n van toepassing van artikel 3, lid 4, van de Wet. Tevens is het verlaagde tarief op leveringen van antiquiteiten en bepaalde verzamelvoorwerpen ingetrokken, terwijl de toepasselijkheid van het verlaagde tarief ten aanzien van leveringen van kunstvoorwerpen is beperkt. Anderzijds is de toepasselijkheid van het verlaagde tarief bij invoer van verzamelvoorwerpen uitgebreid. Evenbedoelde wijzigingen hebben mij aanleiding gegeven de aanwijzingen, die bij de parlementaire behandeling van de wetswijziging met betrekking tot de margeregeling gegeven zijn, alsmede nadere aanwijzingen met betrekking tot de toepassing van deze regeling en daarmee verband houdende onderwerpen, op te nemen in een voorschrift inzake de toepassing van de margeregeling en dit voorschrift te publiceren. Waar in dit voorschrift de letterlijke tekst van wettelijke bepalingen wordt weergegeven, is deze tekst cursief gedrukt. 2 Algemene opmerkingen § 2.1 Begripsbepalingen Dit voorschrift verstaat onder: Zesde richtlijn: Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Richtlijn 77/388/ EEG); Wet: Wet op de omzetbelasting 1968; Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968; Uitvoeringsbeschikking: Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968; belasting: omzetbelasting; margeregeling: regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, bedoeld in Hoofdstuk V, afdeling 5, van de Wet; individuele regeling: regeling, bedoeld in artikel 28b van de Wet; globalisatie-regeling: regeling, bedoeld in artikel 28d van de Wet; Lid-Staat: Lid-Staat van de Europese Gemeenschap. § 2.2 Hoofdlijnen van de margeregeling De margeregeling behelst een regeling, volgens welke de maatstaf van heffing van omzetbelasting – in afwijking van de hoofdregel van artikel 8, lid 1, van de Wet – niet wordt gesteld op de vergoeding, maar op de winstmarge. De winstmarge is daarbij in beginsel het verschil tussen de vergoeding en de inkoopprijs voor het betreffende goed. In bepaalde gevallen wordt de winstmarge echter niet per goed, maar per tijdvak bepaald. In die gevallen is de winstmarge het verschil tussen enerzijds de som van de vergoedingen en anderzijds de som van de inkoopprijzen in het betreffende tijdvak. De margeregeling dient om cumulatie van belasting te voorkomen in gevallen waarin goederen, na te zijn geleverd aan een niet-aftrekgerechtigde afnemer, terugkeren in het handelscircuit. Zonder nadere voorziening zou in dergelijke gevallen bij wederverkoop opnieuw belasting geheven worden over de gehele vergoeding, ook al is het goed al eens aan een eindheffing van omzetbelasting onderworpen geweest en is in de vergoeding een restant van die eerder geheven omzetbelasting begrepen. De margeregeling strekt ertoe, dat geen belasting geheven wordt over het gedeelte van de vergoeding dat geacht kan worden overeen te komen met het restant van het bedrag waarover al in een eerdere fase omzetbelasting geheven is. Daartoe wordt de maatstaf van heffing beperkt tot de bij de wederverkoper toegevoegde waarde. Om heffingstechnische redenen is de mogelijkheid geschapen om de margeregeling eveneens toe te passen op kunstvoorwerpen die zijn aangekocht van de kunstenaar zelf, van diens rechtverkrijgende onder algemene titel of van een aftrekgerechtigde ondernemer, alsmede op kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die door de wederverkoper zelf zijn ingevoerd, een en ander mits de wederverkoper ter zake van die goederen afziet van zijn aftrekrecht. Deze uitbreiding van de margeregeling dient om in samenhang met post a 29 van Tabel I te bewerkstelligen, dat evenbedoelde goederen uitsluitend voor de handelsmarge naar het algemene tarief, en voor het overige naar het verlaagde tarief worden belast. 3 Margeregeling § 3.1 Inleiding De kern van de margeregeling is neergelegd in artikel 28b, lid 1, eerste volzin, van de Wet. Deze volzin luidt: ‘Ingeval een wederverkoper gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten levert, wordt, in afwijking van artikel 8, eerste lid, de belasting berekend over de winstmarge.’ Zoals uit deze bepaling blijkt, heeft de margeregeling betrekking op de bepaling van de maatstaf van heffing. De overige bepalingen van de Wet blijven dan ook onverkort van kracht, behoudens enkele afwijkingen welke in verband met de doelstelling van de margeregeling noodzakelijk zijn. In het bijzonder wordt in de margeregeling niet afgeweken van de bepalingen inzake de belastbare feiten, de plaats waar deze worden verricht, het ondernemerschap, het tarief, de vrijstellingen en de wijze van heffing. Ook de kleine-ondernemersregeling is onder de margeregeling onverkort van toepassing. De afwijkingen ten opzichte van de normale BTW-regels betreffen met name: – de uitsluiting van het recht op aftrek met betrekking tot goederen die met toepassing van de margeregeling geleverd zijn (artikel 28e, onderdeel a, van de Wet); – de uitsluiting van het recht op aftrek met betrekking tot kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten als bedoeld in artikel 28c van de wet, indien die goederen op grond van dat artikel met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken worden (artikel 28e, onderdeel b, van de Wet); – de uitsluiting van de verlegging van de heffing ten aanzien van goederen die met toepassing van de margeregeling door een buitenlandse ondernemer geleverd worden (artikel 28g van de Wet); – het verbod om met afzonderlijke vermelding van omzetbelasting te factureren, als goederen met toepassing van de margeregeling geleverd worden (artikel 28h van de Wet); – de invoering van enige voorschriften in de sfeer van de administratieve verplichtingen (artikel 4a en artikel 31, lid 5, van de Uitvoeringsbeschikking). Daarnaast brengt toepassing van de margeregeling enige wijzigingen mee met betrekking tot de heffing van omzetbelasting bij intracommunautair goederenverkeer. Deze wijzigingen strekken ertoe, dat goederen die met toepassing van de margeregeling intracommunautair geleverd worden steeds overeenkomstig het oorsprongslandbeginsel in de heffing betrokken worden (artikel 1a, lid 1, onderdeel d, en artikel 5a, lid 1, van de Wet). § 3.2 Voorwaarden voor toepassing van de margeregeling Op grond van artikel 28b, lid 1, van de Wet alsmede de desbetreffende bepalingen in de Zesde richtlijn, is de margeregeling uitsluitend van toepassing als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. Er is sprake van een levering. b. De leverancier is aan te merken als een wederverkoper. c. Het geleverde goed is een gebruikt goed, kunstvoorwerp, voorwerp voor verzamelingen of antiquiteit. d. Het goed is op één van de in artikel 28b, lid 2, van de Wet bedoelde wijzen door de wederverkoper verkregen. e. Het goed is in één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap aan de wederverkoper geleverd. f. De wederverkoper heeft het goed verkregen met het oog op wederverkoop. Toelichting: Ad a De margeregeling is van toepassing op elke levering in de zin van artikel 3 of artikel 3a van de Wet. Dit brengt onder meer mee, dat de regeling ook van toepassing is op goederen die over een veiling worden verhandeld of die worden geleverd door tussenkomst van een commissionair of dergelijke ondernemer die overeenkomsten sluit op eigen naam maar op order en voor rekening van een ander. Verder brengt dit mee, dat de regeling ook van toepassing is op goederen die in de zin van artikel 3a, lid 2, van de Wet worden overgebracht naar een andere Lid-Staat. De margeregeling blijft echter buiten toepassing ten aanzien van goederen die worden gebezigd ten behoeve van een dienst, bijvoorbeeld verhuur. Ter zake van diensten wordt derhalve steeds – behoudens eventuele vrijstelling – omzetbelasting geheven over de gehele vergoeding, ook als zij bestaan uit terbeschikkingstelling van een goed dat door de dienstverlener van een niet-aftrekgerechtigde, bijvoorbeeld een particulier, verkregen is. Ad b Het begrip ‘wederverkoper’ is gedefinieerd in artikel 2a, lid 1, onderdeel k, van de Wet.
. Ad c Het begrip ‘gebruikt goed’ is gedefinieerd in artikel 2a, lid 1, onderdeel l, van de Wet.
. Een onderdeel van de aldaar gegeven definitie is, dat gebruikte goederen roerende lichamelijke zaken zijn. Dit brengt mee, dat de margeregeling niet van toepassing is op leveringen van onroerende zaken. Voorts blijft de margeregeling in beginsel buiten toepassing, als het goed door of in opdracht van de wederverkoper vervaardigd is (
ook § 17). De begrippen ‘kunstvoorwerp’, ‘voorwerp voor verzamelingen’ en ‘antiquiteit’ zijn krachtens artikel 2a, lid 1, onderdeel m, van de Wet juncto artikel 4 van de Uitvoeringsbeschikking gedefinieerd in bijlage J bij de Uitvoeringsbeschikking. Deze goederen zullen overigens veelal ook zijn aan te merken als gebruikte goederen. Alsdan kan het niettemin van belang zijn de goederen aan te merken als kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten, aangezien voor dergelijke goederen bijzondere regelingen gelden, onder meer met betrekking tot de tarieftoepassing en de toepasselijkheid van de margeregeling bij wederverkoop. Ad d De voorwaarde dat het goed op één van de in artikel 28b, lid 2, van de Wet bedoelde wijzen door de wederverkoper verkregen moet zijn, komt er in hoofdzaak op neer, dat de wederverkoper het goed verkregen moet hebben van iemand die ter zake van het goed niet aftrekgerechtigd is geweest. Ten aanzien van niet-aftrekgerechtigde ondernemers gelden echter enige beperkingen.
. In afwijking van de voorwaarde onder d kan de margeregeling ook worden toegepast op kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die niet op één van de in artikel 28b, lid 2, van de Wet bedoelde wijzen verkregen zijn, mits is voldaan aan de in artikel 28c van de Wet gestelde voorwaarden en de betreffende goederen krachtens een vergunning als in laatstgenoemd artikel bedoeld onder de margeregeling worden gebracht.
hoofdstuk 5. Ad e De voorwaarde, dat het goed in één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap geleverd moet zijn, berust op artikel 26 bis, B, lid 2, van de Zesde richtlijn, welke bepaling geacht moet worden in artikel 28b, lid 2, van de Wet tot uitdrukking gebracht te zijn. Zij brengt mee dat de margeregeling buiten toepassing blijft, als de wederverkoper het goed verkregen heeft krachtens een levering welke op grond van artikel 5 van de Wet buiten de Gemeenschap is gesitueerd, ongeacht door of in wiens opdracht de invoer heeft plaatsgevonden. Op de voorwaarde onder e geldt een uitzondering voor kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die door de wederverkoper zelf worden ingevoerd. Deze kunnen krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 28c van de Wet met toepassing van de margeregeling geleverd worden. Ad f De voorwaarde, dat de wederverkoper het goed verkregen moet hebben met het oog op wederverkoop, kan worden afgeleid uit de definitie van het begrip ‘wederverkoper’ in combinatie met de daaraan ten grondslag liggende bepaling in de Zesde richtlijn. Zij brengt mee dat de margeregeling alleen van toepassing is ten aanzien van goederen die voor de verkoop zijn bestemd. De regeling blijft derhalve buiten toepassing, als de wederverkoper het goed als bedrijfsmiddel heeft gebruikt. Het ontmoet evenwel geen bezwaar, dat de margeregeling wordt toegepast ten aanzien van een goed dat aanvankelijk bestemd was om als bedrijfsmiddel te worden gebruikt doch naderhand, zonder daadwerkelijk als bedrijfsmiddel gebruikt te zijn, voor de verkoop wordt bestemd. Evenmin behoeft een incidenteel gebruik van een voor de verkoop bestemd goed als bedrijfsmiddel toepassing van de margeregeling in de weg te staan, mits het goed voor de verkoop bestemd blijft en het gebruik als bedrijfsmiddel niet leidt tot een waardedaling van betekenis. Ten slotte is aan toepassing van de margeregeling de voorwaarde verbonden, dat ter zake van de levering geen factuur wordt uitgereikt waarop de belasting afzonderlijk is vermeld. Deze voorwaarde berust op artikel 28f, lid 1, in samenhang met artikel 28h, lid 2, van de Wet. Op grond van die bepalingen moet namelijk worden aangenomen dat de wederverkoper, ingeval hij ter zake van een levering een factuur uitreikt waarop de belasting afzonderlijk is vermeld, gebruik maakt van zijn recht om de margeregeling buiten toepassing te laten. In dat geval is belasting verschuldigd over de gehele vergoeding. Wanneer aan vorenstaande voorwaarden is voldaan, is de margeregeling van toepassing, tenzij de wederverkoper er uitdrukkelijk voor kiest de normale BTW-regels toe te passen en dienovereenkomstig handelt.
. § 3.3 Wederverkoper Op grond van artikel 2a, lid 1, onderdeel k, van de Wet wordt verstaan onder ‘wederverkoper: de ondernemer wiens activiteiten geheel of ten dele bestaan uit de wederverkoop van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten’. Bij deze bepaling is de volgende toelichting gegeven (memorie van toelichting, blz. 24): ‘Het nieuwe onderdeel k van artikel 2a, eerste lid, is gebaseerd op artikel 1, lid 3, van de wijzigingsrichtlijn (artikel 26 bis, A, onder e, van de Zesde richtlijn). Belangrijk element van de in onderdeel k opgenomen definitie van wederverkoper is dat het een ondernemer betreft die er – geheel of ten dele – zijn beroep dan wel zijn bedrijf van maakt om gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten te verhandelen. Om te worden aangemerkt als wederverkoper is hierbij derhalve enige regelmaat van belang. Dit betekent dat een ondernemer die zowel nieuwe fietsen als gebruikte – ingeruilde – fietsen levert, voor het gedeelte van zijn handel in gebruikte fietsen als wederverkoper kan worden aangemerkt. Een ondernemer die incidenteel een gebruikt goed of antiek en dergelijke levert, is niet te beschouwen als wederverkoper. De onderhavige definitie van een wederverkoper wijkt af van de begripsomschrijving zoals opgenomen in de wijzigingsrichtlijn, maar leidt wel tot een zelfde resultaat. Het ongewijzigd overnemen van de begripsomschrijving van de wijzigings-richtlijn is niet mogelijk, omdat de Nederlandse wetgeving inzake omzetbelasting deels andere begripsomschrijvingen bevat – bij voorbeeld op het punt van de belastingplichtige – dan de Europese richtlijnen inzake omzetbelasting. De voorgestelde definitie van wederverkoper sluit aan bij het in deze Nederlandse wetgeving gehanteerde begrippen-apparaat.’ Op grond van het vorenstaande is elke ondernemer die in het kader van zijn onderneming meer dan incidenteel – dat wil zeggen met enige regelmaat – gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten verhandelt aan te merken als wederverkoper, ongeacht het aandeel van deze activiteit in het geheel van zijn bedrijf. Het is derhalve niet vereist dat de activiteiten van de ondernemer uitsluitend bestaan uit wederverkoop van evenbedoelde goederen. Anderzijds is een ondernemer die slechts incidenteel dergelijke goederen verkoopt geen wederverkoper in de zin van de Wet. Hetzelfde geldt voor ondernemers die dergelijke goederen kopen, anders dan met het oog op wederverkoop. Op grond van artikel 3, lid 4, van de Wet worden goederen die over een veiling worden verhandeld geacht, aan en door de veilinghouder geleverd te worden. Dit brengt mee dat veilinghouders die gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzameling of antiquiteiten veilen in zoverre zijn aan te merken als wederverkopers in de zin van de Wet. Aan het vereiste dat meer dan incidenteel sprake moet zijn van wederverkoop van dergelijke goederen, kan in voorkomende gevallen geacht worden voldaan te zijn. Een en ander geldt mutatis mutandis ook voor de ondernemers, bedoeld in artikel 3, lid 5, van de Wet. § 3.4 Gebruikte goederen Op grond van artikel 2a, lid 1, onderdeel l, van de Wet wordt verstaan onder ‘gebruikte goederen: alle roerende lichamelijke zaken die, in de staat waarin zij verkeren of na herstelling daarvan, opnieuw kunnen worden gebruikt, andere dan nieuwe vervoermiddelen die worden verzonden of vervoerd van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat, en andere dan bij ministeriële regeling aan te wijzen edele metalen en edelstenen’. Blijkens de bij de parlementaire behandeling gegeven toelichting is het voor het zijn van gebruikt goed in bovenbedoelde zin niet van belang, of het goed daadwerkelijk is gebruikt. Ook goederen die aan de wederverkoper zijn verkocht zonder daadwerkelijk gebruikt te zijn, zijn aan te merken als gebruikte goederen en kunnen derhalve, indien aan de overige voorwaarden is voldaan, met toepassing van de margeregeling geleverd worden. Wel is vereist, dat het mogelijk is om de goederen – al dan niet na herstelling – daadwerkelijk te gebruiken overeenkomstig de bestemming waartoe zij zijn vervaardigd. Goederen die dermate versleten zijn dat zij alleen nog kunnen dienen als grondstof, hulpstof of halffabrikaat voor de vervaardiging van andere goederen, zijn derhalve geen gebruikte goederen in de zin van de Wet. Voorts brengt de wettelijke definitie mee, dat goederen die door of in opdracht van de wederverkoper vervaardigd zijn, niet zijn aan te merken als gebruikte goederen en derhalve in beginsel niet met toepassing van de margeregeling geleverd kunnen worden – ook niet, als die goederen vervaardigd zijn met behulp van goederen die van niet-aftrekgerechtigden verkregen zijn.
echter § 17. Blijkens de wettelijke definitie zijn onroerende zaken nimmer aan te merken als gebruikte goederen in de zin van de Wet. Dit brengt mee dat de margeregeling niet kan worden toegepast bij wederverkoop van onroerende zaken, ook niet als deze minder dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming geleverd worden. Om heffingstechnische redenen zijn nieuwe vervoermiddelen die worden verzonden of vervoerd van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat uitgezonderd van het begrip ‘gebruikte goederen’.
hoofdstuk 7, § 2. Voorts zijn op grond van artikel 4, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking van het begrip ‘gebruikte goederen’ uitgezonderd: onbewerkte edele metalen en onbewerkte edelstenen. Dergelijke goederen kunnen derhalve niet met toepassing van de margeregeling worden verkocht. Het laatste is wel mogelijk ten aanzien van bewerkte edelstenen, bewerkte edele metalen en sieraden. § 3.5 Levering aan de wederverkoper Artikel 28b, lid 2, van de Wet bepaalt dat de margeregeling uitsluitend van toepassing is, ‘indien het goed aan de wederverkoper is geleverd door: a. een ander dan een ondernemer; § 3.5.1 Anderen dan ondernemers Van een levering als bedoeld in artikel 28b, lid 2, onderdeel a, van de Wet is sprake als het goed geleverd wordt door een particulier, dan wel door een publiekrechtelijk lichaam of enige andere persoon of organisatie welke terzake anders dan in het kader van een onderneming handelt. De margeregeling is derhalve niet van toepassing, als de wederverkoper het goed verkregen heeft van een ondernemer die ter zake van de levering anders dan met toepassing van de margeregeling omzetbelasting verschuldigd is. In die gevallen is laatstbedoelde ondernemer verplicht, ter zake van de levering een factuur uit te reiken waarop de belasting afzonderlijk is vermeld. Dit betekent echter niet, dat de margeregeling steeds kan worden toegepast als aan de wederverkoper geen factuur met afzonderlijke vermelding van omzetbelasting is uitgereikt. De margeregeling zal buiten toepassing moeten blijven, als weliswaar geen factuur is uitgereikt waarop omzetbelasting is vermeld, maar de wederverkoper weet of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat zijn leverancier het goed (anders dan met toepassing van de margeregeling) in het kader van een onderneming geleverd heeft. Bij twijfel daaromtrent rust op de wederverkoper de onderzoeksplicht om zich ervan te vergewissen, dat aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling is voldaan. Het ontmoet evenwel geen bezwaar dat aan de onderhavige voorwaarde geacht wordt voldaan te zijn, als blijkt of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wederverkoper zodanig aan deze onderzoeksplicht heeft voldaan, dat hij er niet meer aan behoefde te twijfelen dat het goed hem door een ander dan een ondernemer geleverd is. Hetzelfde geldt ingeval de wederverkoper is afgegaan op mededelingen dienaangaande van de leverancier en geen aanleiding had om aan de juistheid van die mededelingen te twijfelen. In beide gevallen geldt, dat de toepassing van de margeregeling niet behoeft te worden gecorrigeerd als achteraf toch nog een factuur met afzonderlijke vermelding van omzetbelasting wordt uitgereikt of anderszins blijkt dat het goed in het kader van een onderneming geleverd is, mits de wederverkoper de naderhand gefactureerde (of anderszins verschuldigd geworden) omzetbelasting niet in aftrek brengt. De niet afgetrokken omzetbelasting kan alsdan, voor zover zij door de wederverkoper is of wordt voldaan, worden gerekend tot de inkoopprijs van het goed. Een en ander laat uiteraard de verschuldigdheid van evenbedoelde belasting onverlet. § 3.5.2 Ondernemers zonder aftrekrecht Artikel 28b, lid 2, onderdeel b, van de Wet
t op leveringen door ondernemers die de betreffende goederen in hun bedrijf uitsluitend hebben gebezigd ten behoeve van vrijgestelde prestaties of voor doeleinden als zijn bedoeld in artikel 16 van de Wet, ingeval ter zake van de voorafgaande levering van het goed geen belasting in aftrek is gebracht. Gelet op de omstandigheid dat de leverancier van de wederverkoper in voorkomende gevallen verplicht is, ter zake van de levering een factuur uit te reiken welke voldoet aan de eisen van artikel 35 van de Wet, ontmoet het geen bezwaar dat aan de onderhavige voorwaarde in beginsel steeds geacht wordt voldaan te zijn, als aan de wederverkoper een factuur is uitgereikt waarop onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 11, lid 1, onderdeel r, van de Wet geen belasting in rekening is gebracht. De margeregeling dient echter buiten toepassing te blijven, als de wederverkoper wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat met het oog op daarmee te behalen fiscaal voordeel ten onrechte geen omzetbelasting is gefactureerd. Ingeval het laatste redelijkerwijs kan worden vermoed, rust op de wederverkoper de onderzoeksplicht om zich van de toepasselijkheid van artikel 11, lid 1, onderdeel r, van de Wet te vergewissen. § 3.5.3 Ontheven kleine ondernemers Artikel 28b, lid 2, onderdeel c, van de Wet
t op leveringen van bedrijfsmiddelen door kleine ondernemers die zijn ontheven van hun administratieve verplichtingen. Onder ‘bedrijfsmiddelen’ dienen in dit verband te worden verstaan goederen die niet voor de verkoop zijn bestemd, ongeacht of op die goederen al dan niet wordt afgeschreven. Daartoe behoren mede goederen die zijn gebezigd ten behoeve van een dienst, bijvoorbeeld verhuur. Tot de bedrijfsmiddelen behoren echter niet goederen die bestemd geweest zijn voor huurverkoop of voor zodanige terbeschikkingstelling, dat sprake is van daadwerkelijke overdracht van de macht om als eigenaar over het goed te beschikken. Voor zover goederen verkregen zijn van een ‘ontheven’ kleine ondernemer, is de margeregeling in beginsel alleen van toepassing als de goederen door die ondernemer als bedrijfsmiddel zijn gebruikt. Dit is slechts anders, als evenbedoelde ondernemer een wederverkoper is die de goederen met toepassing van de margeregeling heeft verkocht (
Met betrekking tot de vraag, of zijn leverancier een ontheven kleine ondernemer is en het goed als bedrijfsmiddel heeft gebruikt, kan de wederverkoper in beginsel afgaan op de terzake door de leverancier verstrekte inlichtingen, mits hij geen aanleiding heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De toepassing van de margeregeling behoeft alsdan niet te worden gecorrigeerd, als achteraf blijkt dat de leverancier geen ontheven kleine ondernemer is of dat het goed bij de leverancier niet als bedrijfsmiddel is gebruikt. In het bijzonder behoeft geen correctie plaats te vinden, als achteraf – nadat de wederverkoper, afgaande op inlichtingen van zijn leverancier, de margeregeling heeft toegepast – toch nog een factuur met afzonderlijke vermelding van omzetbelasting wordt uitgereikt. Aan een en ander is wel de voorwaarde verbonden, dat de wederverkoper de eventueel naderhand gefactureerde (of anderszins verschuldigd geworden) omzetbelasting niet in aftrek brengt. De niet afgetrokken omzetbelasting kan alsdan, voor zover zij door de wederverkoper is of wordt voldaan, worden gerekend tot de inkoopprijs van het goed. Een en ander laat uiteraard de verschuldigdheid van evenbedoelde belasting onverlet. De toepasselijkheid van de margeregeling is niet afhankelijk van het fiscale regime dat van toepassing was op het tijdstip waarop het bedrijfsmiddel door de leverancier is aangeschaft. De regeling kan derhalve ook worden toegepast ten aanzien van bedrijfsmiddelen die door de leverancier zijn aangeschaft vóórdat de ontheffing, bedoeld in artikel 25, lid 3, van de Wet, bij hem is ingegaan. Daaraan doet niet af, dat de leverancier de voorbelasting ter zake van die goederen in aftrek heeft kunnen brengen. De wederverkoper kan dus afgaan op het fiscale regime dat van toepassing is op het tijdstip waarop het goed aan hem geleverd wordt. § 3.5.4 Wederverkopers Van een levering als bedoeld in artikel 28b, lid 2, onderdeel d, van de Wet is sprake als het goed geleverd wordt door een wederverkoper, die ter zake van de levering de margeregeling toepast. Gelet op de omstandigheid dat de leverancier in voorkomende gevallen verplicht is, ter zake van de levering een factuur uit te reiken welke voldoet aan de eisen van artikel 35 juncto artikel 28h van de Wet, ontmoet het geen bezwaar dat aan de onderhavige voorwaarde in beginsel steeds geacht wordt voldaan te zijn, als aan de afnemende wederverkoper een factuur is uitgereikt waarop onder uitdrukkelijke verwijzing naar de margeregeling geen belasting in rekening is gebracht. De margeregeling dient echter buiten toepassing te blijven, als de afnemende wederverkoper wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat zijn leverancier geen wederverkoper was of de margeregeling niet had mogen toepassen. Ingeval het laatste redelijkerwijs kan worden vermoed, rust op de wederverkoper de onderzoeksplicht om zich ervan te vergewissen dat het goed hem terecht met toepassing van de margeregeling geleverd is. Gelet op de nevenstelling van de onderdelen c en d van het tweede lid van het onderhavige wetsartikel is ook dan aan de voorwaarde van artikel 28b, lid 2, van de Wet voldaan, als het goed met toepassing van de margeregeling geleverd is door een wederverkoper die ingevolge artikel 25, lid 3, van de Wet is ontheven van zijn administratieve verplichtingen. Daaraan doet niet af, dat de betreffende goederen niet door de leverancier als bedrijfsmiddel zijn gebruikt. In voorkomende gevallen zal wel aannemelijk gemaakt moeten kunnen worden, dat het goed (terecht) met toepassing van de margeregeling geleverd is. Het in de vorige alinea vermelde is in dit verband van overeenkomstige toepassing. § 3.5.5 Buitenlandse ondernemers Van een levering als bedoeld in artikel 28b, lid 2, onderdeel e, van de Wet is sprake als het goed geleverd wordt door: a. een in een andere Lid-Staat gevestigde ondernemer, die het goed levert met toepassing van de vrijstelling van artikel 13, onderdeel B, onder c, van de Zesde richtlijn; § 3.5.6 Forfaitair belaste landbouwers en veehandelaren De margeregeling kan – naar de letter – niet worden toegepast als een wederverkoper een gebruikt goed heeft ingekocht van een ondernemer op wie de regeling van artikel 27 van de Wet (de landbouwregeling) van toepassing is. Hetzelfde geldt ten aanzien van ondernemers die gebruik maken van de regeling van § 55 van de Toelichting Landbouwregeling (bijlage I bij de aanschrijving van 15 november 1983, nr. 283–14899 [BTW-113]), de zgn. veehandelsregeling. Hierdoor kan, tegen de bedoeling van de margeregeling in, een verlegging van het handelsverkeer ontstaan. Gezien de strekking van de margeregeling wordt tot nader order goedgekeurd, dat leveringen aan een wederverkoper van gebruikte bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 27, lid 1, onderdeel c, van de Wet door ondernemers die gebruik maken van de landbouwregeling of de veehandelsregeling, voor de toepassing van de margeregeling worden aangemerkt als leveringen als bedoeld in artikel 28b, lid 2, van de Wet. Deze goedkeuring brengt mee dat evenbedoelde bedrijfsmiddelen met overeenkomstige toepassing van de margeregeling kunnen worden doorverkocht. In voorkomend geval zijn ook alle verplichtingen die aan de margeregeling zijn verbonden van toepassing. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat de wederverkoper, indien hij dat wenst, bij doorverkoop van een bedrijfsmiddel ook de normale BTW-regels kan toepassen (
). Teneinde aan te tonen dat daadwerkelijk sprake is van aankoop van een gebruikt bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 27, lid 1, onderdeel c, van de Wet van een ondernemer die gebruik maakt van de landbouwregeling of de veehandelsregeling, dient de wederverkoper die van de hiervoor gegeven goedkeuring gebruik wenst te maken een verklaring van de verkoper van het bedrijfsmiddel over te leggen overeenkomstig het in artikel 28 van de Uitvoeringsbeschikking bedoelde model.
voor de verplichting om daarnaast een inkoopverklaring op te maken hoofdstuk 6, §
§ 3.6.3 Tijdvak van aangifte Een redelijke toepassing van artikel 28b van de Wet brengt in verband met de strekking van artikel 13 en artikel 26 van de Wet mee dat met betrekking tot het tijdvak waarin de winstmarge moet worden aangegeven, afhankelijk van het voor de wederverkoper van toepassing zijnde stelsel, als volgt gehandeld wordt. Ingeval de wederverkoper het factuurstelsel toepast, wordt de winstmarge in aanmerking genomen in het tijdvak waarin de factuur wordt uitgereikt of uiterlijk uitgereikt had moeten worden, dan wel, als de levering wordt verricht aan een ander dan een ondernemer of rechtspersoon, in het tijdvak waarin het goed geleverd wordt. Ingeval sprake is van vooruitbetaling, wordt de winstmarge echter in aanmerking genomen in het tijdvak waarin de vergoeding ontvangen wordt, naar gelang de ontvangen bedragen, tezamen genomen, meer bedragen dan de inkoopprijs. Voorbeeld 1 (factuurstelsel) Aan de afnemer wordt 2.380 in rekening gebracht, inclusief omzetbelasting. De inkoopprijs bedroeg 1.785. De winstmarge is derhalve 595 inclusief omzetbelasting, dat is 500 exclusief omzetbelasting. Van de vergoeding wordt in tijdvak 1 betaald: 1.428, in tijdvak 2: 476, in tijdvak 3: 238 en in tijdvak 4: 238. Het goed wordt in tijdvak 3 geleverd en gefactureerd. Uitwerking: (Restant) Winstmarge Vergoeding inkoopprijs incl. OB excl. OB Tijdvak 1 1.428 – 1.785 = 0 0 1.428 Tijdvak 2 476 – 357 = 119 100 476 Tijdvak 3 238 – 0 = 476 400 Tijdvak 4 238 – 0 = 0 0 Voor zover de vergoeding niet wordt ontvangen of wordt terugbetaald, kan een beroep worden gedaan op artikel 29, lid 1, van de Wet (
). Ingeval de wederverkoper het kasstelsel toepast, wordt de winstmarge in aanmerking genomen in het tijdvak waarin de vergoeding ontvangen wordt, en wel naar gelang en voor zover de ontvangen bedragen, tezamen genomen, meer bedragen dan de inkoopprijs. Voorbeeld 2 (kasstelsel) De uitwerking van bovenstaand voorbeeld luidt bij toepassing van het kasstelsel: (Restant) Winstmarge Vergoeding inkoopprijs incl. OB excl. OB Tijdvak 1 1.428 – 1.785 = 0 0 1.428 Tijdvak 2 476 – 357 = 119 100 478 Tijdvak 3 238 – 0 = 238 200 Tijdvak 4 238 – 0 = 238 200 Bij toepassing van het kasstelsel worden geen grotere bedragen in aanmerking genomen dan die welke daadwerkelijk ontvangen zijn. Dit brengt mee dat toepassing van artikel 29, lid 1, van de Wet niet aan de orde komt. De inkoopprijs wordt steeds in aanmerking genomen voor het totale bedrag dat de wederverkoper aan zijn leverancier verschuldigd geworden is, ongeacht het tijdvak waarin dat bedrag door hem wordt voldaan. § 3.7 Verschuldigde belasting De belasting welke de wederverkoper ter zake van de levering verschuldigd is, is de bruto winstmarge, zijnde het verschil tussen de verkoopprijs inclusief omzetbelasting en de inkoopprijs, vermenigvuldigd met 19/119 onderscheidenlijk 6/106. Ingeval de winstmarge negatief is, wordt de verschuldigde belasting gesteld op nihil. Een negatieve winstmarge leidt niet tot een recht op teruggaaf, noch tot verrekening met de belasting die ter zake van andere leveringen of diensten verschuldigd is. § 3.8 Toepassing van de normale BTW-regels Artikel 28f, lid 1, van de Wet bepaalt het volgende: ‘In afwijking van de artikelen 28b en 28c is de wederverkoper ter zake van elk van zijn leveringen die voor toepassing van die artikelen in aanmerking komen, gerechtigd de belasting te berekenen overeenkomstig artikel 8, eerste lid.’ Op grond van deze bepaling hebben wederverkopers ten aanzien van de goederen, waarop in beginsel de margeregeling van toepassing is het recht, de margeregeling buiten toepassing te laten en de normale BTW-regels toe te passen. Zij dienen daar dan wel op kenbare wijze voor te kiezen en dienovereenkomstig te handelen. Dit brengt mee dat de wederverkoper, indien hij van evenbedoeld recht gebruik wenst te maken, ter zake van de levering een factuur dient uit te reiken waarop de belasting afzonderlijk is vermeld dan wel uitdrukkelijk het nultarief is toegepast. Dit geldt niet als de wederverkoper aan een ander dan een ondernemer of rechtspersoon levert en uitreiking van een factuur achterwege laat. Alsdan dient de keuze voor toepassing van de normale BTW-regels te blijken uit de wijze waarop de levering in de administratie van de wederverkoper is verwerkt. Ingeval de wederverkoper de normale BTW-regels toepast, is hij omzetbelasting verschuldigd over de gehele vergoeding, zonder dat hij een recht op aftrek verkrijgt met betrekking tot de in de inkoopprijs begrepen omzetbelasting (er is immers niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 15, lid 1, van de Wet). Hij kan de ter zake van de levering verschuldigde omzetbelasting alsdan echter afzonderlijk factureren, zodat zijn afnemer, voor zover hij aftrekgerechtigd is, die belasting in aftrek kan brengen. Ingeval een goed met toepassing van de margeregeling wordt verkocht aan een andere wederverkoper die het vervolgens met toepassing van de normale BTW-regels verkoopt, ontmoet het geen bezwaar dat de toepassing van de margeregeling ten aanzien van de eerste levering desgewenst ongedaan gemaakt wordt, mits de termijn voor de aangifte van die levering nog niet verstreken is. Alsdan dient de aanvankelijk uitgereikte factuur vervangen te worden door een factuur waarop de (over de gehele vergoeding berekende) omzetbelasting in rekening wordt gebracht. Na het verstrijken van de aangiftetermijn kan niet meer op de toepassing van de margeregeling teruggekomen worden.
voor de bijzondere regeling voor de handel in kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten hoofdstuk 5, § 5. § 3.9 Intracommunautaire transacties Als een goed dat voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komt in het kader van een intracommunautaire verkoop naar een andere Lid-Staat wordt vervoerd, zal de levering in beginsel met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken worden. Aangezien de intracommunautaire verwerving in de andere Lid-Staat dientengevolge op grond van artikel 26 bis, D, onder b, van de Zesde richtlijn niet aan de belastingheffing onderworpen is, kan het goed niet met toepassing van het nultarief geleverd worden (
Tabel II, post a 6). De levering wordt – ook in geval van afstandsverkopen (artikel 5a, lid 1, van de Wet) – verricht in Nederland. De levering wordt derhalve op gelijke wijze in de belastingheffing betrokken als binnenlandse leveringen waarop de margeregeling wordt toegepast. De wederverkoper heeft echter de mogelijkheid om de normale regels met betrekking tot intracommunautaire transacties toe te passen, namelijk door er uitdrukkelijk voor te kiezen de margeregeling buiten toepassing te laten. Die keuze dient dan wel te blijken uit de factuur, dan wel – als de afnemer geen ondernemer of rechtspersoon is en facturering achterwege gelaten wordt – uit de wijze waarop de levering in de administratie is verwerkt (
). Een en ander geldt spiegelbeeldig ten aanzien van goederen die voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komen en in het kader van een intracommunautaire verkoop vanuit een andere Lid-Staat naar Nederland worden vervoerd. Behoudens ingeval de margeregeling uitdrukkelijk buiten toepassing gelaten is, wordt de intracommunautaire verwerving van dergelijke goederen op grond van artikel 1a, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet niet in de heffing van omzetbelasting betrokken. Goederen die in het kader van een intracommunautaire inkoop vanuit een andere Lid-Staat naar Nederland zijn vervoerd, worden ten aanzien van de margeregeling op gelijke wijze in de heffing betrokken als binnenlandse inkopen. Dit geldt ook voor goederen die in de andere Lid-Staat worden geleverd door een andere wederverkoper die terzake de margeregeling toepast. De verkrijgende wederverkoper is op grond van artikel 1a, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet geen belasting verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving van dergelijke goederen. § 3.10 Intracommunautaire overbrenging § 3.10.1 Overbrenging naar een andere Lid-Staat Als een goed dat voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komt in het kader van een overbrenging in de zin van artikel 3a, lid 2, van de Wet naar een andere Lid-Staat wordt vervoerd, is op grond van het eerste lid van evengenoemd wetsartikel sprake van een levering, welke met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken dient te worden. Aangezien de intracommunautaire verwerving in de andere Lid-Staat dientengevolge op grond van artikel 26 bis, D, onder b, van de Zesde richtlijn niet aan de belastingheffing onderworpen is, kan het goed niet met toepassing van het nultarief worden overgebracht (
Tabel II, post a 6). Een en ander betekent, dat de margeregeling op gelijke wijze van toepassing is op intracommunautaire overbrengingen naar andere Lid-Staten als op binnenlandse leveringen. Het ontmoet geen bezwaar dat de bij de bepaling van de winstmarges in aanmerking te nemen vergoedingen worden gesteld op het bedrag dat de wederverkoper ter zake van de betreffende goederen moet of heeft moeten voldoen (
Dit betekent dat de winstmarge kan worden gesteld op nihil. § 3.10.2 Overbrenging naar Nederland Als een goed dat voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komt in het kader van een overbrenging in de zin van artikel 3a, lid 2, van de Wet vanuit een andere Lid-Staat naar Nederland wordt vervoerd, is op grond van artikel 28 bis, lid 5, onderdeel b, van de Zesde richtlijn sprake van een levering in de andere Lid-Staat, welke aldaar met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken dient te worden. Dit brengt mee, dat ten aanzien van de levering bij wederverkoop van het goed de margeregeling van toepassing is. Daarbij kan als inkoopprijs in aanmerking genomen worden het bedrag dat voor het goed zou moeten worden betaald, met inbegrip van eventuele omzetbelasting, indien het op het tijdstip van de overbrenging zou worden aangeschaft in de toestand waarin het zich op dat tijdstip bevindt. Evenbedoeld bedrag kan worden gesteld op het bedrag dat de wederverkoper ter zake van het goed moet of heeft moeten voldoen (de historische inkoopprijs), mits dat bedrag aan de hand van boeken en bescheiden aannemelijk gemaakt kan worden. Op grond van artikel 1a, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet wordt de intracommunautaire verwerving van het goed niet in de heffing van omzetbelasting betrokken. § 3.11 In- en uitvoer De margeregeling is in beginsel niet van toepassing op goederen die door de wederverkoper of in het kader van de aan hem verrichte levering zijn ingevoerd. Dit is slechts anders ten aanzien van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten.
hoofdstuk 5. Als een goed dat voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komt in het kader van de wederverkoop wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap of wordt gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, lid 1, onder b, van het Communautair douanewetboek, is de margeregeling in beginsel onverkort van toepassing. Dit betekent dat de over de winstmarge verschuldigde belasting wordt berekend met toepassing van het nultarief. De in de inkoopprijs begrepen omzetbelasting komt echter niet voor teruggaaf in aanmerking, ook niet voor zover zij op een factuur in rekening gebracht is of ter zake van invoer is voldaan. Teneinde te bewerkstelligen dat uitdrukkelijk gefactureerde of ter zake van invoer verschuldigd geworden omzetbelasting (bijvoorbeeld ter zake van kunstvoorwerpen waarop krachtens artikel 28c van de Wet de margeregeling van toepassing is,
hoofdstuk 5) bij uitvoer alsnog in aftrek gebracht kan worden, kan de wederverkoper er echter voor kiezen de margeregeling buiten toepassing te laten (
). Alsdan is het nultarief van toepassing op de gehele vergoeding, terwijl de in de inkoopprijs begrepen omzetbelasting, voor zover deze op een factuur in rekening gebracht of ter zake van invoer verschuldigd geworden is, in aftrek kan worden gebracht (
hoofdstuk 5, § 7.1). § 3.12 Toepassing artikel 29 Op grond van artikel 29 van de Wet wordt op verzoek teruggaaf verleend van de ter zake van de leveringen verschuldigd geworden belasting, voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen, dan wel wordt terugbetaald omdat een vermindering van de vergoeding is verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn teruggenomen. In dit verband geldt dat een goed in ongebruikte staat wordt teruggenomen, als het wordt teruggenomen alvorens het door de afnemer in gebruik genomen is. Daarbij is niet van belang, of het goed al dan niet ‘gebruikt’ is in de zin van artikel 2a, lid 1, onderdeel l, van de Wet. Ook ‘gebruikte goederen’ in de zin van de Wet kunnen derhalve in ongebruikte staat worden teruggenomen. Artikel 29 van de Wet brengt bij toepassing van de margeregeling niet mee, dat de teruggaaf waarop de wederverkoper in voorkomende gevallen aanspraak kan maken overeenkomt met de belasting die hij bij toepassing van de normale BTW-regels over het niet-ontvangen casu quo terugbetaalde gedeelte van de vergoeding verschuldigd geweest zou zijn. De wederverkoper kan immers slechts aanspraak maken op teruggaaf, voor zover in de niet ontvangen casu quo terugbetaalde vergoeding belasting begrepen is. Het laatste is afhankelijk van de mate waarin de vergoeding de inkoopprijs heeft overtroffen. Teneinde de omvang van de terug te geven belasting vast te stellen, dient een herrekening plaats te vinden van de winstmarge ter zake van de levering, waarop het verzoek betrekking heeft. Deze herrekening bestaat hieruit, dat de vergoeding wordt verminderd met het niet ontvangen casu quo terugbetaalde gedeelte, waarna de winstmarge opnieuw wordt berekend, uitgaande van de aldus verminderde vergoeding. Voor zover de over de herrekende winstmarge verschuldigde belasting minder bedraagt dan de belasting welke over de winstmarge is aangegeven, wordt het verschil teruggegeven. Indien en voor zover de winstmarge negatief is of ten gevolge van de herrekening negatief wordt, vindt geen teruggaaf plaats. Voorbeeld 1 Aan de afnemer wordt in rekening gebracht 2.380, de inkoopprijs bedroeg 1.
in dit verband tevens § 5.1 tot en met § 5.
). Voorts staat toevoeging van (al dan niet gebruikte) onderdelen aan een gebruikt goed dat daarvoor reeds bestond, toepassing van de margeregeling niet in de weg (
). Het ontmoet in verband met de in de vorige alinea bedoelde mogelijkheden geen bezwaar dat de margeregeling, in afwijking in zoverre van het in de eerste alinea gestelde, eveneens wordt toegepast op nieuwe goederen die vervaardigd zijn uit (onderdelen van) gebruikte goederen, mits die gebruikte goederen a. van dezelfde soort waren als het nieuwe goed; en § 3.18 Splitsing van partijen Ingeval de wederverkoper een partij goederen koopt voor een prijs die niet per goed is geïndividualiseerd, is het niet mogelijk om bij wederverkoop de inkoopprijzen van de verschillende goederen aan de hand van bescheiden vast te stellen. Teneinde de winstmarge per goed vast te stellen, dient de prijs die door de wederverkoper voor de gehele partij is of moet worden voldaan aan de verschillende goederen te worden toegerekend. De wederverkoper is daarin vrij, mits de toerekening uit de administratie blijkt en de grenzen der redelijkheid niet worden overschreden. De toerekening dient niet later te geschieden dan op het tijdstip waarop het eerste goed uit de partij wordt doorverkocht. Bij de toerekening dient in beginsel uitgegaan te worden van een splitsing naar rato van de redelijkerwijs te verwachten verkoopopbrengst. De inkoopprijs van een goed dat naar redelijke verwachting onverkoopbaar is kan derhalve worden gesteld op nihil, zodat de totale inkoopprijs van de partij uitsluitend – naar rato van de verwachte verkoopopbrengst – wordt toegerekend aan de goederen die verkoopbaar geacht worden. Dit brengt uiteraard mee dat alsdan ter zake van de onverkoopbaar geachte goederen, wanneer zij tegen de verwachting in toch worden verkocht, omzetbelasting verschuldigd zal zijn over de gehele vergoeding. Met betrekking tot de vraag, welke verkoopopbrengst redelijkerwijs te verwachten is, sluit de belastingdienst zich aan bij het oordeel van de wederverkoper, tenzij dat oordeel – gelet op de verkoopopbrengsten van soortgelijke goederen – kennelijk onredelijk is. Het staat de wederverkoper in beginsel vrij, de inkoopprijs op een andere wijze te splitsen dan naar rato van de te verwachten verkoopopbrengst, mits dat er niet toe leidt dat de verhouding tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs van een bepaald goed sterk afwijkt van de gemiddelde winstmarge op soortgelijke goederen. Een toerekening die leidt tot een sterke afwijking ten opzichte van de gemiddelde verhouding tussen inkoopprijs en verkoopprijs voor soortgelijke goederen is slechts aanvaardbaar, als de wederverkoper aannemelijk maakt dat bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Voorbeeld Een wederverkoper koopt voor 1.000 een partij goederen in, bestaande uit A, B en C. Naar het oordeel van de wederverkoper is C onverkoopbaar. Op goederen van de soort van A wordt doorgaans een winstmarge van 30% gerealiseerd, en voor goederen van de soort van B een winstmarge van 20%. De te verwachten verkoopprijs voor A is 900, die voor B is
hoofdstuk 3, § 2). Voorts is de wederverkoper die de globalisatieregeling toepast gehouden de bepalingen van de margeregeling na te leven, voor zover deze geen betrekking hebben op de vaststelling van de maatstaf van heffing. De omstandigheid dat voldaan is aan de voorwaarden welke aan toepassing van de margeregeling verbonden zijn brengt overigens op zichzelf nog niet mee dat de globalisatie-regeling van toepassing is, aangezien daarvoor mede vereist is dat de leveringen wettelijk dan wel krachtens beschikking van de inspecteur voor toepassing van de globalisatie-regeling zijn aangewezen (
§ 4.2 Wettelijke bepalingen De globalisatie-regeling berust op artikel 28d van de Wet. Dit artikel luidt: ‘In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt, in afwijking in zoverre van de artikelen 28b en 28c, ter zake van leveringen van goederen waarop een zelfde tarief wordt toegepast, de belasting berekend over de winstmarge per tijdvak van aangifte. Deze winstmarge is het verschil tussen de som van de vergoedingen ter zake van die leveringen in dat tijdvak en de som van hetgeen in dat tijdvak door de wederverkoper is of moet worden voldaan ter zake van in artikel 28b, tweede lid, en 28c, eerste lid, bedoelde leveringen of invoer van dergelijke goederen.’ De gevallen, waarin deze regeling van toepassing is, zijn geregeld in artikel 4c van de Uitvoeringsbeschikking. Dat artikel bevat tevens nadere bepalingen ten aanzien van de wijze waarop de globalisatie-regeling moet worden toegepast. § 4.3 Werking van de globalisatie-regeling Op grond van artikel 28d van de Wet wordt de bij toepassing van de margeregeling verschuldigde belasting in de daartoe aangewezen gevallen niet berekend over de winstmarges per goed, maar over de winstmarge per belastingtijdvak, dat is het verschil tussen a. de som van de vergoedingen ter zake van de onder de margeregeling vallende leveringen in het betreffende tijdvak (hierna: de marge-verkopen), en § 4.4 Wettelijk aangewezen leveringen De leveringen waarop de globalisatie-regeling in beginsel toegepast dient te worden, zijn aangewezen in artikel 4c, lid 1, onderdeel a, van de Uitvoeringsbeschikking. Deze wettelijke aanwijzing omvat de leveringen van – vervoermiddelen, daaronder begrepen caravans, fietsen en bromfietsen; – kleding; – meubels; – boeken en tijdschriften; – foto-, film- en video-apparatuur alsmede beeld- en geluiddragers zoals grammofoonplaten, video- en muziekcassettes en compact-discs; – muziekinstrumenten; – huishoudelijke, elektrische en elektronische apparaten; – huisdieren; – kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten; alsmede van de gebruikte onderdelen, toebehoren en benodigdheden terzake. De aanwijzing geldt voor alle wederverkopers, met uitzondering van veilinghouders. De aanwijzing betekent niet, dat alle genoemde goederen met toepassing van de globalisatie-regeling geleverd kunnen worden. Voor toepassing van de globalisatie-regeling is namelijk tevens vereist, dat voldaan is aan de voorwaarden die aan toepassing van de margeregeling verbonden zijn (
hoofdstuk 3, § 2). De globalisatie-regeling is derhalve alleen van toepassing voor zover de genoemde goederen voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komen. De globalisatie-regeling geldt in beginsel uitsluitend voor goederen als bedoeld in artikel 4c, lid 1, onderdeel a, van de Uitvoeringsbeschikking. Met betrekking tot andere goederen kan de globalisatie-regeling in beginsel alleen worden toegepast, voor zover de wederverkoper individueel voor toepassing van die regeling is aangewezen (
). Het ontmoet evenwel geen bezwaar, dat de wettelijke aanwijzing ook wordt toegepast op de leveringen van curiosa door wederverkopers die met toepassing van de globalisatie-regeling handelen in kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten. Evenbedoelde wederverkopers kunnen de globalisatie-regeling derhalve, zonder daartoe individueel aangewezen te zijn, mede toepassen op de door hen verhandelde curiosa, voor zover die voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komen. Met betrekking tot leveringen waarop noch wettelijk, noch krachtens individuele aanwijzing de globalisatie-regeling van toepassing is, kan – mits aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan – de individuele regeling worden toegepast, ook als de wederverkoper tevens leveringen verricht waarop de globalisatie-regeling van toepassing is. § 4.5 Afzien van globalisatie Op grond van artikel 4c, lid 3, van de Uitvoeringsbeschikking kan een wederverkoper die wettelijk voor toepassing van de globalisatie-regeling aangewezen leveringen verricht, ervoor kiezen de globalisatie-regeling ten aanzien van die leveringen buiten toepassing te laten, mits hij de inspecteur daarvan vooraf schriftelijk in kennis stelt. De kennisgeving betreft de toepasselijkheid van artikel 4c, lid 1, onderdeel a, van de Uitvoeringsbeschikking in zijn geheel. Het is derhalve niet mogelijk, ten aanzien van sommige van de aldaar bedoelde goederen de globalisatie-regeling te blijven toepassen. De kennisgeving heeft tot gevolg, dat de globalisatie-regeling met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar buiten toepassing dient te blijven. Met betrekking tot de betreffende leveringen kan uiteraard wel, onder de daarvoor geldende voorwaarden, de individuele regeling worden toegepast. Een kennisgeving als hiervoor bedoeld geldt tot wederopzegging, doch voor ten minste vijf kalenderjaren. Hoewel dat niet wettelijk is voorgeschreven, verdient het aanbeveling wederopzegging schriftelijk te doen geschieden. Ten gevolge van wederopzegging herleeft de toepasselijkheid van de globalisatie-regeling met ingang van een bij de wederopzegging aangegeven kalenderjaar na de wederopzegging, dan wel, ingeval de wederopzegging geen ingangsdatum vermeldt, met ingang van het kalenderjaar volgend op de wederopzegging. De toepasselijkheid van de globalisatie-regeling herleeft echter niet eerder dan nadat sedert de ingangsdatum van de kennisgeving vijf kalenderjaren verstreken zijn. Na het ingaan van een wederopzegging dienen eveneens vijf kalenderjaren te verstrijken alvorens de globalisatie-regeling opnieuw, krachtens een nieuwe kennisgeving, buiten toepassing kan blijven. § 4.6 Individueel aangewezen wederverkopers Op grond van artikel 4c, lid 1, onderdeel b, van de Uitvoeringsbeschikking kan een wederverkoper op diens verzoek door de inspecteur voor toepassing van de globalisatie-regeling worden aangewezen. Deze individuele aanwijzing kan slechts betrekking hebben op leveringen die niet reeds op grond van onderdeel a van evengenoemd artikel wettelijk voor toepassing van de globalisatie-regeling zijn aangewezen. Voorts is aan de aanwijzing de voorwaarde verbonden, dat a. het onmogelijk of ongebruikelijk is om de betreffende goederen afzonderlijk administratief van inkoop tot verkoop te volgen of om de aankoopprijs van een partij goederen te splitsen in aankoopprijzen voor elk afzonderlijk goed; en § 4.7 Marge-verkopen Bij toepassing van de globalisatie-regeling vormt de bepaling van de margeverkopen het uitgangspunt van de berekening van de maatstaf van heffing. Op grond van artikel 28d van de Wet is het bedrag van de margeverkopen gelijk aan de som van de vergoedingen ter zake van de onder de margeregeling vallende leveringen in het betreffende belastingtijdvak, voor zover op deze leveringen de globalisatie-regeling van toepassing is. § 4.7.1 Relevante transacties Bij de bepaling van de marge-verkopen dienen in beginsel alle leveringen in aanmerking genomen te worden, die betrekking hebben op a. gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten welke op één van de in artikel 28b, lid 2, van de Wet bedoelde wijzen door de wederverkoper verkregen zijn; of § 4.7.2 Bedragen Op grond van artikel 8 van de Wet zijn de ‘vergoedingen’ voor de in aanmerking te nemen leveringen al hetgeen de wederverkoper ter zake van die leveringen in rekening brengt, dan wel, indien dat meer is, hetgeen hij ter zake van die leveringen ontvangt, een en ander exclusief de daarin begrepen omzetbelasting over de winstmarge. Met betrekking tot leveringen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel g, of artikel 3a, lid 1, van de Wet bedraagt de vergoeding het bedrag, exclusief omzetbelasting, dat voor de goederen zou moeten worden betaald indien deze op het tijdstip van de levering zouden worden aangeschaft in de toestand waarin zij zich op dat tijdstip bevinden. Het ontmoet geen bezwaar, dat dit bedrag voor de toepassing van de margeregeling wordt gesteld op het bedrag dat door de wederverkoper ter zake van het goed is of moet worden voldaan (de historische inkoopprijs). § 4.7.3 Tijdvak van aangifte Een redelijke toepassing van artikel 28d van de Wet brengt in verband met de strekking van artikel 13 en artikel 26 van de Wet mee dat met betrekking tot het tijdvak waarin de vergoeding in aanmerking genomen moet worden, afhankelijk van het voor de wederverkoper van toepassing zijnde stelsel, als volgt gehandeld wordt. Ingeval de wederverkoper het factuurstelsel toepast, worden de margeverkopen voor het totale bedrag van de vergoeding in aanmerking genomen in het tijdvak waarin de factuur wordt uitgereikt of uiterlijk uitgereikt had moeten worden, dan wel, als de levering wordt verricht aan een ander dan een ondernemer of rechtspersoon, in het tijdvak waarin het goed geleverd wordt. Ingeval sprake is van vooruitbetaling, worden de vergoedingen echter in zoverre in aanmerking genomen in het tijdvak waarin zij ontvangen worden. Voor zover de vergoeding niet wordt ontvangen of wordt terugbetaald, kan een beroep worden gedaan op artikel 29, lid 1, van de Wet (
). Ingeval de wederverkoper het kasstelsel toepast, worden de margeverkopen in aanmerking genomen voor zover en in het tijdvak waarin de vergoeding ontvangen wordt. Toepassing van artikel 29, lid 1, van de Wet komt alsdan niet aan de orde. § 4.8 Marge-inkopen Bij toepassing van de globalisatie-regeling wordt de maatstaf van heffing berekend door op de marge-verkopen in het betreffende belastingtijdvak de marge-inkopen in dat tijdvak in mindering te brengen. Op grond van artikel 28d van de Wet is het bedrag van de marge-inkopen gelijk aan de som van hetgeen in het betreffende tijdvak door de wederverkoper is of moet worden voldaan ter zake van leveringen of invoer van goederen die bij hem voor toepassing van de margeregeling in aanmerking komen, voor zover op de leveringen van deze goederen door de wederverkoper de globalisatie-regeling van toepassing is. § 4.8.1 Relevante transacties Bij de bepaling van de marge-inkopen dienen alle leveringen in aanmerking genomen te worden, die betrekking hebben op voor de verkoop bestemde a. gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten welke op één van de in artikel 28b, lid 2, van de Wet bedoelde wijzen door de wederverkoper verkregen zijn; of § 4.8.2 Bedragen Ten aanzien van de in aanmerking te nemen leveringen worden de marge-inkopen gesteld op al hetgeen de wederverkoper voor die leveringen heeft voldaan of moet voldoen, met inbegrip van eventuele omzetbelasting. Ingeval sprake is van invoer van in § 8.1 onder b bedoelde kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten, worden tevens in aanmerking genomen de omzetbelasting en het invoerrecht welke ter zake van de invoer verschuldigd geworden zijn. Teneinde te voorkomen dat, in strijd met de uit artikel 4, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit blijkende bedoeling van de wetgever, bij aankoop van een personenauto of motorrijwiel vanuit een andere Lid-Staat mede omzetbelasting geheven zou worden over de alsdan verschuldigde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM), wordt goedgekeurd dat in voorkomende gevallen mede tot de marge-inkopen gerekend wordt de BPM die de wederverkoper in het betreffende tijdvak op eigen naam en voor eigen rekening heeft voldaan ter zake van personenauto’s of motorrijwielen die voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komen, mits deze BPM, voor zover zij aan de afnemers wordt doorberekend, tevens in de vergoeding (marge-verkopen) begrepen wordt. Voor zover de wederverkoper de BPM voor rekening van de afnemers voldoet, is sprake van een zgn. doorlopende post, welke niet tot de vergoeding behoort. Alsdan mag de BPM niet tot de marge-inkopen gerekend worden. De BPM mag slechts in aanmerking genomen worden in het tijdvak waarin zij daadwerkelijk is voldaan. Niet van belang is derhalve, wanneer de verschuldigdheid is ontstaan. § 4.8.3 Tijdvak van aangifte Op grond van artikel 28d van de Wet worden de marge-inkopen in aanmerking genomen in het tijdvak waarin de wederverkoper het door hem te betalen bedrag verschuldigd geworden is, dat is het tijdvak waarin het betreffende goed aan de wederverkoper geleverd wordt dan wel ter zake van die levering een factuur wordt uitgereikt. Voor zover vooruitbetaling plaatsvindt, moeten de marge-inkopen echter in aanmerking genomen worden in het tijdvak waarin de betaling plaatsvindt. Het ontmoet geen bezwaar dat wederverkopers die het kasstelsel toepassen de marge-inkopen steeds in aanmerking nemen voor zover en in het tijdvak waarin het verschuldigde bedrag wordt betaald, mits terzake een bestendige gedragslijn wordt gevolgd. § 4.8.4 Vermindering wegens toepassing normale BTW-regels Bij de bepaling van de marge-inkopen wordt in eerste instantie geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de wederverkoper gebruik maakt van zijn recht, de margeregeling buiten toepassing te laten. Ingeval de wederverkoper van dat recht gebruik maakt, dienen de marge-inkopen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4c, lid 5, van de Uitvoeringsbeschikking verminderd te worden in het tijdvak waarin de betreffende goederen door hem geleverd worden. Daarbij is niet van belang, wanneer de betreffende goederen door de wederverkoper verkregen zijn. Voor de wijze waarop de vermindering moet worden berekend, wordt verwezen naar § 13. § 4.9 Verschuldigde belasting De belasting welke de wederverkoper verschuldigd is ter zake van de leveringen die voor toepassing van de globalisatie-regeling zijn aangewezen, is de bruto winstmarge, zijnde het verschil tussen de marge-verkopen inclusief omzetbelasting en de marge-inkopen, vermenigvuldigd met 19/119 onderscheidenlijk 6/106. Ingeval de winstmarge negatief is, wordt de verschuldigde belasting gesteld op nihil. Een negatieve winstmarge leidt niet tot een recht op teruggaaf, noch tot verrekening met de belasting die ter zake van leveringen onder het andere tarief of uit andere hoofde verschuldigd is.
voor de mogelijkheid om een negatieve winstmarge te verrekenen met de winstmarge over het volgende tijdvak § 12. § 4.10 Jaarglobalisatie Op grond van artikel 4c, lid 7, van de Uitvoeringsbeschikking vindt na afloop van elk kalenderjaar per tariefgroep een berekening plaats van het jaarsaldo over het voorafgaande jaar, dat is het verschil tussen de totale margeverkopen en de totale marge-inkopen over dat jaar. Vervolgens wordt aan de hand van de jaarsaldi de belasting berekend, welke de wederverkoper in totaal verschuldigd is ter zake van de in het voorafgaande jaar met toepassing van de globalisatie-regeling verrichte leveringen. Deze belasting bedraagt per tariefgroep ten minste nihil. Een negatief jaarsaldo voor de ene tariefgroep wordt derhalve niet verrekend met een positief jaarsaldo voor de andere. Ingeval de belasting die de wederverkoper over de jaarsaldi verschuldigd is minder bedraagt dan het bedrag dat in het voorafgaande jaar over de winstmarges verschuldigd geworden is, wordt het verschil op verzoek aan de wederverkoper teruggegeven. Aangezien de over de jaarsaldi verschuldigde belasting ten minste op nihil wordt gesteld, kan de wederverkoper nimmer aanspraak maken op een grotere teruggaaf dan het totale bedrag dat in het voorafgaande kalenderjaar over de winstmarges verschuldigd geworden is.
voor de mogelijkheid om negatieve jaarsaldi te verrekenen met de jaarsaldi over het volgende jaar § 12. Voorbeeld 1 Winstmarge 19% (incl. OB) Winstmarge 6% (incl. OB) OB Kwartaal 1 14.280 2.120 2.400 Kwartaal 2 – 17.850 2.650 150 Kwartaal 3 7.140 – 3.710 1.140 Kwartaal 4 11.900 – 1.590 1.900 Jaarsaldi 15.470 – 530 5.590 Verschuldigde omzetbelasting 2.470 + 0 = 2.470 Teruggaaf 3.120 Geen verrekening van het negatieve jaarsaldo à 6% met het positieve jaarsaldo à 19%. Het eerstgenoemde jaarsaldo wordt wel verrekend met het jaarsaldo à 6% in het volgende jaar (
OB) Winstmarge 6% (incl. OB) OB Kwartaal 1 11.900 2.650 2.050 Kwartaal 2 – 16.660 – 3.180 0 Kwartaal 3 9.520 –2.120 1.520 Kwartaal 4 – 5.950 1.590 90 Jaarsaldi – 1.190 – 1.060 3.660 Verschuldigde Omzetbelasting 0 + 0 = 0 Teruggaaf 3.660 De negatieve jaarsaldi worden verrekend in het kader van de jaarglobalisatie over het volgende kalenderjaar (
). Een verzoek om teruggaaf op grond van de jaarglobalisatie dient te worden gedaan bij de eerste aangifte over het volgende kalenderjaar, en wel door het bedrag waarvoor teruggaaf wordt gevraagd aan te geven onder rubriek 6b (verzoek wegens herrekening en andere correcties). Het verzoek dient te worden gemotiveerd door middel van een gespecificeerde berekening van de jaarsaldi over het jaar waarop het betrekking heeft. Ingeval uit die berekening blijkt dat één van de jaarsaldi negatief is, wordt het verzoek tevens aangemerkt als een verzoek om vaststelling van het betreffende jaarsaldo (
Als de wederverkoper geen aanspraak maakt op teruggaaf of op vaststelling van een negatief jaarsaldo, kan het verzoek achterwege gelaten worden. § 4.11 Begin- en eindvoorraden Op grond van artikel 28d van de Wet komen bij de vaststelling van de winstmarge alleen daadwerkelijk in het betreffende tijdvak gedane inkopen voor aftrek in aanmerking. Dit brengt mee, dat geen rekening gehouden dient te worden met inkopen die vóór dat tijdvak hebben plaatsgevonden, ook niet indien de wederverkoop van de betreffende goederen in dat tijdvak heeft plaatsgevonden. Anderzijds dienen inkopen die betrekking hebben op goederen die pas ná het tijdvak worden verkocht niet op de marge-inkopen in mindering gebracht te worden. Gelet op het vorenstaande dienen de marge-inkopen per belastingtijdvak bepaald te worden zonder rekening te houden met begin- en eindvoorraden. Hetzelfde geldt voor de jaarglobalisatie. Veranderingen in de omvang van de voorraden hebben derhalve geen invloed op de verschuldigde belasting. § 4.12 Carry-forward Met ingang van 1 januari 1996 worden negatieve winstmarges per belastingtijdvak verrekend met winstmarges over het eerstvolgende tijdvak binnen hetzelfde kalenderjaar (verrekening per tijdvak). Voorts worden negatieve jaarsaldi verrekend met jaarsaldi over latere jaren (verrekening per jaar). Op grond van artikel II, lid 2, van de Regeling van 27 september 1995, nr. WV 95/634, Stcrt. 1995, 189, is laatstgenoemde verrekening voor het eerst van toepassing op een negatief jaarsaldo over het jaar
). Ingeval geen aanspraak wordt gemaakt op teruggaaf op grond van de jaarglobalisatie, wordt een negatief jaarsaldo alleen vastgesteld als daar uitdrukkelijk om wordt verzocht. Het verzoek dient alsdan te worden gemotiveerd door middel van een gespecificeerde berekening van het betreffende jaarsaldo. Op grond van artikel 4c, lid 7, van de Uitvoeringsbeschikking komen alleen negatieve jaarsaldi over het voorafgaande kalenderjaar voor verrekening in aanmerking. Dit brengt mee dat geen verrekening plaatsvindt, als over het voorafgaande kalenderjaar geen negatief jaarsaldo is vastgesteld. In dat geval vindt ook geen verrekening plaats van negatieve jaarsaldi over eerdere jaren, ongeacht of die jaarsaldi bij beschikking zijn vastgesteld. Het ontmoet overigens geen bezwaar, dat een verzoek om vaststelling van een negatief jaarsaldo met overeenkomstige toepassing van het besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, ambtshalve wordt ingewilligd ingeval het verzoek te laat, doch binnen de in evengenoemd besluit gestelde termijn wordt ingediend en bij tijdige indiening voor inwilliging in aanmerking gekomen zou zijn. De omstandigheid dat alleen negatieve jaarsaldi over het voorafgaande jaar in aanmerking genomen worden, brengt voorts mee dat verrekening achterwege blijft, als in het voorafgaande jaar de individuele regeling is toegepast. In voorkomende gevallen komen ook onverrekend gebleven negatieve saldi uit eerdere jaren niet voor verrekening in aanmerking. § 4.13 Correctie bij toepassing normale BTW-regels Op grond van artikel 28f, lid 1, van de Wet hebben wederverkopers ten aanzien van de goederen waarop in beginsel de margeregeling van toepassing is het recht, de margeregeling buiten toepassing te laten en de normale BTW-regels toe te passen. Van dat recht wordt gebruik gemaakt, als de toepassing van de normale BTW-regels blijkt uit de ter zake van de levering uitgereikte factuur, dan wel – ingeval de afnemer geen ondernemer of rechtspersoon is en facturering achterwege gelaten wordt – uit de wijze waarop de levering in de administratie is verwerkt (
hoofdstuk 3, § 8). Ingeval de wederverkoper van evenbedoeld recht gebruik maakt, dienen de marge-inkopen op grond van artikel 4c, lid 5, van de Uitvoeringsbeschikking verminderd te worden. De vermindering dient plaats te vinden in het belastingtijdvak waarin het betreffende goed door de wederverkoper geleverd wordt, en bedraagt a. het bedrag dat eerder bij de berekening van de winstmarge per tijdvak van aangifte ter zake van het betreffende goed in aanmerking is genomen; of § 4.14 Intracommunautaire transacties Als een goed dat voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komt in het kader van een intracommunautaire verkoop naar een andere Lid-Staat wordt vervoerd, zal de levering in beginsel met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken worden. Aangezien de intracommunautaire verwerving in de andere Lid-Staat dientengevolge op grond van artikel 26 bis, D, onder b, van de Zesde richtlijn niet aan de belastingheffing onderworpen is, kan het goed niet met toepassing van het nultarief geleverd worden (
Tabel II, post a 6). Een en ander betekent, dat de globalisatie-regeling op gelijke wijze van toepassing is op intracommunautaire leveringen als op binnenlandse leveringen, zodat de vergoedingen terzake bij de bepaling van de marge-verkopen in aanmerking genomen moeten worden. De wederverkoper heeft echter de mogelijkheid om de normale regels met betrekking tot intracommunautaire transacties toe te passen, namelijk door er uitdrukkelijk voor te kiezen de margeregeling buiten toepassing te laten. Die keuze dient dan wel te blijken uit de factuur, dan wel – als de afnemer geen ondernemer of rechtspersoon is en facturering achterwege gelaten wordt – uit de wijze waarop de levering in de administratie is verwerkt (
hoofdstuk 3, § 8). Als de wederverkoper van deze mogelijkheid gebruik maakt, blijft de vergoeding ter zake van de levering bij de bepaling van de marge-verkopen buiten aanmerking en dienen de marge-inkopen overeenkomstig het bepaalde in § 13 gecorrigeerd te worden. Goederen die in het kader van een intracommunautaire inkoop vanuit een andere Lid-Staat naar Nederland worden vervoerd, worden ten aanzien van de globalisatie-regeling op gelijke wijze in de heffing betrokken als binnenlandse inkopen. Dit betekent dat de leveringen van deze goederen, voor zover voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling en de goederen voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komen, in aanmerking genomen worden bij de bepaling van de marge-inkopen. § 4.15 Intracommunautaire overbrenging § 4.15.1 Overbrenging naar een andere Lid-Staat Als een goed dat voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komt in het kader van een overbrenging in de zin van artikel 3a, lid 2, van de Wet naar een andere Lid-Staat wordt vervoerd, is op grond van het eerste lid van evengenoemd wetsartikel sprake van een levering, welke met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken dient te worden. Aangezien de intracommunautaire verwerving in de andere Lid-Staat dientengevolge op grond van artikel 26 bis, D, onder b, van de Zesde richtlijn niet aan de belastingheffing onderworpen is, kan het goed niet met toepassing van het nultarief worden overgebracht (
Tabel II, post a 6). Een en ander betekent, dat de globalisatie-regeling op gelijke wijze van toepassing is op intracommunautaire overbrengingen als op binnenlandse leveringen. De vergoedingen ter zake van deze overbrengingen (
Het ontmoet geen bezwaar, dat deze vergoedingen worden gesteld op het bedrag dat de wederverkoper ter zake van de betreffende goederen moet of heeft moeten voldoen. § 4.15.2 Overbrenging naar Nederland Als een goed dat voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komt in het kader van een overbrenging in de zin van artikel 3a, lid 2, van de Wet vanuit een andere Lid-Staat naar Nederland wordt vervoerd, is op grond van artikel 28 bis, lid 5, onderdeel b, van de Zesde richtlijn sprake van een levering in de andere Lid-Staat, welke aldaar met toepassing van de margeregeling in de heffing betrokken dient te worden. Dit brengt mee, dat ten aanzien van de levering bij wederverkoop van het goed de globalisatie-regeling van toepassing is. Teneinde dubbele heffing te voorkomen ontmoet het geen bezwaar, dat in voorkomende gevallen mede als marge-inkoop in aanmerking wordt genomen het bedrag dat voor het goed zou moeten worden betaald, met inbegrip van eventuele omzetbelasting, indien het op het tijdstip van de overbrenging zou worden aangeschaft in de toestand waarin het zich op dat tijdstip bevindt. Evenbedoeld bedrag kan worden gesteld op het bedrag dat de wederverkoper ter zake van het goed moet of heeft moeten voldoen (de historische inkoopprijs), mits dat bedrag aan de hand van boeken en bescheiden aannemelijk gemaakt kan worden. § 4.16 In- en uitvoer De margeregeling is in beginsel niet van toepassing op goederen die door de wederverkoper of in het kader van de aan hem verrichte levering zijn ingevoerd. Dit brengt mee, dat deze goederen ook niet voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komen. Een en ander is slechts anders ten aanzien van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten.
hoofdstuk 5. Als een goed dat voor toepassing van de globalisatie-regeling in aanmerking komt in het kader van de wederverkoop wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap of wordt gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, lid 1, onder b, van het Communautair douanewetboek, is de globalisatie-regeling in beginsel onverkort van toepassing. Aangezien de levering is onderworpen aan het nultarief, ontmoet het evenwel geen bezwaar dat de vergoeding terzake niet in aanmerking genomen wordt bij de bepaling van de marge-verkopen, maar wordt aangegeven onder rubriek 3a (leveringen buiten de EG). De omstandigheid dat het nultarief van toepassing is brengt voorts op grond van artikel 4c, lid 5, van de Uitvoeringsbeschikking mee, dat de marge-inkopen op dezelfde wijze verminderd moeten worden als wanneer de goederen onder de normale BTW-regels verkocht zouden zijn.
daarvoor §
Deze stelselwijzigingen hebben geen gevolgen voor de toepassing van de globalisatie-regeling in de periode waarin deze van toepassing is. In het bijzonder dient in beide gevallen bij de bepaling van de marge-inkopen over de tijdvakken waarin de globalisatie-regeling wordt toegepast, geen rekening gehouden te worden met de voorraad op het tijdstip van de stelselwijziging. § 4.19 Overdracht of overgang van een onderneming Op grond van artikel 31 van de Wet dient de globalisatie-regeling in geval van overdracht van een onderneming of een deel daarvan door beide partijen toegepast te worden over het gedeelte van het kalenderjaar waarin de onderneming voor hun rekening gedreven is, waarbij de overdracht van de onderneming buiten beschouwing dient te blijven. Dit betekent, dat als volgt gehandeld dient te worden. 1. De overdragende partij (hierna: de verkoper) voldoet in het kader van de margeregeling over de periode voorafgaande aan de overdracht omzetbelasting over het verschil tussen de marge-verkopen en de marge-inkopen in die periode. Hetzelfde geldt voor de overnemende partij (hierna: de koper) ten aanzien van de periode vanaf de overdracht. § 4.20 Fiscale eenheid Het onder § 19 gestelde met betrekking tot de overdracht van een onderneming waarop artikel 31 van de Wet van toepassing is, geldt mutatis mutandis ook voor de vorming of beëindiging van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet, alsmede voor de toetreding tot of uittreding uit een dergelijke eenheid, met dien verstande, dat in geval van vorming van of toetreding tot een fiscale eenheid – de jaarglobalisatie, bedoeld in § 10, over het jaar van de voeging uitsluitend wordt toegepast door de fiscale eenheid; bij deze jaarglobalisatie worden de vóór het tijdstip van voeging verrichte marge-inkopen en marge-verkopen van de onderdelen waaruit de fiscale eenheid is gevormd of die tot haar zijn toegetreden, aan de fiscale eenheid toegerekend; – de verrekening, bedoeld in artikel 4c, lid 6, van de Uitvoeringsbeschikking (verrekening per tijdvak) door de fiscale eenheid mede kan worden toegepast ten aanzien van negatieve winstmarges die zijn ontstaan in de bedrijfsuitoefening van onderdelen waaruit de fiscale eenheid is gevormd of die tot haar zijn toegetreden, voor zover die negatieve winstmarges op het tijdstip van de voeging nog voor verrekening in aanmerking kwamen; – de verrekening, bedoeld in artikel 4c, lid 7, van de Uitvoeringsbeschikking (verrekening per jaar) door de fiscale eenheid mede kan worden toegepast ten aanzien van negatieve jaarsaldi die zijn ontstaan in de bedrijfsuitoefening van onderdelen waaruit de fiscale eenheid is gevormd of die tot haar zijn toegetreden, voor zover die negatieve jaarsaldi op het tijdstip van de voeging nog voor verrekening in aanmerking kwamen. In geval van uittreding uit een fiscale eenheid, kan het uitgetreden onderdeel de jaarglobalisatie slechts toepassen op de marge-verkopen en de marge-inkopen over de periode na het tijdstip van de ontvoeging. Voorts kan het uitgetreden onderdeel de verrekening, bedoeld in artikel 4c, lid 6 en lid 7, van de Uitvoeringsbeschikking, slechts toepassen op negatieve winstmarges en negatieve jaarsaldi die na het tijdstip van de ontvoeging in de eigen bedrijfsuitoefening zijn ontstaan. Een en ander geldt eveneens in geval van beëindiging van een fiscale eenheid. Met betrekking tot de stelselkeuze – individuele regeling of globalisatie – kan in aanvulling op § 19 nog het volgende worden opgemerkt. Aangezien een fiscale eenheid voor de omzetbelasting wordt aangemerkt als één ondernemer, dient in alle onderdelen van de eenheid in beginsel hetzelfde stelsel toegepast te worden. Slechts als toepassing van hetzelfde stelsel op grond van artikel 4c, leden 1 en 2, van de Uitvoeringsbeschikking niet mogelijk is, kan een verschillend stelsel worden toegepast. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor als deels gehandeld wordt in goederen die wettelijk voor globalisatie zijn aangewezen, deels in goederen waarvoor geen wettelijke aanwijzing geldt. In dergelijke gevallen kan voor de eerste categorie goederen de globalisatie-regeling worden toegepast en voor de tweede de individuele regeling. Indien evenwel wordt afgezien van globalisatie of om een individuele aanwijzing voor toepassing van de globalisatie-regeling wordt verzocht (
en § 6), dient die keuze te gelden voor alle goederen waarop de keuze betrekking heeft. Het is derhalve niet mogelijk dezelfde soort goederen in één onderdeel van een fiscale eenheid onder de individuele regeling, en in een ander onderdeel onder de globalisatie-regeling te verkopen. In geval van vorming van of toetreding tot een fiscale eenheid, komt op grond van artikel 3a, lid 4, van de Uitvoeringsbeschikking geen betekenis toe aan de krachtens artikel 4c, lid 3 en lid 4, van de Uitvoeringsbeschikking voor de gevoegde onderdelen geldende termijnen met betrekking tot het in die onderdelen van toepassing zijnde stelsel. De fiscale eenheid is derhalve niet gehouden het door de gevoegde onderdelen toegepaste stelsel voort te zetten, ook niet als evenbedoelde termijnen nog niet verstreken zijn. Dit betekent dat de fiscale eenheid een eigen keuzerecht heeft. Dit keuzerecht kan worden uitgeoefend met ingang van de datum waarop zij tot stand komt, mits de kennisgeving onderscheidenlijk het verzoek aan de inspecteur binnen een redelijke termijn na de totstandkoming wordt ingediend. Zolang de fiscale eenheid van dat recht geen gebruik maakt, dient zij in al haar onderdelen het wettelijk aangewezen stelsel toe te passen, ook als in de gevoegde onderdelen een ander stelsel werd toegepast. Zodra de fiscale eenheid van het keuzerecht gebruik maakt, is zij daar gedurende vijf jaren aan gebonden. Deze termijn begint te lopen op het tijdstip waarop de keuze voor de fiscale eenheid van kracht wordt, ongeacht de tijd gedurende welke het betreffende stelsel reeds in de gevoegde onderdelen werd toegepast. Bij toetreding tot een fiscale eenheid geldt het door de fiscale eenheid toegepaste stelsel met ingang van het tijdstip van toetreding ook voor het toetredende onderdeel. Ingeval onderdelen van een fiscale eenheid uit de eenheid treden, verliezen de in artikel 4c, leden 3 en 4, van de Uitvoeringsbeschikking gestelde termijnen met betrekking tot de stelselkeuze in de fiscale eenheid op grond van artikel 3a, lid 4, van de Uitvoeringsbeschikking voor wat de uittredende onderdelen betreft hun betekenis. Hetzelfde geldt bij beëindiging van de fiscale eenheid. De ontvoegde onderdelen zijn derhalve in voorkomende gevallen niet gehouden het door de fiscale eenheid toegepaste stelsel voort te zetten, ook niet als evenbedoelde termijnen nog niet verstreken zijn. Dit betekent dat voor de ontvoegde onderdelen een nieuw keuzerecht ontstaat. Dit keuzerecht kan worden uitgeoefend met ingang van de datum van ontvoeging, mits de kennisgeving onderscheidenlijk het verzoek aan de inspecteur vóór of binnen een redelijke termijn na de ontvoeging wordt ingediend. Zolang van dat recht geen gebruik gemaakt wordt, dienen de ontvoegde onderdelen het wettelijk aangewezen stelsel toe te passen, ook als in de fiscale eenheid een ander stelsel werd toegepast. Zodra een ontvoegd onderdeel van het keuzerecht gebruik maakt, is het daar gedurende vijf jaren aan gebonden. Deze termijn begint te lopen op het tijdstip waarop de keuze voor het betrokken onderdeel van kracht wordt, ongeacht de tijd gedurende welke het betreffende stelsel reeds in de fiscale eenheid werd toegepast. § 4.21 Overdracht van een onderneming in het kader van een reorganisatie Het onder § 19 gestelde met betrekking tot de overdracht van een onderneming waarop artikel 31 van de Wet van toepassing is, geldt in beginsel ook voor de overdracht van een onderneming in het kader van een reorganisatie waarbij de gehele onderneming wordt overgedragen aan een nieuw opgerichte dochtervennootschap en de moedervennootschap, die voorheen de onderneming dreef, de functie krijgt van beheersmaatschappij. Het ontmoet evenwel geen bezwaar, dat in voorkomend geval de dochtervennootschap, in afwijking van artikel 8, lid 2, van de Uitvoeringbeschikking, voor wat de toepassing van de carry-forwardregeling betreft in de plaats van de moedervennootschap treedt, mits de vennootschappen vanaf het tijdstip van de overdracht in aanmerking komen voor aanwijzing als fiscale eenheid en als zodanig handelen. Dit betekent dat eventuele negatieve winstmarges en negatieve jaarsaldi, voor zover zij bij de moedervennootschap voor verrekening in aanmerking kwamen, kunnen worden doorgeschoven naar de dochtervennootschap, alsof de fiscale eenheid ten tijde van de overdracht reeds bestond. Op de daadwerkelijke vorming van de fiscale eenheid is het gestelde onder § 20 van toepassing. Deze goedkeuring is niet van toepassing, als de moedervennootschap geen deel kan uitmaken van een fiscale eenheid met de dochtervennootschap, bijvoorbeeld omdat de moedervennootschap een zuivere holding wordt. Zij geldt evenmin voor de situatie, dat een natuurlijke persoon zijn onderneming inbrengt in een vennootschap. § 4.22 Bedrijfsbeëindiging In het jaar van bedrijfsbeëindiging zou onverkorte toepassing van de globalisatie-regeling in het algemeen leiden tot een winstmarge die aanmerkelijk hoger is dan de daadwerkelijk door de wederverkoper gerealiseerde brutowinst, aangezien in dat jaar naar verhouding weinig marge-inkopen zullen plaatsvinden. Teneinde te komen tot een redelijke wetstoepassing, waarbij de globalisatie-regeling tot resultaten leidt welke op langere termijn niet te sterk afwijken van die van de individuele regeling, wordt daarom goedgekeurd dat in het jaar van bedrijfsbeëindiging overeenkomstig de volgende bepalingen gehandeld wordt. 1. De wederverkoper die in het jaar van bedrijfsbeëindiging de globalisatieregeling toepast, kan het bij de jaarglobalisatie over dat jaar in aanmerking te nemen jaarsaldo (
) verminderen met de waarde waarvoor de aan het begin van dat jaar aanwezige voorraad goederen is opgenomen op de fiscale balans, voor zover deze groter is dan het bedrag dat eventueel op de voet van artikel 4c, lid 7, tweede volzin, van de Uitvoeringsbeschikking voor verrekening in aanmerking komt. Bij de bepaling van de waarde van de beginvoorraad dienen alleen de goederen in aanmerking genomen te worden die met toepassing van de globalisatie-regeling zijn verkocht. De vermindering geschiedt per tariefgroep.
n van de afrekening, bedoeld in artikel 4b, lid 3, van de Uitvoeringsbeschikking (
hoofdstuk 8, § 2.2). Terzake wordt verwezen naar hoofdstuk 5, § 9. Ingeval een onderneming of een gedeelte van een onderneming waarin de margeregeling wordt toegepast met toepassing van artikel 31 van de Wet wordt overgedragen, wordt degene aan wie de overdracht is geschied ook voor de toepassing van bovenstaande regeling geacht in de plaats getreden te zijn van degene die de onderneming of het gedeelte daarvan heeft overgedragen. § 4.23 Autodemontagebedrijven De margeregeling kan ook toepassing vinden ten aanzien van de levering van onderdelen welke afkomstig zijn van gedemonteerde auto’s, indien de levering van die auto’s zelf ook onder de margeregeling zou kunnen vallen. De te demonteren auto’s worden ingekocht, zowel van particulieren en andere niet-ondernemers als van ondernemers die ter zake van de levering de normale BTW-regels toepassen. Dit brengt mee, dat op een gedeelte van de omzet de margeregeling kan worden toegepast. Uit overleg met vertegenwoordigers van de autodemontagebranche is echter gebleken, dat de te onderscheiden goederenstromen in deze bedrijfstak in de praktijk vrijwel niet te volgen zijn, zodat noch de individuele regeling, noch de globalisatie-regeling kan worden toegepast zonder aan de goederenadministratie zeer stringente en in de praktijk nauwelijks uitvoerbare eisen te stellen. Teneinde toepassing van de globalisatie-regeling in de autodemontage-branche toch mogelijk te maken, zonder daarbij afbreuk te doen aan doel en strekking van de margeregeling, wordt goedgekeurd dat autodemontagebedrijven in het kader van de globalisatie-regeling de volgende forfaitaire berekeningsmethode toepassen. Deze methode houdt enerzijds in, dat de omzet op forfaitaire wijze wordt gesplitst in een gedeelte dat onder de normale BTW-regels valt en een gedeelte waarop de margeregeling van toepassing is (
.1) en anderzijds, dat de winstmarge op forfaitaire wijze wordt bepaald (
§ 4.23.1 Forfaitaire verdeling van de omzet De verdeling van de omzet (inclusief omzetbelasting) over een bepaalde periode in het gedeelte waarop de margeregeling van toepassing is en het gedeelte waarop de normale BTW-regels van toepassing zijn, geschiedt overeenkomstig de verhouding tussen de inkopen in diezelfde periode van goederen die voor toepassing van de margeregeling in aanmerking kunnen komen en de overige inkopen. Hierbij worden alleen in aanmerking genomen de inkopen van goederen die voo
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.