← Nederland

Besluit Protocollen hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999

BWBR0010209_2005-10-02_0 Besluit Protocollen hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999 Besluit Protocollen hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999 Het Bestuur van het Produktschap van Pluimvee en Eieren heeft, gelet op de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999, op 13 januari 1999 vastgesteld het navolgende BESLUIT Artikel 1 Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999, over. Artikel 2 Ten aanzien van de aanwezigheid en het gebruik van drinkwatersystemen op kalkoenbedrijven dienen de voorschriften die zijn gesteld in het in bijlage I opgenomen Protocol in acht worden genomen. Artikel 3 Ieder bedrijf dat hygiëne-onderzoeken, onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter in de stal op pluimveebedrijven en/of kuikenbroederijen of drinkwateronderzoeken verricht en dat erkend wil worden door de Voorzitter, dient te voldoen aan de eisen van het in bijlage II opgenomen Protocol. Artikel 4 Ieder bedrijf dat hygiëne-onderzoeken op kalkoenbedrijven verricht en dat erkend wil worden door de Voorzitter dient het hygiëne-onderzoek uit te voeren volgens de voorschriften van het in bijlage III opgenomen Protocol. Artikel 5 Ieder bedrijf dat onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter in de stal op kalkoenbedrijven verricht en dat erkend wil worden door de Voorzitter dient het onderzoek uit te voeren volgens de voorschriften van het in bijlage IV opgenomen Protocol. Artikel 6 1 Laboratoria die erkend willen worden, als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de verordening, dienen te voldoen aan de in Bijlage V opgenomen erkenningsvoorwaarden. Erkende laboratoria dienen de analyse van de monsters uit te voeren overeenkomstig de voorschriften opgenomen in Bijlage V. 2 Ieder bedrijf dat ontsmettingswerkzaamheden op kalkoenbedrijven en/of kalkoenkuikenbroederijen verricht dient een professioneel ontsmettingsbedrijf te zijn. Artikel 7 De door het Bestuur in Bijlage VI aangewezen instantie(

  1. s)is (zijn) belast met de controle op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999. De Voorzitter kan aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop de in de vorige zin bedoelde controle dient plaats te vinden. Artikel 8 1 Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit Protocollen hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999". 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999. Voor het Bestuur, R.J. Tazelaar voorzitter S.B.M. Jongerius secretaris Bijlage I : Voorschriften drinkwateronderzoek A Omschrijvingen A.1 Gesloten drinkwatersysteem Een gesloten drinkwatersysteem heeft een reduceerventiel, vlotterbak of een voorraadtank en is verder gesloten tot aan de nippels, cups of torens. Voor het toedienen van medicijnen mag hierop een dosator, voorraad- of mengvat worden aangesloten. Deze dienen echter wel voorzien te zijn van een goed sluitende deksel. Tevens mogen er geen andere open verbindingen zijn. Kort samengevat moet de drinkwateraanvoerlijn tot aan het drinkpunt in de stal gesloten zijn. A.2. Open drinkwatersysteem Een open drinkwatersysteem maakt gebruik van vlotterbakken of voorraadtanken, die geen goed sluitende deksel en/of andere open verbindingen hebben. B. Drinkwatersystemen PLAATJE INVOEGEN C Tabellen verplichte onderzoeken C.1 Tabel 1: Chemisch onderzoek analyse norm zuurgraad (pH) tussen 4 en 9 hardheid max. 20 ° D ijzergehalte (Fe) max. 2,5 mg/l nitriet max. 1,0 mg/l mangaan (Mn) max. 2,0 mg/l C.2 Tabel 2: Microbiologisch onderzoek analyse norm totaal kiemgetal max. 100.000 kve/ml E. coli max. 100 kve/ml D Acties bij afwijkingen Wanneer het drinkwateronderzoek niet voldoet aan de gestelde normen, dienen de volgende maatregelen te worden genomen in ieder geval direct na het afleveren van het koppel kalkoenen: D1 Chemisch onderzoek Wanneer het drinkwateronderzoek niet voldoet aan de chemische normen, dienen passende maatregelen worden genomen, waarna opnieuw een drinkwateronderzoek moet plaatsvinden, waaruit blijkt dat het water nu wel aan de norm voldoet. D2 Bacteriologisch onderzoek Wanneer het drinkwateronderzoek niet voldoet aan de bacteriologische norm, dient het drinkwatersysteem te worden gereinigd en gedesinfecteerd. Bijlage II : Erkenningsvoorwaarden betreffende uitvoering hygiëne-onderzoek en/of onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter in kalkoenstallen en/of drinkwateronderzoek op kalkoenbedrijven A Algemene voorwaarden A1. Het bedrijf dient blijk te geven van goed management en dient zodanig te zijn georganiseerd dat het vermogen om haar werkzaamheden op goede wijze te vervullen, op peil blijft. Tevens dient de eigenaar/beheerder volledige medewerking te verlenen aan de erkennings- en toezichtswerkzaamheden, die in het kader van deze regeling worden uitgevoerd. A2. Per bedrijf dient minstens één persoon op direktie-niveau of een direktie-gedelegeerde en liefst zonder produktie-verantwoordelijkheid, verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van deze regeling. Het dient aannemelijk gemaakt te worden dat deze persoon, hetzij door opleiding, hetzij door ervaring, in staat is om deze taak te vervullen. A3. Het bedrijf dient over een door het Productschap goedgekeurd kwaliteitsbeheersingssysteem te beschikken, dat is vastgelegd in een handboek of kwaliteitsdocumentatie. Dit systeem dient tenminste de volgende onderdelen te bevatten: doelstelling en relevante eisen voor hygiëne-onderzoek beschrijving van taken/verantwoordelijkheden van alle betrokken funkties en de hiërarchische structuur (organisatieschema) van het bedrijf beschrijving van het administratieve systeem (procedures) m.b.t. monstername en onderzoek in het kader van deze regeling beschrijving van de interne kwaliteitsborging monstername en laboratorium-onderzoek procedures voor het beheer van het handboek A4. Het bedrijf heeft behoudens de normale “opdrachtgever-uitvoerder” relatie geen andere banden, in welke vorm dan ook met de partijen waar hygiëne-onderzoek wordt uitgevoerd. Dit houdt in dat het bedrijf geen deel mag uitmaken van enige organisatie die belangen heeft bij de te controleren partij. Maatregelen moeten zijn genomen om zekerheid te verschaffen dat partijen buiten het bedrijf de resultaten van de uitgevoerde monstername niet kunnen beïnvloeden. Haar medewerkers moeten vrij zijn van enige commerciële, financiële of andere druk die de uitvoering van hun werkzaamheden zouden kunnen beïnvloeden. Deze controle-werkzaamheden worden steeds gescheiden uitgevoerd van de overige, al dan niet aanverwante aktiviteiten van het bedrijf. Het verband tussen deze aktiviteiten dient duidelijk te worden beschreven. A5. Personeel belast met de uitvoering van de monsternames en/of het laboratoriumonderzoek, beschikken over de juiste technische kwalificaties, de nodige opleiding, scholing en ervaring alsmede over voldoende kennis van de voorschriften nodig om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Voor wat betreft het uitvoeren van de monsternames dient het personeel de PVE- basiscursus “Monstername hygiëne-onderzoek” te hebben gevolgd of een gelijkwaardige opleiding. A6. Het bedrijf moet over een opleidingssysteem beschikken, zodanig dat verzekerd is dat de opleiding van de medewerkers met betrekking tot de technische aspecten van het werk aan de eisen blijft voldoen. B Bijzondere voorwaarden B1 Monstername hygiëne-onderzoek B1.1 De uitvoering van de werkzaamheden dient te gebeuren overeenkomstig de voorschriften voor bemonsteringen en laboratoriumwerkzaamheden zoals vastgesteld in bijlage III. B1.2 De monsters worden direkt na monstername van een unieke identificatie voorzien ten einde te voorkomen dat erop enig moment verwarring kan ontstaan omtrent de identiteit van de monsters. Een beschrijving van het toegepaste identificatiesysteem moet beschikbaar zijn. B1.3 Het bedrijf dient over op schrift gestelde procedures en/of voorschriften te beschikken voor ontvangst, opslag, behandeling en verwijdering van monsters. De behandeling van monsters moet te allen tijde zodanig zijn dat hun conditie zo goed mogelijk onveranderd blijft. B2 Monstername stalhygiëne-onderzoek na een Salmonella- en/of Campylobacterbesmetting B2.1 De uitvoering van de werkzaamheden dient te gebeuren overeenkomstig het werkvoorschrift voor het nemen van swabmonsters in kalkoenstallen, zoals beschreven in bijlage IV. B2.2 Het bedrijf dient in overleg met de kalkoenhouder een afspraak te maken voor het uitvoeren van de monstername. B2.3 De swabmonsters worden direkt na monstername van een unieke identificatie voorzien ten einde te voorkomen dat erop enig moment verwarring kan ontstaan omtrent de identiteit van de monsters. Een beschrijving van het toegepaste identificatiesysteem moet beschikbaar zijn. B2.4 Het bedrijf dient over op schrift gestelde procedures en/of voorschriften te beschikken betreffende de te nemen beschermende maatregelen; de ontvangst, opslag, behandeling en verwijdering van de swabmonsters. De behandeling van de monsters moet te allen tijde zodanig zijn dat hun conditie zo goed mogelijk onveranderd blijft. B3 Laboratorium-onderzoek B3.1 Het bedrijf dient via een kwaliteitsborgings-systeem gebaseerd op de eisen vervat in de norm EN45001 aantoonbaar te maken dat het uitvoeren van monstername en analyse op zodanige wijze gebeurt dat de betrouwbaarheid van de geproduceerde resultaten op een voldoende niveau wordt beheerst en geborgd. Dit wordt voldoende aantoonbaar gemaakt, indien het bedrijf een van de volgende erkenningen heeft: STERLAB, ISO9002, Labcode van het Productschap Diervoeder. De monstername en/of het laboratoriumonderzoek moeten deel uitmaken van het erkenningsgebied. B3.2. Indien het bedrijf wel de monstername verzorgt, maar de analysewerkzaamheden uitbesteedt, dient het bedrijf er voor te zorgen dat dit gebeurt bij een laboratorium dat voor de betreffende analyse een erkenning heeft (STERLAB, ISO-9000 voor laboratoria, LABCODE van het Productschap Diervoeder). B4 Administratie B4.1 Het bedrijf dient een duidelijke en volledige administratie te voeren. Deze administratie dient tenminste het volgende te omvatten. alle correspondentie betreffende het verzoek tot uitvoeren van een monstername alle registraties van waarnemingen, ongeacht de vorm (ruwe data) alle eventueel gemaakte berekeningen en afgeleide gegevens het eindrapport, incl. eventuele aanvullingen en/of wijzigingen voorschriften bemonsteringen en laboratoriumwerkzaamheden voor hygiëne- onderzoek. resultaten interne kwaliteitscontroles (ring-onderzoek e.d.) uitgevoerd door het bedrijf en de resultaten van eventuele herstelakties. B4.2 Het bedrijf heeft een systeem voor het bewaren van alle relevante gegevens. De gegevens moeten voldoende zijn om de uitgevoerde monstername op hun waarde te beoordelen. Deze informatie dient tot minimaal 2 jaar na uitvoering beschikbaar te blijven. Bijlage III : Uitvoering hygiëne-onderzoeken De werkwijze die in dit voorschrift is vastgelegd, heeft enkel betrekking op het gebruik van Rodac-plaatjes met een doorsnede van circa 5,5 cm. Wanneer andere methoden met agar gebruikt worden, dient hiervoor een afgeleid voorschrift vooraf ter goedkeuring aan het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) worden voorgelegd. 1 Bemonsteringen a Te gebruiken materialen. 1 Agar Plate count agar (PL-agar) voor totaal koloniegetal telling. Aangezien er restanten ontsmettingsmiddel op de te bemonsteren oppervlakken aanwezig kunnen zijn, dienen ter inactivering hiervan aan deze agar de volgende stoffen in de aangegeven hoeveelheden per liter te worden toegevoegd: Nutrient Broth no. 2 25 gram Agar 16 gram Natriumthiosulfaat 0,5 gram Tween 80 1 ml Ammoniumcarbonaat 1 gram Lecithine 2 gram L-Histidine 1 gram 2 Vullen Deze agar dient in steriele Rodac-plaatjes te worden gegoten en wel zodanig dat de het volledige plaatje vult met een bolle spiegel. De datum waarop de plaatjes zijn aangemaakt dient op elke verpakking aangegeven te worden, tenzij door de fabrikant op elke verpakking een "THT-datum" vermeld wordt, die aangeeft tot wanneer de Rodac-plaatjes uiterlijk te gebruiken zijn. 3 Opslag De in voorraad klaargemaakt Rodac-plaatjes moeten worden opgeslagen bij een temperatuur tussen 0°C en 20°C. Tocht en temperatuurschommelingen moeten voorkomen worden. De plaatjes dienen altijd met de agar aan de bovenzijde te worden geplaatst. De op voorraad klaargemaakte Rodac-plaatjes kunnen niet meer gebruikt worden wanneer: zij bewaard zijn geweest bij een temperatuur lager dan 0 ° C of hoger dan 25°C, of er condensvorming is opgetreden aan de binnenzijde van de plaatjes, of wanneer de plaatjes geopend zijn geweest en daarna weer gesloten zonder dat direct afdrukken gemaakt zijn, of wanneer er groei op de agar waar te nemen is, of wanneer de plaatjes langer dan 30 dagen geleden zijn aangemaakt, tenzij de door de fabrikant vermelde "T.H.T.-datum" nog niet is verstreken, of wanneer het plaatje een breuk bevat of gebroken is. 4 Codering Elk individueel plaatje is vooraf voorzien van het nummer of wordt voorafgaand aan het afdrukken voorzien van het nummer dat correspondeert met de bemonsteringsplaats, zoals aangegeven in de bijlage 1a, blad 2 of 1b, blad 2. b Monstername. 1. De monsternemer dient zich ervan te vergewissen dat de juiste materialen worden gebruikt. 2. Neem hygiënische en beschermende maatregelen voordat de stal betreden wordt. Gebruik bedrijfskleding, hokschoeisel en eventueel een gasmasker. 3. Wanneer een ruimte moet worden bemonsterd die daarvoor gedesinfecteerd is, mag het hygiëne-onderzoek pas worden uitgevoerd nadat de ruimte minstens twee uur isgelucht. 4. Invullen formulier "Hygiëne-onderzoek": kies het formulier voor het betreffende staltype (bijlage 1.a, 1.b). De visuele beoordeling dient u op het formulier aan te geven. Indien u bepaalde onderdelen als "slecht" beoordeelt, dient u aan te geven welke bemonsteringsplaatsen dit betreft. 5. Bemonstering: na de visuele beoordeling dienen de bemonsteringen te worden uitgevoerd conform het "Bemonsteringsschema hygiëne-onderzoek" van bijlage 1.a, blad 2, bijlage 1.b, blad 2 (al naar gelang het staltype). Open na aankomst op het bedrijf, maar voor het betreden van de stal het pakje met Rodac-plaatjes. Neem vervolgens het dekseltje van het plaatje en inspecteer het oppervlak van het Rodac-plaatje. Het plaatje wordt niet gebruikt indien één van de punten, zoals vermeld bij 1.a.3 aan de orde is. Tevens geldt dat natte plekken niet worden bemonsterd. Nummer de plaatjes en neem vervolgens de monsters. Druk het plaatje met agar één keer met telkens gelijke druk gedurende 15 seconden op het te onderzoeken oppervlak. De agar mag hierbij niet met de handen aangeraakt worden en het afdrukken mag niet met een draaiende beweging gebeuren. Plaats daarna het dekseltje terug. Draai het Rodac-plaatje om en plaats het met de agar aan de bovenzijde in een beschermend omhulsel. 6. Naast de hiervoor genoemde bemonsteringen, dient één plaatje niet bemonsterd te worden (negatief monster) en één plaatje binnen de "poort van het bedrijf", maar buiten de stal (positief monster). De analyse van deze twee plaatjes dienen als referentie voor de stalmonsters. De uitslagen van deze monsters dienen op het hiervoor bestemde formulier vermeld te worden. c Vervoer van de afdrukken naar het laboratorium. 1. Verpak en vervoer de plaatjes dusdanig dat zij niet herbesmet kunnen worden. Bijlage 1.a , blad 2 "Bemonsteringsschema hygiëne-onderzoek in grondstallen" De delen van de stal die bemonsterd moeten worden, worden hierin beschreven. Iedere afzonderlijke bemonsteringsplaats dient zo goed mogelijk de gemiddelde situatie van het betreffende staldeel te weerspiegelen. Het is niet toegestaan hiervan afwijkende plaatsen te bemonsteren. Natte plekken worden niet bemonsterd. De stal wordt in de lange zijde in zes gelijke delen verdeeld (A t/m F) en overlangs in drie gelijke delen (1 t/m 3). Zie hiervoor het schema. Na bebroeding van de monsters worden de resultaten per bemonsteringsplaats op het formulier van blad 1 van deze bijlage vermeld. De bij punt 1 t/m 8 genoemde monsternummers corresponderen met de nummers vermeld op het formulier. 1. Van elk deel A t/m F wordt een afdruk van de vloer gemaakt, die genummerd zijn van 1.1 t/m 1.6. 8. Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 8.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd. Schema: A B C D E F 1 2 3 Bijlage 1.b blad 1 "Hygiëne-onderzoek in roosterstallen en volièrestallen" Ondernemer : reinigingsmiddel gebruikt: ja/nee* Bedrijfsadres : ontsmettingsmiddel gebruikt: ja/nee* Postcode/plaats : naam ontsm.middel:......................... hoknummer : duur ontsmetting:............................... monsternemer en temperatuur ontsmetting:................. naam organisatie : datum bemonstering : naam ontsm.bedrijf/zelf:................... Visuele beoordeling: goed/matig/voldoende/slecht (doorhalen wat niet van toepassing
  2. is)Indien de visuele beoordeling als slecht wordt beoordeeld, dient u met kruisjes in het onderstaande schema de bemonsteringsplaatsen aan te geven waarop dit betrekking heeft. U dient wel een hygiëne-onderzoek uit te voeren. Controle bemonsteringen Uitslag Positief monster Negatief monster bemonsteringsplaatsen 1 2 3 4 5 6 1 vloer nvt nvt 2 rooster nvt nvt nvt nvt 3 voersysteem nvt nvt nvt 4 drinksysteem nvt nvt nvt 5 wand nvt nvt nvt nvt 6 plafond nvt nvt nvt nvt 7 inlaat binnen nvt nvt nvt nvt nvt 8 voerhopper nvt nvt nvt nvt nvt 9 voorruimte nvt nvt nvt nvt nvt Wanneer in de roosterstal leggende hennen gehouden gaan worden, worden ook de volgende plaatsen bemonsterd: 10 legnest nvt nvt nvt 11 eierbewaarlokaal nvt nvt nvt nvt nvt UITSLAG: ........ De uitslag wordt bepaald door de som van de afzonderlijke monsters te delen door het aantal genomen monsters. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Deze uitslag is alleen geldig indien voorzien van een stempel van het laboratorium en handtekening. Bijlage 1.b , blad 2 "Bemonsteringsschema hygiëne-onderzoek in roosterstallen en volièrestallen" De delen van de stal die bemonsterd moeten worden, worden hierin beschreven. Iedere afzonderlijke bemonsteringsplaats dient zo goed mogelijk de gemiddelde situatie van het betreffende staldeel te weerspiegelen. Het is niet toegestaan hiervan afwijkende plaatsen te bemonsteren. Natte plekken worden niet bemonsterd. De stal wordt in de lange zijde in zes gelijke delen verdeeld (A t/m F) en overlangs in twee gelijke segmenten (1 en 2). Zie hiervoor het schema. Na bebroeding worden de resultaten per bemonsteringsplaats op het formulier van blad 1 van deze bijlage vermeld. De bij punt 1 t/m 11 genoemde monsternummers corresponderen met de nummers vermeld op het formulier. 1 Van elk deel ABC en DEF worden twee afdrukken van de vloer gemaakt, die genummerd zijn van 1.1. t/m 1.4. De monsters zijn, indien mogelijk, gelijkelijk verdeeld over ABC en DEF. 2 Van elk deel ABC en DEF wordt één afdruk van het rooster gemaakt, die genummerd zijn als en 2.2. 3 Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het drinkwatersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3. 4 Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het drinkwatersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3. 5 Van elk deel 1 en 2 wordt een afdruk gemaakt van de wand (van één van de twee kopse kanten, tussen 1 en 2 meter hoogte)) die genummerd zijn als 5.1. en 5.2. 6 Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 6.1 en 6.2. 7 Van deel 1 of 2 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd is als 7.1. 8 Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 8.1. 9 Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 9.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd Wanneer in de roosterstal leggende hennen gehouden gaan worden, worden ook de volgende plaatsen bemonsterd: 10 Van elk deel AB, CD en EF wordt één afdruk gemaakt van een legnest, waarbij twee afdrukken worden gemaakt in segment 1 en één afdruk in segment 2, die genummerd zijn van 10.1 t/m 10.3 11 Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van het eierbewaarlokaal een afdruk gemaakt, die genummerd is als 11.1. De uitslag van het eierbewaarlokaal wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijk eierbewaarlokaal, wordt het eierbewaar-lokaal niet bemonsterd. Schema: A B C D E F 1 2 Bijlage IV : Uitvoering onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter Doel Het onderzoek is bedoeld voor de controle van kalkoenstallen op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter na reiniging en ontsmetting. Benodigdheden wattenstaafjes pepton/fysiologisch zoutoplossing plastic potten of individuele verpakkingen etiketten plastic handschoenen Werkwijze bemonstering Algemeen De te onderzoeken ruimte dient na een ontsmetting volledig afgesloten te zijn. De duur van de periode dat de ruimte afgesloten moet blijven is afhankelijk van het gebruikte ontsmettingsmiddel. Wanneer een ruimte moet worden bemonsterd die daarvoor gedesinfecteerd is, mag het hygiëne-onderzoek pas worden uitgevoerd nadat de ruimte minstens twee uur is gelucht. Neem beschermende maatregelen voordat de stal betreden wordt (gasmasker) Aantal en locaties te nemen monsters Voor salmonella- of campylobacteronderzoek moeten 2 x 25 swabs per stal worden genomen. De swabmonsters moeten in ieder geval genomen worden op de locaties die per stalsoort staan beschreven in bijlage III: ”Uitvoering hygiëne-onderzoek”. De overige monsters worden evenredig over de stal en de daarbij behorende ruimtes genomen en wel op plaatsen waar het op het oog niet geheel schoon lijkt. Uitvoering monstername Bevochtig een wattenstaafje in pepton/fysiologisch zout oplossing Strijk met het wattenstaafje over het te bemonsteren oppervlak ter grootte van een Rodac-plaatje (5,5 cm), indien mogelijk op een op het oog niet geheel schoon oppervlak. Plaats het wattenstaafje in een plastic pot en breek het bovenste deel van het stokje af (daar waar de handen het stokje hebben geraakt), of plaats de swab terug in de individuele verpakking. Herhaal dit met de andere wattenstaafjes. Plaats maximaal 25 wattenstaafjes in één pot. Sluit iedere pot direct na het vullen af. Voorzie de pot van een etiket met daarop minimaal de volgende gegevens: monsterdatum, KIP-nummer en stalnummer. Verzending monsters Vervoer van de swabs naar het laboratorium moet plaatsvinden zoals beschreven in bijlage III: ”Uitvoering hygiëne-onderzoek”. Indien de status voor gebruik in steriel water worden gedoopt en na bemonstering van de stal in een potje worden gestopt mag er maximaal 48 uur tussen bemonstering en ontvangst op het laboratorium zijn. Analyse van de monsters moet plaatsvinden op door een de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium. Analyse Voor de analyse op het laboratorium wordt voor Salmonella verwezen naar de “PVE branchemethode voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces en nekvellen afkomstig van pluimvee” en voor Campylobacter “Bepaling van de aan- of afwezigheid van thermofiele Campylobacter spp. in mestmonsters, blindedarmmonsters en nekvellen afkomstig van vleeskuikens” die in bijlage V bij dit besluit zijn opgenomen. Bijlage V : Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria die de analyses van monsters op de aan- of afwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter uitvoeren. A. voor 1 juli 2000 dienen de laboratoria in het bezit te zijn van een STERLAB erkenning voor de door de branche opgestelde analyse methodes voor de bepaling van Salmonella en Campylobacter. Dat wil zeggen dat het laboratorium met ingang van deze datum over een STERLAB-erkenning moet beschikken die door de Raad voor Accreditatie te Utrecht (hierna te noemen RVA) wordt verleend, waaronder tenminste de bepaling van Salmonella in de matrix mest volgens de door de branche opgestelde analyse methode valt. B. voor laboratoria die in het buitenland zijn gevestigd zal geen Nederlandse STERLAB- erkenning vereist zijn maar een gelijkwaardige erkenning van het betreffende land. C. de laboratoria dienen voor de bepaling van Salmonella en Campylobacter gebruik te maken van door de branche opgestelde analyse methodes. De analyse methodes zijn bij dit besluit opgenomen. Aangezien de RVA alleen vastgelegde en breed geaccepteerde analysemethoden accrediteert, voor Salmonella en Campylobacter zijn dat in principe de ISO- methodes, dienen de branche-methodes van een validatie rapport te worden voorzien. Het Productschap draagt zorg voor deze validatie rapporten zodat de RVA het gebruik van deze methodes bij de laboratoria kan goedkeuren. D. alle laboratoria dienen mee te doen met het halfjaarlijks Salmonella-ringonderzoek dat opdit moment door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne te Bilthoven (hierna te noemen RIVM) verzorgd wordt. Zodra een ringonderzoek voor Campylobacter is opgezet, dient een laboratorium ook aan dit ringonderzoek mee te doen. E. het laboratorium verstrekt het Productschap elk kwartaal een overzicht waarop is aangegeven hoeveel koppels of hoeveel analyses door het betreffende laboratorium zijn onderzocht respectievelijk zijn uitgevoerd. Tevens geeft het laboratorium aan hoeveel koppels of analyses hiervan positief waren. PVE Branchemethode voor het aantonen van salmonella in dons, faeces en nekvellen afkomstig van pluimvee 1 Onderwerp Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces (mest) en nekvellen afkomstig van pluimvee. De Raad voor Accreditatie heeft de methode goedgekeurd voor de matrix mest. 2 Definities Salmonella: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze. Detectie van Salmonella: bepalen van de aan- of afwezigheid van deze micro-organismen als het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de beschreven werkwijze. 3 Principe Na voorincubatie van de te onderzoeken matrix in een voorophopingsmedium, wordt geënt op een half-vast medium, waarna wordt afgestreken op een selectief isolatiemedium. 4 Reagentia en andere materialen Alle gebruikte grondstoffen en het gedestilleerde water moeten van analysekwaliteit zijn. Niet-selectief voorophopingsmedium gebufferd pepton water BPw bijlage 1.1 Selectief ophopingsmedium modified semi-solid Rappaport-Vassiliadis medium MSRV bijlage 1.2 Selectieve agar briIjant groen agar BGA bijlage 1.3 Bevestigingsmedia ureumagar UA bijlage 1.4 triple-sugar-ironagar TSI bijlage 1.5 lysine-decarboxylase medium LDC bijlage 1.6 Salmonella polyvalent agglutinatie serum De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1. Er mag echter ook gebruik gemaakt worden van media die commercieel verkrijgbaar zijn. 5 Apparatuur en glaswerk Gebruikelijke apparatuur en glaswerk voor een microbiologisch laboratorium en in het bijzonder de onderstaande: Opmerking: Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast. 5.1. Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ° C ± 1 ° C 5.2. Broedstoof voor het bebroeden bij 42 ° C ± 0,5 ° C 5.3. Waterbad ingesteld op 47 ° C ± 2 ° C 5.4. Steriele entnaalden met een oog met een diameter van ca. 3 mm. 5.5. Steriele pipetten met een schaalverdeling van 0,1 ml en een meetvolume van 1 ml. 5.6. Petrischalen met een middellijn van ca. 9 cm. 5.7. Cultuurbuizen van 17/18 x 150 mm en van 8 x 160 mm. 6 Werkwijze De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na de datum van monstername is verstreken. Voorbehandeling van het monster Verdun het monster 1:10 in BPw. In de volgende tabel1standaard monsters in 225 ml BPw mag ook uitgevoerd wordden. Het gaat er om dat er minimaal een 1:10 verdunning gemaakt worden. Een ruimere verdunning dan 1:10 is toegestaan, een kleinere verdunning dan 1:10 is niet toegestaan. is ter illustratie de relatie tussen de verschillende monsterhoeveelheden en het volume BPw weergegeven: aantallen (hoeveelheid mest (circa)) BPw type monster 5 gram (5 gram) 45 ml dons (kalkoen) 150 ml (2,5 gram) 22,5 ml houtwol (kalkoen) 300 ml (5 gram) 45 ml houtwol (kalkoen) 2x 15 swabs (7,5 gram) 67,5 ml swabs 2 paar (10 gram) 90 ml overschoentjes 6x 25 swabs (12,5 gram) 112,5 ml swabs 2x 30 swabs (15 gram) 135 ml swabs 30 swabs (15 gram) 135 ml blinde darmmest 25 gram (25 gram) 225 ml dons/eindproduct 30 monsters (30 gram) 270 ml nekvellen 40 stukjes (60 gram) 540 ml inlegvellen Incubeer de potten BPw 18 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C. Beënting en bebroeding Breng 0,1 mI BPw-cultuur op een MSRV plaat (bij 9 cm platen 3 druppels, met een gezamenlijk volume van 0,1 ml in een driehoek en bij meervaksplaten 0,1 ml als één druppel). Incubeer de platen 1 x 24 ± 2 uur bij 42 ° C ± 0,5 ° C. De platen moeten met het deksel van de petrischaal naar boven geïncubeerd worden, aangezien het een half-vast medium is. Niet verdachte of negatieve platen dienen nogmaals 1 x 24 ± 2 uur bij 42 ° C ± 0,5 ° C bebroed te worden. Een verdachte MSRV-plaat vertoont groei in de agar (zwerming vanuit de entingsplaats) en heeft een wit/grijze kleur. Verdachte platen worden afgeënt door aan de rand van de zwermzone met een öse materiaal uit de agar te nemen en daarmee een gedroogde BGA plaat te beënten. Incubeer deze platen gedurende 24 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C. Beoordeling Controleer de bebroede BGA-platen op de vorming van roze kolonies. Dergelijke kolonies worden als ‘vermoedelijk positief’ aangemerkt. Bevestiging Voor de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 specifieke kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 specifieke kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur totdat een positief resultaat wordt verkregen. De kolonies worden vanaf de BGA plaat geënt in UA middels het afstrijken op het oppervlak van de agar en in TSI middels ladderen over het schuingestolde oppervlak en een steekenting tot op de bodem van de buis. Beënt tevens een buis LDC door een hoeveelheid koloniemateriaal tegen de wand van de buis net onder het vloeistof oppervlak af te strijken. De buizen worden 24 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C geïncubeerd. Opmerking : Wanneer geen goed losliggende kolonies op de BGA plaat zijn verkregen of bij de aanwezigheid van veel spreidende of overgroeiende stoorflora is het nodig ter zuivering een nieuwe reinstrijk op een gedroogde BGA- of nutriëntenagarplaat te maken. Bij verontreiniging van de Salmonella- kolonie met andere bacteriën wordt een afwijkend biochemisch patroon verkregen. Het is toegestaan om eerst de bevestigingstest met de TSI uit te voeren, en bij een verdachte uitslag door te gaan met ureum en LDC. Na incubatie geven voor Salmonella verdachte kolonies de volgende biochemische resultaten: TSI agar onderin de buis - geel - glucose positief (100%) - zwart - vorming van H 2 S (91,6%) - bellen/scheuren - gasvorming van glucose (91,9%) schuine gedeelte - rood/onveranderd - lactose en/of sucrose negatief (resp. 99,2% en 99,5%) Ureum agar - geen kleuromslag van het medium - negatief (100%) LDC - paarse kleur en groei in medium - positief (94,6%) Het gebruik van biochemische kits (zoals API, Crystal) is ook toegestaan. Biochemisch verdachte kolonies dienen serologisch bevestigd te worden met een polyvalent serum. Dit werkvoorschrift is opgenomen in bijlage 3.1. De totale beoordeling van biochemische en serologische resultaten is als volgt: Biochemische reacties Auto-agglutinatietabel Agglutinatie met serum Werkwijze / Resultaat pos neg pos Salmonella pos neg neg RIVM pos pos -- RIVM Indien een stam alleen biochemisch verdacht is, wordt deze opgestuurd naar het RIVM. Een andere mogelijkheid is het inzetten van een zogenaamde ‘lange bonte rij’ of een biochemische kit. Op het resultaat van het RIVM hoeft niet gewacht te worden, alvorens een uitslag wordt afgegeven. Voor de donsmonsters en faecesmonsters afkomstig van fok- en vermeerderingsbedrijven vindt serotypering plaats voor de 4 hoofdgroepen van Salmonella (B, C, D en E) en indien van toepassing identificatie van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium. In bijlage 3.2 is het werkvoorschrift opgenomen. 7 Controle Voor de eerstelijnscontrole2indien een ingangscontrole wordt toegepst per batch, kan de negatieve controle komen te vervallen. van de methode dienen te worden meegenomen: Positieve controle Negatieve controle Blanco controle De eerstelijnscontroles met MSRV platen staan beschreven in bijlage 4. 8 Opgave van het resultaat Geef het resultaat op als ‘aan- of afwezigheid van Salmonella in het betreffende monstermateriaal’ (zie bijlage 2) als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden om hoeveel gram mest het ongeveer gaat dat is onderzocht. Indien bij het aanleveren van de monsters door de opdrachtgever afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting de opdrachtgever (zie bijlage 5). 9 Bronvermelding NEN-EN 12824 Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders - horizontale methode voor het aantonen van Salmonella (ISO 6579:1993, gewijzigd). Zee, van der H., E. De Boer, P. Van Netten, 1990, Salmonella isolatie met behulp van MSRV, De Ware (
  3. n)chemicus 20: 189-199. Hartman, dr. E.G., Validatierapport van de isolatie van Salmonella uit de matrix pluimvee faeces m.b.v. het Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV)-medium, september 1999 Bijlage 1 Samenstelling en bereiding van media en reagentia 1.1 Gebufferd pepton water (BPw) samenstelling: pepton 10,0 g NaCI 5,0 g Na2HP04.12H20 9,0 g KH2P04 1,5 g water 1000 ml bereiding: Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,2 ± 0,2 bedraagt bij 25 ° C. Verdeel het medium over daarvoor geschikte flessen. Steriliseer in een autoclaaf (15 min. 121 ° C). 1.2 Modified Semi-solid Rappaport-Vassiliadis medium (MSRV)3De MSRV-platen moeten volgens de voorschriften van de leverancier/fabrikant bewaard worden. oplossing A (basis): tryptose 4,59 g caseine hydrolysaat 4,59 g NaCI 7,34 g KH2P04 1,47 g MgCl2 10,93 g malachietgroen oxalaat 0,037 g agar 2,7 g gedestilleerd water 1000 ml bereiding Los de ingrediënten op in het water. Breng het mengsel onder voortdurend schudden aan de kook (NIET AUTOCLAVEREN). Stel de pH op 5,2 ± 0,2. Koel het mengsel af tot 50 ° C. oplossing B (novobiocine): Los 10 mg novobiocine op in 2 ml gedestilleerd/demi water. Steriliseer de oplossing d.m.v. filtratie (filter 22 μ m). bereiding MSRV medium: Voeg oplossing B toe aan 500 ml oplossing A. Meng de oplossing. Giet uit in petrischalen en verwijder de luchtbellen. Even aan de lucht drogen om een nat oppervlak te voorkomen. 1.3 BriIjant groen agar (BGA) oplossing A (basis): vIeesextract 5,0 g pepton 10,0 g gistextract 3,0 g Na2HP04 1,0 g NaH2P04 0,6 g agar 12 g tot 18 g1= afhankelijk van de sterkte van de gel water 900 ml bereiding: Los de ingrediënten op in het water (indien nodig via verhitting). Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,0 ± 0,2 is. Schenk het medium in daarvoor geschikte buizen/flessen. Steriliseer in een autoclaaf (15 min. 121 ° C). oplossing B (suiker/fenol rood oplossing): lactose 10,0 g sucrose 10,0 g fenolrood 0,09 g water tot een eindvolume van 100 ml bereiding: Los de componenten op in ± 50 mI water. Vul met water aan tot een eindvolume van 100 ml. Verhit gedurende 20 min. in een waterbad van 70 ° C. Koel af tot 47 ° C ± 1 ° C. Gebruik de oplossing direct. oplossing C (briljant groen oplossing): briljant groen ± 0,5 g water 100 ml bereiding: Voeg het briljant groen (concentratie tussen 4,5 mg/l en 6 mg/
  4. l)toe aan het water. Bewaar de oplossing tenminste 1 dag in het donker zodat auto-sterilisatie optreedt. bereiding complete medium: oplossing A 900 mI oplossing B 100 ml oplossing C 1 mI bereiding: Voeg, onder aseptische omstandigheden, oplossing C toe aan de (tot 47 ° C ± 1 ° C) afgekoelde oplossing B. Voeg deze oplossing toe aan oplossing A en meng het medium. bereiding van de agar platen: Giet het vers bereide medium in grote (± 40
  5. ml)of in kleine petrischalen (±15 ml). Laat de platen stollen. Droog de platen voor gebruik. 1.4 Ureumagar (UA) oplossing A (basismedium): pepton 1,0 g glucose 1,0 g NaCI 5,0 g KH2P04 2,0 g fenolrood 12,0 mg agar 12,0 tot 18,0 g1= afhankelijk van de sterkte van de gel gedestilleerd water 1000 mI bereiding: Los de ingrediënten op in het water. Stel de pH op 6,8 ± 0,2 bij 25 ° C en filtreer de oplossing. Steriliseer de oplossing gedurende 15 min bij 121 ° C in een autoclaaf. Laat de oplossing afkoelen tot 47 ° C. oplossing B (ureumoplossing): ureum 400 g gedestilleerd water 1000 ml bereiding: Los de ureum op in het water Steriliseer de oplossing d.m.v. filtratie en controleer de steriliteit. bereiding complete medium: oplossing A 950 ml oplossing B 50 ml bereiding: Voeg oplossing B (ureumoplossing) toe aan oplossing A (basismedium). Verdeel het medium over steriele buizen, per buis 10 ml medium. Laat de buizen stollen zodat een schuin gedeelte ontstaat. 1.5 Triple-sugar-ironagar (TSI) samenstelling: vIeesextract 3,0 g gistextract 3,0 g pepton 20,0 g NaCI 5,0 g lactose 10,0 g sucrose 10,0 g glucose 1,0 g ijzer (III) citraat 0,3 g natriumthiosulfaat 0,3 g fenoIrood 0,024 g agar 12,0 tot 18,0 g`1= afhankelijk van de sterkte van de gel gedestilleerd water 1000 mI bereiding: Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,4 ± 0,2 is. Verdeel het medium over buizen, per buis 10 ml medium. Steriliseer de oplossing gedurende 15 min bij 120 ° C in een autoclaaf. Laat de buizen stollen zodat er bovenop 2,5 cm agar onderin de buis, een schuin gedeelte ontstaat. 1.6. Lysine-decarboxylase medium (LDC) samenstelling: 1-lysine monohydrochloride 5,0 g gistextract 3,0 g glucose 1,0 g bromocresol purper 0,015 g water 1000 ml bereiding: Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 6,8 ± 0,2 is. Verdeel het medium over smalle reageerbuizen; per buis 5 mI medium. Steriliseer in een autoclaaf (10 min. 121 ° C). Bijlage 2 Monsters die in de kalkoensector worden genomen voor bacteriologisch onderzoek: A houtwol (opfokvermeerderingsbedrijven en vleeskalkoenbedrijven) Opfokvermeerderingsbedrijven: Bij elke levering van eendagskuikens wordt 1 mengmonster van 5 monsters houtwol per vrachtauto genomen. Elk monster moet duidelijk met mest besmeurd houtwol (ongeveer 0,5 gram mest) bevatten en bevat ongeveer 30 ml houtwol. Het laboratorium ontvangt één monsterpot of -zak met 5 monsters houtwol. Het laboratorium bepaalt vervolgens of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in houtwol’. Vleeskalkoenbedrijven: Bij elke levering van eendagskuikens wordt 1 mengmonster van minimaal 10 monsters houtwol per vrachtauto genomen. Elk monster moet duidelijk met mest besmeurd houtwol bevatten (ongeveer 0,5 gram mest) en bevat ongeveer 30 ml houtwol. Het laboratorium ontvangt één monsterpot of -zak met 10 monsters houtwol. Het laboratorium bepaalt vervolgens of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in houtwol’. B mest (opfokvermeerderingsbedrijven, vermeerderingsbedrijven, vleeskalkoenbedrijven) Swabs: Per stal moeten 30 swabs genomen worden van bij voorkeur verse blindedarmmest (verse droppings vanaf de grond). Indien onvoldoende aanwezig dan moet dit aangevuld worden met cloacaswabs. De swabs moeten duidelijk met mest besmeurd zijn (per swab ongeveer 0,5 gram mest). De 30 swabs worden gepoold tot 2 monsters. Het laboratorium ontvangt per stal 2 monsterpotten met elk 15 swabs. Indien de swabs individueel verpakt worden, worden de swabs in het laboratorium tot 2 monsters verwerkt. Het laboratorium bepaalt vervolgens of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in swabs’. Overschoentjes: De ondernemer trekt over het staleigen schoeisel een paar overschoentjes aan en maakt een ronde door de stal. Deze werkwijze wordt vervolgens herhaald. De overschoentjes moeten duidelijk met mest besmeurd zijn (per paar overschoentjes ongeveer 10 gram mest). Per stal ontvangt het laboratorium twee monsterzakken met elk één paar overschoentjes. Het laboratorium bepaalt vervolgens of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in overschoentjes’. C dons (broederijen) Per uitkomstkast op de broederij wordt tenminste één donsmonster genomen. Elk donsmonster moet een monster zijn van ongeveer 5 gram natte dons, genomen maximaal de dag voor de uitkomstdag. Per uitkomstkast ontvangt het laboratorium in een monsterpot of -zak één donsmonster. Het laboratorium bepaalt vervolgens of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in natte dons’. Bijlage 3 Serologische bevestiging en serotypering 3.1 Serologische bevestiging. Onderzoek op auto-agglutinatie: Breng op een objectglas een druppel zoutoplossing (0,85% NaCl). Breng met een steriele entnaald een beetje materiaal van de te onderzoeken kolonie in de druppel zodat een troebeling ontstaat. Beweeg gedurende 30-60 seconden het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken). Beoordeel het resultaat tegen een donkere achtergrond (met een vergrootglas). De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op auto-agglutinatie van de onderzochte stam. De stammen die auto-agglutinatie vertonen worden niet onderzocht met polyvalent O- serum. Agglutinatie methode: Agglutineer van Salmonella-verdachte kolonies met polyvalent serum A t/m E of A t/m G; indien negatief vervolgen met polyvalent serum A t/m S. Breng op een objectglas een druppel antiserum. Breng met een steriele entnaald een beetje materiaal van de te onderzoeken kolonie in de druppel zodat een lichte troebeling ontstaat. Beweeg gedurende 30-60 seconden het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken). Beoordeel het resultaat tegen een donkere achtergrond (met een vergrootglas). De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op een positieve reactie van de onderzochte stam. 3.2 Serotypering. Agglutineer van Salmonella-verdachte kolonies eerst met serum A t/m E of A t/m G; indien negatief vervolgen met polyvalent serum A t/m S. Bij een positieve agglutinatie met polyvalent A t/m G wordt geagglutineerd met de groepssera B, C (C1 en C2), D en E (1 t/m 5). Indien positief met B, dan wordt vervolgens geagglutineerd met flagellair antiserum H-i. Hiertoe wordt een schuine agar (bijvoorbeeld nutriëntenagar) beënt (middels ladderen) met de te agglutineren Salmonella en wordt 1 druppel fysiologisch zout (0,85% NaCl) aan deze buis toegevoegd. Na 24 ± 2 uur incuberen bij 37 ° C wordt cultuur van de vochtige schuine zijde genomen voor de agglutinatie met H-i serum. Indien H-i positief dan heeft men een Salmonella typhimurium. Indien H-i negatief dan is het een Salmonella B groep. Indien positief met D, dan wordt vervolgens geagglutineerd met flagellair antiserum H-m. Indien H-m positief dan heeft men een Salmonella enteritidis. Indien H-m negatief dan heeft men Salmonella D groep. Salmonella die alleen met polyvalent A t/m S agglutineren, kunnen, indien gewenst, voor typering opgestuurd worden naar het RIVM, t.a.v. Infectieziekten, Diagnostiek en Screening laboratorium. Dit geldt tevens voor alle niet-serotypeerbare Salmonella. Bijlage 4 Eerstelijnscontrole met MSRV platen Onderwerp Deze bijlage beschrijft een methode voor de eerstelijnscontrole op de analyse van Salmonella met MSRV. Werkwijze Om de kwaliteit van de geproduceerde media te bewaken, dient iedere dag een controle volgens onderstaand schema te worden uitgevoerd. Positieve controle Inoculum: Kolonie aanstippen met entoogje en afstrijken langs de wand van een buisje met gebufferd peptonwater (BPW). Ca. 24 ± 2 uur bij 37 ° C incuberen in BPw

(108)en verdunnen tot 103 of commercieel verkrijgbaar bij de IGB Groningen. Controlestam: PLAATJE INVOEGEN Negatieve controle Inoculum: Kolonie aanstippen met entoogje en afstrijken langs de wand van een buisje met gebufferd peptonwater (BPW). Ca. 24 ± 2 uur bij 37 ° C incuberen in BPw
(108)en verdunnen tot 106 (0,5 Mc Farland) Controlestam: PLAATJE INVOEGEN Bijlage 5 Opmerkingen opdrachtgever bij aanleveren afwijkende monsters Acceptatiecriteria Indien afwijkingen in de voorgeschreven kwaliteit en wijze van aanleveren van monsters zijn geconstateerd, moet in ieder geval bij de volgende punten richting de opdrachtgever een opmerking worden gemaakt, waaruit blijkt dat er in de procedure van monstername en inzenden een afwijking is geconstateerd en om welke afwijking het gaat. Ten algemene. Indien er tussen de datum van monstername en de datum van ontvangst op het laboratorium meer dan 48 uur is verstreken. Indien bij de inzending één van de volgende gegevens ontbreekt: monsterdatum, stalnummer en KIP-nummer. Indien monsters zodanig zijn verpakt dat lekkage is opgetreden en zodanig zijn geadresseerd dat voor transporteur en laboratorium verwarring kan ontstaan. Houtwol (opfokvermeerderingsbedrijven kalkoen en vleeskalkoenbedrijven):
  1. a)Indien onvoldoende houtwol wordt aangeleverd.
  2. b)Indien het houtwol niet duidelijk met mest is besmeurd.
  3. c)Indien het houtwol niet in een monsterpot of -zak wordt aangeleverd. Mest (opfokvermeerderingsbedrijven kalkoen, vermeerderingsbedrijven kalkoen en vleeskalkoenbedrijven): Swabs:
  4. a)Indien onvoldoende swabs worden aangeleverd. Overschoentjes:
  5. a)Indien onvoldoende paar overschoentjes zijn aangeleverd. Bijlage VI :Aangewezen instanties belast met de controle op de naleving van de Verordening Voor de controle op de naleving van de Verordening zijn de navolgende instanties aangewezen: 1. INDAS, Inspectie en dienstverlening Agrarische Sector B.V. 2. Stichting Gezondheidszorg voor Dieren 3. Lloyd's Register Nederland B.V., gevestigd te Rotterdam 4. Internationale Controle Maatschappij B.V. (SGS AgroControl) 6. B.V. Deltacon ISC.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.