 Artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 8 De kosten verbonden aan monsterneming en analyse van overige organische meststoffen dan wel de bodem zijn voor rekening van de producent respectievelijk de gebruiker van de overige organische meststoffen. Artikel 9 De artikelen van deze regeling treden in werking op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. Artikel 10 De Regeling van 25 juni 1992 (Stcrt. 122), houdende Regeling bemonstering en analyse overige organische meststoffen, wordt ingetrokken. Artikel 11 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bemonstering en analyse overige organische meststoffen. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Den Haag 28 mei 1998 De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.J. van Aartsen Bijlage I 1 Bemonstering van meststoffen 1.1 Bemonstering van zuiveringsslib 1.1.1 Vloeibaar zuiveringsslib De bemonstering dient plaats te vinden bij de slibaftap van het zuiveringssysteem. Bij het nemen van een tapmonster moet een zodanige doorspoeling van de slibleiding hebben plaatsgevonden dat de inhoud van de leiding voor het slibaftappen geheel is ververst. De tapmonsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone flessen of vaten vervaardigd uit, dan wel bekleed met polyethyleen. Deze mogen maximaal voor driekwart van de inhoud gevuld worden (in verband met eventuele gasontwikkeling en met het mengen van de inhoud). Vloeibaar zuiveringsslib wordt twee maal per week bemonsterd met ten minste twee dagen tussenruimte tussen twee bemonsteringen. Deze tapmonsters mogen over een periode van maximaal vier weken worden gecombineerd tot één inzendmonster. Het inzendmonster wordt gevormd door een representatief monster te nemen van de intensief gemengde tapmonsters. De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 750 gram. De bemonsteringsfrequentie mag volgens bijgaand schema worden verlaagd, indien voor elk van de bestanddelen waarop het Besluit betrekking heeft geldt dat het voortschrijdende gemiddelde gehalte minstens binnen de in het schema weergegeven trajecten ligt. De bemonsteringsfrequentie bedraagt echter ten minste vier maal per jaar. Voortschrijdend gemiddelde bemonsteringsfrequentie (in % van grenswaarde) > 95% en < 105% \011 8 monsters/4 weken 90-95% of 105-110% 1 monster/4 weken 80-90% of 110-120% 1 monster/6 weken < 80% of > 120% \011 1 monster/12 weken Voor vaststelling van het voortschrijdende gemiddelde wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze bijlage. 1.1.2. Steekvast zuiveringsslib 1.1.2.1 Steekvast zuiveringsslib, verkregen door kunstmatige ontwatering De bemonstering dient plaats te vinden op het einde van het ontwateringsproces. Het bemonsteringspunt zal per installatie apart vastgesteld moeten worden zodanig dat de analyses worden uitgevoerd op het ontwaterde eindprodukt. De steekmonsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone flessen of vaten vervaardigd uit, dan wel bekleed met polyethyleen. Deze mogen maximaal voor driekwart van de inhoud gevuld worden (in verband met eventuele gasontwikkeling en met het mengen van de inhoud). Steekvast zuiveringsslib wordt twee maal per week bemonsterd met ten minste twee dagen tussenruimte tussen twee bemonsteringen. Deze steekmonsters mogen over een periode van maximaal vier weken worden gecombineerd tot één inzendmonster. Het inzendmonster wordt gevormd door een representatief monster te nemen van de intensief gemengde steekmonsters. De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 750 gram. De bemonsteringsfrequentie mag overeenkomstig het schema in paragraaf 1.1.1. verlaagd worden, indien voor elk van de bestanddelen waarop het Besluit betrekking heeft, geldt dat het voortschrijdende gemiddelde gehalte minstens binnen de in het schema weergegeven trajecten ligt. De bemonsteringsfrequentie bedraagt echter ten minste vier maal per jaar. Voor de resterende periode van 1992 dient ten minste één bemonstering plaats te vinden. 1.1.2.2. Steekvast zuiveringsslib, verkregen door natuurlijke ontwatering a. Natuurlijke ontwatering in lagunes - Gezien de wisselende kwaliteit van de ontwateringsterreinen en de grote discontinuïteit bij de afvoer, dient bemonstering van het slib bij natuurlijke ontwatering in lagunes te geschieden per te verhandelen partij van het eindprodukt. De monsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone opvangvaten of -zakken vervaardigd uit, dan wel bekleed met polyethyleen. Er dienen 40 steekmonsters te worden genomen, systematisch verspreid over de te verhandelen partij en zoveel mogelijk over de gehele diepte van de partij. Het bemonsteringsmateriaal mag slechts vervaardigd zijn uit koolstofstaal of een andere ongelegeerde staalsoort. Het booroppervlak mag niet behandeld (’veredeld’) zijn met zware metalen of arseen of met verf, lak of olie. De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 750 gram. b. Natuurlijke slibontwatering in droogbedden De bemonstering van slib in droogbedden dient te geschieden overeenkomstig de methode voor vloeibaar zuiveringsslib, met dien verstande dat de bemonstering hier plaatsvindt in de slibtoevoer van de droogbedden. Voor de bepaling van het droge stofgehalte dient van elke af te zetten partij, na ontwatering een monster te worden genomen op de wijze als beschreven in onderdeel a van deze paragraaf. 1.2. Bemonstering van compost en zwarte grond De bemonstering vindt plaats in bewegende stromen. Slechts indien dit niet mogelijk is vindt statische bemonstering plaats. De monsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone opvangvaten of -zakken vervaardigd uit, dan wel bekleed met polyethyleen. Het bemonsteringsmateriaal voor statische bemonstering mag slechts vervaardigd zijn uit koolstofstaal of een andere ongelegeerde staalsoort. Het booroppervlak mag niet behandeld (’veredeld’) zijn met zware metalen of arseen of met verf, lak of olie. Bemonstering vindt plaats in het homogene produkt zoals dit in de landbouw zal worden afgezet. Per 5000 m3 verhandelbaar materiaal dient minimaal één bemonstering plaats te vinden. De bemonsteringsfrequentie bedraagt echter ten minste éénmaal per twee maanden. Voor afgewerkt substraat van champignon(producerende)bedrijven, de zogenoemde champost, geldt een minimale bemonsteringsfrequentie van eenmaal per jaar. Voor de resterende periode van 1992 dient in elk geval een bemonstering plaats te vinden. De bemonstering in bewegende stromen dient op systematische wijze uitgevoerd te worden, zodanig dat een opvangvat of -zak door de volle breedte van de vallende stroom wordt bewogen. Hierbij moet gewaakt worden voor invloed van luchtstromen. Per bemonstering dient men negen monsters van 1 kg elk te verzamelen. Deze negen monsters vormen negen afzonderlijke inzendmonsters. Statische bemonstering kan op twee navolgende wijzen geschieden. Methode I: De zijden van de partij worden denkbeeldig in strata verdeeld en uit ieder stratum wordt aselect een steekmonster van circa 1 kg genomen op een diepte van circa 1 meter loodrecht op het oppervlak. Daarvoor wordt eerst met een Edelmanboor (combinatietype, diameter 18
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.