BWBR0009295_2005-03-10_0 Regeling houdende toelatingseisen voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers Regeling toelatingseisen voertuigonde
§ 3
.1 Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen,
Artikel 10
1 Het retroreflecterend oppervlak van de retroreflector mag niet meer dan 7000 mm 2 Het oppervlak moet eenvoudig van vorm zijn en tevens zodanige afmetingen hebben dat het, inclusief montuur, onder te brengen is binnen een vierkant van 140 mm bij 140 mm. Artikel 11 De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 7 gestelde eisen. Tabel 7 Waarnemingshoek Invalshoek Lichtsterktecoëfficiënt exclusief ongekleurde spiegeleffecten horizontaal verticaal (in mcd/lux) 0°20' 0° 0° 1000 0°20' 0° 0° 700 0°20' +/- 20° 0° 400 Artikel 12 Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, ten minste nog aan de in de tabel 8 gestelde eis voldoen. Tabel 7 Waarnemingshoek Invalshoek Lichtsterktecoëfficiënt exclusief ongekleurde spiegeleffecten horizontaal verticaal (in mcd/lux) 0°20' 0° 0° 600 Artikel 13 Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, mag: a. de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen; b. in de retroreflector geen water waarneembaar zijn. Artikel 14 1 Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, wordt de kleur vastgesteld op de wijze zoals omschreven in onderdeel G van bijlage
- 2 De kleur van het retroreflecterende licht moet rood zijn en de gemeten kleurcoördinaten moeten zijn gelegen binnen het gebied dat wordt bepaald door de onderstaande trichromatische coördinaten (CIE-publikatie 15.
- van 1986): a. grens naar geel Y ó 0,335; b. grens naar purper Z ó 0,
- Artikel 15 1 De retroreflector moet deugdelijk kunnen worden bevestigd. 2 De voor een fiets bestemde retroreflector moet op tweewielige fietsen gemonteerd kunnen worden in de ruimte tussen bagagedrager en achterspatbord. 3 De bevestiging moet zodanig zijn uitgevoerd dat de ingestelde stand niet wijzigt als gevolg van bewegingen van het voertuig. 4 De bevestiging van de retroreflector mag, nadat een beproeving volgens onderdeel H van bijlage 1 is uitgevoerd, geen zichtbare corrosie vertonen. Artikel 16 1 Nadat de beproeving zoals vermeld in onderdeel H van bijlage 1 is uitgevoerd, wordt de sterkte beproefd volgens onderdeel I van bijlage
- 2 De hechting van het retroreflecterend materiaal moet zodanig zijn dat dit materiaal zonder gebruikmaking van gereedschap en zonder beschadiging niet kan worden verwijderd van de ondergrond. Artikel 17 Op de retroreflector moet: a. het fabrieks- of handelsmerk duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht; b. een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht. § 3.2 Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen Artikel 18 Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van re-troreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in ECE-reglement nr.
- Artikel 19 Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 27 gestelde eisen. Artikel 20 De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen: a. de breedte van de retroreflecterende cirkel mag niet meer dan 15 mm bedragen; b. het verschil tussen de grootste en de kleinste breedte van de retroreflec-terende cirkel mag niet meer bedragen dan 20% van de gemiddelde breedte; c. de retroreflecterende cirkel mag op niet meer dan 4 plaatsen onderbroken zijn: deze onderbrekingen mogen niet groter zijn dan 15 mm; indien dit in verband met de constructie noodzakelijk is, mag een van de onderbrekingen worden vergroot tot 50 mm; d. de binnendiameter van de retroreflecterende cirkel mag niet kleiner zijn dan de nominale velgdiameter verminderd met 150 mm. Artikel 21 1 De lichtsterktecoëfficiënt van de re-troreflector, te meten volgens de methode zoals omschreven in CIE-publikatie nr. 54 (TC 2-3) 1982, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 9 gestelde eisen. 2 De referentie-as voor de meting mag evenwijdig aan de as van het wiel worden verplaatst. 3 De verhouding tussen de hoogste en de laagste lichtsterkte-coëfficiënt, gemeten over bogen van 30° bij een waarnemingshoek van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 3:
- 4 De verhouding tussen de gemiddelde lichtsterktecoëfficiënten, gemeten over verschillende bogen van 30° bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 10:
- 5 De gemiddelde lichtsterktecoëfficiënt wordt bepaald door het wiel achter een opening met een boog van 30° zodanig te laten draaien dat een constante waarde wordt verkregen. Tabel 9 Waarnemingshoek à Invalshoek Lichtsterktecoëfficiënt met standaard l ß1 ß2 ichtbron A (in mcd/lux) 0°20' 0° +/- 5° >= 16 D 0°20' 0° +/- 20° >= 14 D 0°20' 0° +/- 40° >= 4,7 D 0°20' 0° +/- 50° >= 14 D 1°30' 0° +/- 5° >= 1,1 D 1°30' 0° +/- 20° >= 1,0 D 1°30' 0° +/- 40° >= 0,65 D 1°30' 0° +/- 50° >= 0,2 D D = binnendiameter retroreflecterend gedeelte in cm. Indien binnendiameter kleiner is dan 42 cm, wordt aangehouden: D =
- Artikel 22 Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van bijlage 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel
- Artikel 23 Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van bijlage 2 heeft ondergaan, mag: a. de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen; b. in de retroreflector geen water waarneembaar zijn. Artikel 24 1 Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van bijlage 2 heeft ondergaan, wordt de kleur vastgesteld op de wijze zoals omschreven in CIE-publikatie 15.2 van 1986, waarbij de retroreflector wordt aangestraald door een standaardlichtbron A. 2 De kleur van het retroreflecterende licht moet wit of geel zijn en de gemeten kleurcoördinaten moeten zijn gelegen binnen het gebied dat wordt bepaald door de in tabel 10 opgenomen trichromatische coördinaten. Tabel 10 X: 0,285 0,380 0,380 0,509 0,618 0,440 0,285 Y: 0,332 0,393 0,408 0,490 0,382 0,382 0,264 Artikel 25 1 De retroreflector moet deugdelijk aan het wiel kunnen worden bevestigd. 2 De bevestiging moet zodanig zijn uitgevoerd dat de ingestelde stand zal blijven gehandhaafd. 3 De bevestiging van de retroreflector mag nadat, een beproeving volgens onderdeel G van bijlage 2, is uitgevoerd geen zichtbare corrosie vertonen. Artikel 26 1 Nadat de beproeving volgens onderdeel G van bijlage 2 is uitgevoerd wordt de sterkte van de retroreflector beproefd aan de hand van onderdeel H van bijlage
- 2 De hechting van het retroreflecterend materiaal moet zodanig zijn dat dit materiaal zonder gebruikmaking van gereedschap en zonder beschadiging niet kan worden verwijderd van de ondergrond. Artikel 27 Op de retroreflector moet: a. het fabrieks- of handelsmerk duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht; b. een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht. § 3.3 Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen Artikel 28 Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in Richtlijn 76/757/EEG omtrent de retroreflector van Klasse I. Artikel 29 Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 30 tot en met 32 gestelde eisen. Artikel 30 De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 11 gestelde eisen voldoen. Tabel 11 Waarnemingshoek Invalshoek Lichtsterktecoëfficiënt exclusief ongekleurde spiegeleffecten horizontaal verticaal (in mcd/lux) 0°20’ 0° 0° 15 0°20’ 0° +/-25° 2 Artikel 31 Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van bijlage 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van bijlage 3, ten minste nog aan de in tabel 12 gestelde eis voldoen. Tabel 12 Waarnemingshoek Invalshoek Lichtsterktecoëfficiënt exclusief ongekleurde spiegeleffecten horizontaal verticaal (in mcd/lux) 0°20’ 0° 0° 10 Artikel 32 Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van bijlage 3 heeft ondergaan, mag: a. de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen; b. in de retroreflector geen water waarneembaar zijn. § 4 Eisen rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens,
Artikel 33De afgeknotte driehoek moet voldoen aan het bepaalde in ECE-reglement nr.
- Hoofdstuk 2 Mechanische koppelinrichtingen Artikel 34 Op mechanische koppelinrichtingen voor het koppelen van een aanhangwagen aan een driewielig motorrijtuig zijn de eisen van richtlijn 94/20/EG van overeenkomstige toepassing Hoofdstuk 3 Slotbepalingen Artikel 35 Met de in dit besluit vastgestelde technische normen of technische eisen dan wel geëiste onderzoeken worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, respectievelijk daaraan gelijkwaardige onderzoeken, vastgesteld, respectievelijk geëist door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. Artikel 36 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 november 1994, nr. R 186408, houdende toelatingseisen voor voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers (Stcrt. 229), wordt ingetrokken. Artikel 37 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 38 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Den Haag 17 maart 1998 De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink Bijlage 1 behorende bij paragraaf 3.1 (niet-driehoekige rode retroreflector A Meting lichtsterktecoëfficiënt 1 De lichtsterktecoëfficiënt wordt gemeten bij een waarnemingshoek van 0°20’. Wanneer bij het meten van de lichtsterkte-coëfficiënt een ongekleurd spiegeleffect optreedt mag de retroreflector over enkele graden worden verdraaid, om te voorkomen dat het meetresultaat door het spiegeleffect wordt beïnvloed. 2 De te meten retroreflector wordt bestraald door het licht van een lamp, ingesteld op een kleurtemperatuur van ongeveer 2850°K, gebundeld door een condensorlens, welke via een projectielens op de retroreflector wordt afgebeeld. 3 Een gedeelte van het geretroreflecteerde licht wordt ontvangen door een lichtgevoelige cel. 4 De retroreflector wordt opgespannen op een plaat, waarvan de positie ten opzichte van de opvallende lichtbundel door een draaiing om twee elkaar loodrecht snijdende assen nauwkeurig instelbaar is en opgesteld op een afstand van 10,00 m voor de lichtbron. 5 De lichtgevoelige cel moet in één richting ten opzichte van de aanstralende lichtbundel verplaatst kunnen worden teneinde de waarnemingshoek in te stellen. 6 Bij de meting wordt gebruik gemaakt van de meetapparatuur zoals bedoeld in ECE-Reglement nr.
- B Proef waterpenetratie De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt. C Brandstoffenproef voorzijde 1 Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het werkzame deel van de voorzijde wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een mengsel van benzine en benzol (verhouding 90:10). 2 Ten minste vijf minuten na het afwissen kan met de toetsing van de lichtsterktecoëfficiënt worden aangevangen. D Brandstoffenproef achterzijde Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien. 1 De lichtterugkaatsende achterzijde van de retroreflector, ontdaan van montuur en andere delen bestemd voor bescherming tegen atmosferische invloeden, wordt met een harde nylon borstel geborsteld en daarna gedurende één minuut goed nat gemaakt met een mengsel van benzine en benzol (verhouding 90:10). 2 Vervolgens wordt het mengsel verwijderd en laat men de retroreflector drogen. 3 Zodra de retroreflector geheel droog is, wordt de achterzijde met de harde nylon borstel geborsteld . 4 Vervolgens wordt het gehele oppervlak van de achterzijde bedekt met oostindische inkt. E Smeermiddelenproef voorzijde 1 Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen. 2 Ten minste vijf minuten na het afwissen kan met de toetsing van de lichtsterktecoëfficiënt worden aangevangen. F Warmteproef De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65° (waarbij een afwijking van 2° C is toegestaan). G Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht 1 Licht van een lamp met een kleurtemperatuur van ongeveer 2850°K passeert een aantal lenzen en verwisselbare kleurfilters en gaat vervolgens via de helft van een bepaalde lens naar het oog van een waarnemer. 2 Het door een retroreflector geretroreflecteerde licht wordt via een spiegel door de andere helft van genoemde lens naar het oog van de waarnemer gestuurd. Doordat de lenshelften zich voordoen als gelijkmatig verlichte helften van het in de apparatuur voorhanden gezichtsveld kan de kleur van het retroreflecterende licht vergeleken worden met de kleur van het licht dat via de verwisselbare kleurfilters op het oog aankomt. 3 Door een juiste keuze van de kleurfilters kan worden bepaald of de trichromatische coördinaten van het retroreflecterende licht zich binnen de toegelaten grenzen bevinden. H Corrosieproef 1 De retroreflector en de daarbij behorende bevestigingsmiddelen worden in totaal 50 uren blootgesteld aan de inwerking van een zoutnevel. Tussen twee beproevingsperioden, elk van 24 uur, vindt een onderbreking plaats van 2 uur waarin men de retroreflector laat drogen. 2 De zoutnevel wordt voortgebracht door bij een temperatuur van 35° ± 2°C een zoutoplossing te verstuiven, welke verkregen wordt door 5 gewichtsdelen keukenzout op te lossen in 95 gewichtsdelen gedistilleerd water dat niet meer dan 0,02% onzuiverheden mag bevatten. I Sterkte bevestiging 1 De sterkte van de bevestiging wordt vastgesteld volgens de methode zoals beschreven in SAE Standard (Society of Automative Engineers, gevestigd in New York, USA): ’Test for motor vehicle lightning devices and components’ - SAE J575e. 2 De meetapparatuur die wordt gebruikt is beschreven in SAE information report ’Vibration test machine’, SAE J
- Bijlage 2 behorende bij paragraaf 3.2 A Proef waterpenetratie 1 De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare delen en wordt daarna gedurende 10 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt. 2 Deze proef wordt herhaald nadat de retroreflector 180° is gedraaid, waarbij de achterzijde zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt. 3 Na de laatste periode van 10 minuten wordt de retroreflector gedurende 10 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan). B Brandstoffenproef voorzijde 1 Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het werkzame deel van de voorzijde wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in ’testbrandstof’ bestaande uit een volumemengsel van 70% n-heptaan en 30% tolueen. 2 Na 5 minuten wordt de retroreflector gereinigd met een reinigingsmiddel en daarna gespoeld in water. 3 Daarna wordt de retroreflector gedurende een uur geconditioneerd in de standaardatmosfeer. C Brandstoffenproef achterzijde 1 De achterzijde van de retroreflector wordt met een harde nylon borstel geborsteld en daarna wordt een katoenen doek, gedrenkt in ’testbrandstof’, bestaande uit een volumemengsel van 70% n-heptaan en 30% tolueen, gedurende 1 minuut op de achterzijde gelegd. 2 Vervolgens wordt de katoenen doek verwijderd en laat men de retroreflector drogen. 3 Zodra de retroreflector geheel droog is, wordt de achterzijde geborsteld met de harde nylon borstel. 4 Vervolgens wordt het gehele oppervlak van de achterzijde bedekt met Oostindische inkt. D Smeermiddelenproef voorzijde Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen. E Warmteproef 1 De retroreflector en de bijbehorende bevestigingsdelen worden gedurende 48 uren geconditioneerd in een droge atmosfeer bij een temperatuur van 65° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan) en daarna gedurende ten minste 1 uur in de standaardatmosfeer. 2 Na deze periode wordt de retroreflector gedurende 15 uren geconditioneerd bij een temperatuur van -20° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan) en daarna gedurende ten minste 2 uren in de standaardatmosfeer. F Proef bestandheid tegen inslag 1 De retroreflector, bevestigd op het wiel overeenkomstig de door de fabrikant aangegeven wijze, wordt gedurende 1 uur bij een temperatuur van -20° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan) geconditioneerd. 2 De retroreflector wordt onmiddellijk daarna in de standaardatmosfeer horizontaal geplaatst met het buitenoppervlak opwaarts gericht en beproefd door op de, gezien de constructie, meest ongunstige plaats van de retroreflector een gepolijst massieve stalen kogel met een diameter van 13 mm vanaf een hoogte van 0,76 m te laten vallen. G Corrosieproef 1 De retroreflector en de daarbij behorende bevestigingsdelen worden gedurende 2 perioden van elk 24 uren beproefd, op de wijze zoals bepaald in de Internationale Standaard ISO 3768 van 1 november
- 2 De retroreflector wordt tussen de twee perioden van 24 uren gedurende 2 uren gedroogd in de standaardatmosfeer. 3 Na de tweede periode van 24 uren wordt de retroreflector gedurende 1 uur gedroogd in de standaardatmosfeer. H Proef sterkte bevestiging 1 De retroreflector wordt op het wiel bevestigd overeenkomstig de door de fabrikant aangegeven wijze. 2 Een kracht van 10 N wordt afzonderlijk in radiale richting en in beide axiale richtingen uitgeoefend op de, gezien de constructie, meest ongunstige plaats van de retroreflector. 3 Nadat de kracht is weggenomen mag de verplaatsing van de optische as niet meer dan 5° bedragen. 4 Het verschil tussen de grootste en de kleinste diametraal gemeten afstand van de retroreflector mag na de proef niet meer bedragen dan 10% van de gemiddelde afstand. 5 De retroreflector wordt tevens bevestigd en beproefd zoals bepaald in paragraaf 10.2.
- van de International Standaard ISO 6742/1 van 1 maart
- Bijlage 3 behorende bij paragraaf 3.3 A Meting lichtsterktecoëfficiënt 1 De lichtsterktecoëfficiënt wordt gemeten bij een waarnemingshoek van 0°20’. Wanneer bij het meten van de lichtsterkte-coëfficiënt een ongekleurd spiegeleffect optreedt, mag de retroreflector over enkele graden worden verdraaid om te voorkomen dat het meetresultaat door het spiegeleffect wordt beïnvloed. 2 De te meten retroreflector wordt bestraald door het licht van een lamp, ingesteld op een kleurtemperatuur van ongeveer 2850°K, gebundeld door een condensorlens, welke via een projectielens op de retroreflector wordt afgebeeld. 3 Een gedeelte van het geretroreflecteerde licht wordt ontvangen door een lichtgevoelige cel. 4 De retroreflector wordt opgespannen op een plaat, waarvan de positie ten opzichte van de opvallende lichtbundel door een draaiing om twee elkaar loodrecht snijdende assen nauwkeurig instelbaar is en opgesteld op een afstand van 10,00 m voor de lichtbron. 5 De lichtgevoelige cel moet in één richting ten opzichte van de aanstralende lichtbundel verplaatst kunnen worden teneinde de waarnemingshoek in te stellen. 6 Bij de meting wordt gebruik gemaakt van de meetapparatuur zoals bedoeld in ECE-Reglement nr.
- B Proef waterpenetratie De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.