dienst: de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; b. coördinator: de functionaris, bedoeld in artikel 4; c. Onze betrokken Minister: 1°. ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; 2°. ten aanzien van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Defensie; 3°. ten aanzien van de coördinator: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; d. gegevens: persoonsgegevens en andere gegevens; e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon; f. gegevensverwerking of verwerking van gegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot gegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens; g. commissie van toezicht: de commissie, bedoeld in artikel 64. Artikel 2 De diensten en de coördinator verrichten hun taak in gebondenheid aan de wet en in ondergeschiktheid aan Onze betrokken Minister. Hoofdstuk 2 De diensten en de coördinatie tussen de diensten Paragraaf 2.1 De coördinatie van de taakuitvoering door de diensten Artikel 3 Onze betrokken Ministers plegen regelmatig onderling overleg over hun beleid betreffende de diensten en de coördinatie van dat beleid. Andere dan Onze betrokken Ministers worden voor deelname aan het overleg uitgenodigd, indien dit, gelet op de door hen te behartigen belangen, noodzakelijk is. Artikel 4 1 Er is een coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. 2 De coördinator wordt op gemeenschappelijke voordracht van Onze betrokken Ministers bij koninklijk besluit benoemd. 3 De coördinator heeft tot taak om overeenkomstig de aanwijzingen van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze overige betrokken Ministers: a. het in artikel 3 bedoelde overleg voor te bereiden; b. de uitvoering van de taken van de diensten te coördineren. 4 De coördinator stelt Onze betrokken Ministers in kennis van al hetgeen van belang kan zijn. 5 Op de verwerking van gegevens door de coördinator is hoofdstuk 3 met uitzondering van paragraaf 3.2.2, alsmede hoofdstuk 4 van overeenkomstige toepassing. Artikel 5 De hoofden van de diensten verlenen de coördinator medewerking voor de uitoefening van zijn taak. Zij verschaffen hem daartoe alle nodige inlichtingen. Paragraaf 2.2 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst Artikel 6 1 Er is een Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. 2 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het belang van de nationale veiligheid tot taak: a. het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat; b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken; c. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder a genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding door de nationale veiligheid wordt geboden en van die onderdelen van de overheidsdienst en van het bedrijfsleven die naar het oordeel van Onze ter zake verantwoordelijke Ministers van vitaal belang zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven; d. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen ten aanzien van onderwerpen die door Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers zijn aangewezen; e. het opstellen van dreigings- en risicoanalyses op verzoek van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk ten behoeve van de beveiliging van de personen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, onderdeel b, en 42, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012 en de bewaking en de beveiliging van de objecten en de diensten die zijn aangewezen op grond van artikel 16 van die wet. Artikel 6a 1 De dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, worden opgesteld naar aanleiding van gegevens die worden verstrekt door: a. de personen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, onder b, en 42, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012; b. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen van de personen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, onder b, en 42, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012; c. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen van de objecten of de diensten, die zijn aangewezen op grond van artikel 16 van de Politiewet 2012; d. de diensten; e. de politie; of f. het openbaar ministerie. 2 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is slechts bevoegd gegevens te verzamelen ten behoeve van het opstellen van de dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, indien de gegevens die op grond van het eerste lid zijn verstrekt dat noodzakelijk maken. Paragraaf 2.3 De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst Artikel 7 1 Er is een Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. 2 De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het belang van de nationale veiligheid tot taak: a. het verrichten van onderzoek: 1°. omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, ten behoeve van een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht; 2°. naar factoren die van invloed zijn of kunnen zijn op de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde voor zover de krijgsmacht daarbij is betrokken of naar verwachting betrokken kan worden; b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken; c. het verrichten van onderzoek dat nodig is voor het treffen van maatregelen: 1°. ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden; 2°. ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten; 3°. ten behoeve van een ongestoorde voorbereiding en inzet van de krijgsmacht als bedoeld in onderdeel a, onder 2°. d. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder c genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter beveiliging van gegevens betreffende de krijgsmacht waarvan de geheimhouding is geboden; e. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen, ten aanzien van onderwerpen met een militaire relevantie die door Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, zijn aangewezen; f. het opstellen van dreigingsanalyses op verzoek van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk ten behoeve van de beveiliging van de personen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, onderdeel b, en 42, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012 en de bewaking en de beveiliging van de objecten en de diensten die zijn aangewezen op grond van artikel 16 van die wet, voor zover het betreft personen, objecten en diensten met een militaire relevantie. Artikel 7a 1 De dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel f, worden opgesteld naar aanleiding van gegevens die worden verstrekt door: a. de personen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, onder b, en 42, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012; b. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen van de personen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, onder b, en 42, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012; c. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen van de objecten of de diensten, die zijn aangewezen op grond van artikel 16 van de Politiewet 2012; d. de diensten; e. de politie; of f. het openbaar ministerie. 2 De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is slechts bevoegd gegevens te verzamelen ten behoeve van het opstellen van de dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel f, indien de gegevens die op grond van het eerste lid zijn verstrekt dat noodzakelijk maken. Paragraaf 2.4 Verslaglegging omtrent de taakuitvoering door de diensten Artikel 8 1 Onze betrokken Ministers brengen jaarlijks voor 1 mei gelijktijdig aan beide kamers der Staten-Generaal een openbaar verslag uit van de wijze waarop de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst hun taken in het afgelopen kalenderjaar hebben verricht. 2 In het verslag wordt in ieder geval volledig overzicht gegeven van: a. de aandachtsgebieden waarop de dienst zijn activiteiten in het afgelopen jaar heeft gericht; b. de aandachtsgebieden waarop de dienst zijn activiteiten in het lopende jaar in ieder geval zal richten. 3 In het openbare jaarverslag blijft vermelding achterwege van in ieder geval de gegevens die zicht geven op: a. door de dienst aangewende middelen in concrete aangelegenheden; b. door de dienst aangewende geheime bronnen; c. het actuele kennisniveau van de dienst. 4 Onze betrokken Minister kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, vertrouwelijk meedelen aan een of beide kamers der Staten-Generaal. 5 Onverminderd de verplichting, bedoeld in het eerste lid, informeren Onze betrokken Ministers uit eigen beweging beide kamers der Staten-Generaal, indien daartoe aanleiding bestaat. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 2.5 Bijzondere bepalingen betreffende de functionarissen die ten behoeve van de diensten werkzaam zijn Artikel 9 1 De ambtenaren van de diensten bezitten geen bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten. 2 De in artikel 60 bedoelde ambtenaren oefenen bij het verrichten van de daar bedoelde werkzaamheden geen bevoegdheden tot het opsporen van strafbare feiten uit. Artikel 10 1 Het is de ambtenaar van een dienst verboden, anders dan in de uitoefening van zijn functie, te reizen naar dan wel te verblijven in: a. een land waar feitelijk een gewapend conflict bestaat; b. door Onze betrokken Ministers gezamenlijk bij ministeriële regeling aangewezen landen waarin het verblijf door een ambtenaar van een dienst een bijzonder risico voor de nationale veiligheid kan opleveren. 2 Onze betrokken Minister kan ontheffing van het in het eerste lid bedoelde verbod verlenen, indien dringende persoonlijke of andere belangen van de betrokken ambtenaar dat vereisen en de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat zich daartegen niet verzetten. 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de coördinator, de aan hem ondergeschikte ambtenaren en de krachtens artikel 60, tweede lid, aangewezen ambtenaren. Paragraaf 2.6 Nadere regels met betrekking tot organisatie, werkwijze en beheer van de diensten Artikel 11 Onze betrokken Minister kan ten aanzien van de organisatie, de werkwijze en het beheer van een dienst nadere regels stellen. Hoofdstuk 3 De verwerking van gegevens door de diensten Paragraaf 3.
1 De diensten zijn bevoegd tot het verwerken van gegevens met inachtneming van de eisen die daaraan bij of krachtens deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken zijn gesteld. 2 De verwerking van gegevens vindt slechts plaats voor een bepaald doel en slechts voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken. 3 De verwerking van gegevens geschiedt in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze. 4 De gegevens die in het kader van de taakuitvoering van de diensten worden verwerkt, zijn voorzien van een aanduiding omtrent de mate van betrouwbaarheid dan wel een verwijzing naar het document of de bron waaraan de gegevens zijn ontleend. Artikel 13 1 De verwerking van persoonsgegevens door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op personen: a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat; b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek; c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen; d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen; e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst; f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst; g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van de dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e. 2 De verwerking van persoonsgegevens door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op personen: a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de veiligheid of de paraatheid van de krijgsmacht; b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek; c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen; d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen; e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst; f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst; g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van een onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, sub 2°; h. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van de dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel f; i. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van een analyse door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, in opdracht van onze minister van Defensie, van potentiële dreigingen tegen een bij de krijgsmacht werkzaam persoon of een bij de krijgsmacht in gebruik zijnd object, welke niet ingevolge de artikelen 4, derde lid, onderdeel b, en 42, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk artikel 16 van de Politiewet 2012 is aangewezen. 3 De verwerking van persoonsgegevens wegens iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, gezondheid en seksuele leven vindt niet plaats. 4 De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het derde lid bedoelde kenmerken vindt slechts plaats in aanvulling op de verwerking van andere gegevens en slechts voor zover dat voor het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is. Artikel 14 1 De artikelen 12, 13, eerste, derde en vierde lid, zijn tevens van toepassing op de verwerking van gegevens ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst door de ambtenaren, bedoeld in artikel
1 De diensten zijn in het kader van een goede taakuitvoering bevoegd om omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan: a. Onze Ministers wie deze aangaan; b. andere bestuursorganen wie deze aangaan; c. andere personen of instanties wie deze aangaan; d. daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen. 2 Een mededeling als bedoeld in het eerste lid geschiedt door Onze betrokken Minister, indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft. 3 Onverminderd de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan van door de diensten verwerkte gegevens voorts slechts mededeling worden gedaan in de gevallen voorzien bij deze wet. Artikel 37 1 De verstrekking van gegevens kan geschieden onder de voorwaarde dat degene aan wie de gegevens worden verstrekt, deze gegevens niet aan anderen mag verstrekken. 2 De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval gesteld, indien gegevens worden verstrekt aan een instantie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onder d. 3 Indien gegevens zijn verstrekt onder de voorwaarde dat deze niet aan anderen mogen worden verstrekt, kan door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst alsnog toestemming worden verleend om deze aan andere personen of instanties te verstrekken. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 38 1 Indien bij de verwerking van gegevens door of ten behoeve van een dienst blijkt van gegevens die tevens van belang kunnen zijn voor de opsporing of vervolging van strafbare feiten, kan daarvan door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst, onverminderd het geval dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat, schriftelijk mededeling worden gedaan aan het daartoe aangewezen lid van het openbaar ministerie. 2 In spoedeisende gevallen kan de mededeling, bedoeld in het eerste lid, mondeling geschieden. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst bevestigt de desbetreffende mededeling zo spoedig mogelijk schriftelijk. 3 Op een daartoe strekkend verzoek van het daartoe aangewezen lid van het openbaar ministerie wordt inzage gegeven in alle aan de mededeling ten grondslag liggende gegevens die voor de beoordeling van de juistheid van de mededeling noodzakelijk zijn. De artikelen 85 en 86 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 39 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 38 kan voorts, indien bij de verwerking van gegevens door of ten behoeve van een dienst daarvan is gebleken, op grond van een dringende en gewichtige reden schriftelijk mededeling worden gedaan van gegevens aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen personen of instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van een publieke taak, voor zover deze gegevens tevens van belang kunnen zijn voor de behartiging van de aan hen in dat kader opgedragen belangen. 2 Artikel 40, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Paragraaf 3.3.2.2 Bijzondere bepalingen betreffende de externe verstrekking van persoonsgegevens Artikel 40 1 Persoonsgegevens worden door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst schriftelijk medegedeeld, indien de persoon of instantie waaraan de desbetreffende mededeling wordt gedaan naar aanleiding van die mededeling jegens de desbetreffende persoon bevoegd is maatregelen te treffen. 2 In spoedeisende gevallen kan de mededeling, bedoeld in het eerste lid, mondeling geschieden. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst bevestigt de desbetreffende mededeling zo spoedig mogelijk schriftelijk. 3 Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst kan aan een persoon of instantie inzage verlenen in de aan de mededeling ten grondslag liggende gegevens, voor zover dat voor de beoordeling van de juistheid van de mededeling noodzakelijk is. De artikelen 85 en 86, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de personen en instanties waaraan inzage in de desbetreffende gegevens is verleend. Artikel 41 1 Verstrekking van persoonsgegevens waarvan de juistheid redelijkerwijs niet kan worden vastgesteld of die meer dan 10 jaar geleden zijn verwerkt, terwijl ten aanzien van de desbetreffende persoon sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt, vindt niet plaats. 2 In afwijking van het eerste lid kan over persoonsgegevens slechts mededeling worden gedaan aan: a. een dienst of een instantie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onder d; b. instanties die zijn belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten; c. andere instanties in door Onze betrokken Minister te bepalen bijzondere gevallen. 3 Bij een mededeling als bedoeld in het tweede lid wordt de mate van betrouwbaarheid alsmede de ouderdom van de daaraan ten grondslag liggende gegevens vermeld. Indien met betrekking tot de desbetreffende gegevens een verklaring als bedoeld in artikel 48, eerste lid, voorhanden is, wordt deze gelijktijdig verstrekt. 4 Artikel 40, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 42 Van de verstrekking van persoonsgegevens wordt aantekening gehouden. Paragraaf 3.4 De verwijdering, vernietiging en overbrenging van gegevens Artikel 43 1 De gegevens die, gelet op het doel waarvoor zij worden verwerkt, hun betekenis hebben verloren, worden verwijderd. 2 Indien blijkt dat gegevens onjuist zijn of ten onrechte worden verwerkt, worden deze verbeterd onderscheidenlijk verwijderd. Onze betrokken Minister doet daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan hen wie hij de desbetreffende gegevens heeft verstrekt. 3 De verwijderde gegevens worden vernietigd, tenzij wettelijke regels omtrent bewaring daaraan in de weg staan. 4 Indien met betrekking tot de voor vernietiging in aanmerking komende gegevens een aanvraag als bedoeld in artikel 47 is gedaan, wordt de vernietiging van de desbetreffende gegevens opgeschort tot ten minste het moment waarop op de aanvraag onherroepelijk is beslist. Voor zover de aanvraag om kennisneming is ingewilligd, worden de desbetreffende gegevens niet eerder vernietigd dan nadat de betrokkene van de desbetreffende gegevens overeenkomstig artikel 47, tweede lid, kennis heeft kunnen nemen. Artikel 44 1 In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Archiefwet 1995 worden slechts die archiefbescheiden, bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel c, onder 1°, 2° en 4°, van de Archiefwet 1995, naar een archiefbewaarplaats overgebracht die ouder zijn dan twintig jaar en waarvan door Onze betrokken Minister, na advies van de beheerder van die archiefbewaarplaats, is vastgesteld dat daaraan geen beperkingen aan de openbaarheid dienen te worden gesteld met het oog op het belang van de staat of van diens bondgenoten. 2 De in het eerste lid bedoelde beperkingen hebben geen betrekking op archiefbescheiden die ouder zijn dan vijfenzeventig jaar, tenzij Onze betrokken Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad, anders beslist. Hoofdstuk 4 Kennisneming van door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens Paragraaf 4.
Onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 46 In dit hoofdstuk wordt onder document, bestuurlijke aangelegenheid, intern beraad, persoonlijke beleidsopvatting, ambtelijk of gemengd samengestelde adviescommissie verstaan, hetgeen daaronder in artikel 1 van de Wet openbaarheid van bestuur dan wel in de artikelen 1 en 12 van de Wet openbaarheid van bestuur BES wordt verstaan. Paragraaf 4.2 Recht op kennisneming van persoonsgegevens Artikel 47 1 Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager. 2 Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, stelt Onze betrokken Minister de aanvrager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in de gelegenheid van zijn gegevens kennis te nemen. 3 Onze betrokken Minister draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de aanvrager. Artikel 48 1 Degene die ingevolge artikel 47 kennis heeft genomen van door of ten behoeve van een dienst omtrent hem verwerkte gegevens, kan daaromtrent een schriftelijke verklaring overleggen. Deze verklaring wordt bij de desbetreffende gegevens gevoegd. 2 Bij de kennisneming door betrokkene van de hem betreffende gegevens, wordt deze gewezen op het bepaalde in het eerste lid. 3 De verklaring wordt gelijktijdig met de gegevens waarop deze betrekking heeft verwijderd en vernietigd. Artikel 49 1 In afwijking van artikel 47 stelt het hoofd van een dienst een persoon werkzaam bij of ten behoeve van een dienst of werkzaam geweest bij of ten behoeve van een dienst op diens verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na het verzoek, in de gelegenheid van zijn gegevens in de personeels- en salarisadministratie van de desbetreffende dienst kennis te nemen. 2 Van inzage zijn uitgezonderd de gegevens die zicht kunnen geven op bronnen die geheim moeten worden gehouden. 3 Het hoofd van een dienst kan, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepalen dat kennisneming van de gegevens slechts is voorbehouden aan de betrokken persoon persoonlijk. 4 Degene die inzage heeft genomen van de hem betreffende gegevens, kan het hoofd van de dienst schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift zijn verwerkt. Het verzoek behelst de aan te brengen wijzigingen. 5 Het hoofd van een dienst bericht de verzoeker binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het vierde lid, of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. 6 Artikel 56 is niet van toepassing. Artikel 50 1 Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager. 2 In de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste de volgende gegevens vermeld: a. naam en voorletters van de overledene; b. geboortedatum en geboorteplaats van de overledene; c. datum van overlijden en plaats van overlijden; d. de hoedanigheid van de overledene in relatie tot de aanvrager. 3 In de gevallen dat blijkt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op gegevens van een persoon die nog niet is overleden of op gegevens van een overleden persoon die niet de hoedanigheid van echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager heeft, wordt de aanvraag niet ontvankelijk verklaard. Paragraaf 4.3 Recht op kennisneming van andere gegevens dan persoonsgegevens Artikel 51 1 Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager. 2 Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, stelt Onze betrokken Minister de aanvrager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in kennis van de desbetreffende gegevens. Paragraaf 4.4 Wijze van kennisneming van gegevens Artikel 52 1 Onze betrokken Minister stelt de aanvrager in kennis van de desbetreffende gegevens door: a. het geven van een kopie van het document waarin de gegevens zijn neergelegd of door de letterlijke inhoud daarvan in andere vorm te verstrekken, b. inzage van de inhoud van het desbetreffende document toe te staan, c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud van het desbetreffende document te geven of d. inlichtingen uit het desbetreffende document te verschaffen. 2 Bij het kiezen tussen de vormen van inkennisstelling houdt Onze betrokken Minister rekening met de voorkeur van de aanvrager en het belang van de dienst. 3 Voor het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan kan van de aanvrager een vergoeding worden gevraagd. De bij of krachtens artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur dan wel artikel 14 van de Wet openbaarheid van bestuur BES gestelde regels zijn daarop van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4.5 Weigeringsgronden en beperkingen Artikel 53 1 Een aanvraag als bedoeld in artikel 47 wordt in ieder geval afgewezen, indien: a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij: 1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt, 2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en 3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek; b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt. 2 Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing. Artikel 54 Artikel 53 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 50 met dien verstande dat in artikel 53 voor «de aanvrager» wordt gelezen: de overleden persoon. Artikel 55 1 Een aanvraag als bedoeld in artikel 51 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. 2 Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van de gegevens; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. 3 Indien een aanvraag tot kennisneming wordt afgewezen wordt de commissie van toezicht hiervan op de hoogte gesteld. De mededeling aan de commissie gaat vergezeld van een motivering waarom het verzoek is afgewezen. 4 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 47 onderscheidenlijk 50, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53 onderscheidenlijk
terzake het uitoefenen van het toezicht Artikel 73 1 Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator en voorts een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken verstrekken desgevraagd aan de commissie van toezicht alle inlichtingen en verlenen haar alle overige medewerking die zij voor een goede uitoefening van haar taak noodzakelijk acht. De commissie van toezicht wordt desgevraagd rechtstreekse toegang verleend tot de in het kader van de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken verwerkte gegevens. 2 Bij de verstrekking van inlichtingen als bedoeld in het eerste lid wordt, indien daartoe aanleiding bestaat, aangegeven welke inlichtingen in het belang van de nationale veiligheid ter uitsluitende kennisneming van de commissie van toezicht dienen te blijven. Artikel 74 1 De commissie van toezicht kan, indien zij dat voor een goede uitoefening van haar taak noodzakelijk acht, de personen, bedoeld in artikel 73, eerste lid, en andere personen als getuige of als deskundige om inlichtingen verzoeken en deze oproepen om voor haar te verschijnen. 2 Het verzoek geschiedt schriftelijk en vermeldt zo veel als mogelijk de feiten waaromtrent door de getuige of de deskundige inlichtingen dienen te worden verstrekt. Indien de getuige of de deskundige is opgeroepen om voor de commissie te verschijnen, vermeldt het verzoek tevens de plaats en het tijdstip waarop deze zal worden gehoord en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen. De oproeping om te verschijnen geschiedt bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging. 3 De getuige of de deskundige is verplicht alle inlichtingen te verschaffen die de commissie van toezicht voor een goede taakuitoefening noodzakelijk acht en daartoe, indien de commissie van toezicht dat in haar verzoek heeft aangegeven, in persoon te verschijnen. De opgeroepene kan zich laten bijstaan door een raadsman. 4 De verplichting om voor de commissie te verschijnen geldt niet voor Onze betrokken Ministers. Wanneer een minister niet verschijnt, laat hij zich vertegenwoordigen. 5 Indien een ambtenaar die betrokken is bij de uitvoering van deze wet ingevolge dit artikel als getuige of als deskundige optreedt is artikel 86, tweede lid, niet van toepassing. 6 De commissie van toezicht kan bevelen dat personen die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor haar worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen. 7 De getuige of de deskundige kan zich van het verstrekken van inlichtingen verschonen wegens ambts- of beroepsgeheim, doch alleen voor zover het inlichtingen betreft waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Artikel 75 1 De commissie van toezicht kan bevelen, dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of belofte. De getuige legt in dat geval in handen van de voorzitter van de commissie van toezicht de eed of de belofte af, dat hij zal zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid. 2 De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Artikel 76 1 De commissie van toezicht is bevoegd om, indien een goede taakuitvoering dat noodzakelijk maakt, bepaalde werkzaamheden aan deskundigen op te dragen. 2 De deskundige die zijn opdracht heeft aanvaard, is verplicht zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Artikel 77 De commissie van toezicht dan wel een daartoe door haar aangewezen lid is bevoegd alle plaatsen te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. De commissie dan wel het aangewezen lid kan zich daarbij doen vergezellen van door de voorzitter aangewezen personen van het secretariaat, bedoeld in artikel 69. Paragraaf 6.2.2 De uitoefening van het toezicht Artikel 78 1 In het kader van haar toezichthoudende taak, bedoeld in artikel 64, tweede lid, onder a, is de commissie van toezicht bevoegd tot het verrichten van onderzoek naar de wijze waarop hetgeen bij of krachtens deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld, is uitgevoerd. 2 De commissie van toezicht kan voorts een onderzoek als bedoeld in het eerste lid verrichten op een daartoe strekkend verzoek van elk van de beide kamers der Staten-Generaal. 3 Aan Onze betrokken Minister alsmede een of beide kamers der Staten-Generaal wordt van een voorgenomen onderzoek, zo nodig vertrouwelijk, mededeling gedaan. Artikel 79 1 De commissie van toezicht stelt naar aanleiding van het door haar verrichte onderzoek een toezichtsrapport op. Het toezichtsrapport is openbaar, met uitzondering van gegevens als bedoeld in artikel 8, derde lid. 2 Alvorens het toezichtsrapport vast te stellen, stelt de commissie van toezicht Onze betrokken Minister in de gelegenheid binnen een door de commissie gestelde redelijke termijn op de in het toezichtsrapport opgenomen bevindingen te reageren. 3 Na ontvangst van de reactie van Onze betrokken Minister stelt de commissie van toezicht het toezichtsrapport vast. Zij kan naar aanleiding van haar bevindingen Onze betrokken Minister aanbevelingen doen met betrekking tot eventueel te treffen maatregelen. 4 Het toezichtsrapport wordt na vaststelling door de commissie van toezicht gezonden aan Onze betrokken Minister. 5 Onze betrokken Minister zendt het toezichtsrapport alsmede zijn reactie daarop binnen zes weken aan de beide kamers der Staten-Generaal. Vermelding van in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 8, derde lid, blijft daarbij achterwege. Deze gegevens kunnen ter vertrouwelijke kennisneming aan een of beide kamers der Staten-Generaal worden medegedeeld. Paragraaf 6.3 Verslaglegging door de commissie van toezicht Artikel 80 1 De commissie van toezicht brengt jaarlijks voor 1 mei een openbaar verslag uit van haar werkzaamheden. Het verslag wordt aangeboden aan beide kamers der Staten-Generaal en aan Onze betrokken Ministers. Artikel 8, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 2 Het openbare jaarverslag wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. Paragraaf 6.4 Overige bepalingen met betrekking tot de commissie van toezicht Artikel 81 1 Gegevens die door Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator en andere bij de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken betrokken ambtenaren ten behoeve van de taakuitoefening door de commissie van toezicht daaraan zijn verstrekt en aldaar berusten, zijn niet openbaar. 2 Verzoeken om kennisneming of openbaarmaking van deze gegevens worden geweigerd. 3 Artikel 44 is van overeenkomstige toepassing op de archiefbescheiden die berusten bij de commissie van toezicht, met dien verstande dat voor Onze betrokken Minister wordt gelezen: Onze betrokken Minister wie het aangaat. Artikel 82 De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de commissie van toezicht. Paragraaf 6.5 De behandeling van klachten Artikel 83 1 Een ieder heeft het recht bij de Nationale ombudsman een klacht in te dienen over het optreden of het vermeende optreden van Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator, en de voor de diensten en de coördinator werkzame personen jegens een natuurlijke of rechtspersoon ter uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken. 2 Alvorens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman, stelt de klager Onze betrokken Minister wie het aangaat in kennis van de klacht en stelt hij deze in de gelegenheid diens zienswijze daarop te geven. 3 Onze betrokken Minister wint, alvorens zijn zienswijze als bedoeld in het tweede lid te geven, omtrent de klacht het advies in van de commissie van toezicht. Afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. In afwijking van artikel 9:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze betrokken Minister geen instructies geven aan de commissie van toezicht. 4 In klachtprocedures waarbij Onze betrokken Minister, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen of de commissie van toezicht ingevolge artikel 9:31 van de Algemene wet bestuursrecht worden verplicht tot het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van stukken aan de Nationale ombudsman, blijft artikel 9:31, vijfde en zesde lid, van die wet buiten toepassing. 5 Indien Onze betrokken Minister, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen of de commissie van toezicht worden verplicht tot het overleggen van stukken, kan worden volstaan met het ter inzage geven van de desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken mag op generlei wijze een afschrift worden vervaardigd. Artikel 84 1 De Nationale ombudsman deelt zijn oordeel omtrent de klacht schriftelijk en, voor zover de veiligheid dan wel andere gewichtige belangen van de staat zich daartegen niet verzetten, met redenen omkleed aan de klager mede. 2 De Nationale ombudsman deelt zijn oordeel omtrent de klacht schriftelijk mede aan Onze betrokken Minister. De Nationale ombudsman kan bij die mededeling met redenen omkleed de aanbevelingen doen die hij dienstig oordeelt. De Nationale ombudsman kan, indien de strekking van de aanbevelingen daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft, die ook aan de klager mededelen. 3 Onze betrokken Minister stelt de Nationale ombudsman binnen zes weken schriftelijk op de hoogte van de gevolgen die hij aan het oordeel alsmede aan de aanbevelingen verbindt. 4 Onze betrokken Minister zendt het oordeel van de Nationale ombudsman, diens aanbevelingen, alsmede de door Onze betrokken Minister daaraan te verbinden gevolgen aan een of beide kamers der Staten-Generaal. Vermelding van in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 8, derde lid, blijft daarbij achterwege. Deze gegevens kunnen ter vertrouwelijke kennisneming aan een of beide kamers der Staten-Generaal worden medegedeeld. Hoofdstuk 7 Geheimhouding Artikel 85 1 Onverminderd de artikelen 98 tot en met 98c van het Wetboek van Strafrecht dan wel de artikelen 104 tot en met 104c van het Wetboek van Strafrecht BES, is een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht. Deze verplichting duurt voort, nadat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd. 2 Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is niet van toepassing in geval van handelen of nalaten in strijd met de in het eerste lid omschreven verplichting. Artikel 86 1 De verplichting tot geheimhouding van een ambtenaar die betrokken is bij de uitvoering van deze wet, geldt niet tegenover hem aan wie de ambtenaar middellijk of onmiddellijk ondergeschikt is, noch in zover hij door een boven hem gestelde van die verplichting is ontslagen. 2 De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die krachtens een wettelijke bepaling verplicht wordt als getuige of deskundige op te treden, legt slechts een verklaring af omtrent datgene waartoe zijn verplichting tot geheimhouding zich uitstrekt, voor zover Onze betrokken Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk hem daartoe schriftelijk van de verplichting hebben ontheven. Daarbij wordt voor ambtenaren die in hun functie kennis hebben gekregen van gegevens die krachtens artikel 36, eerste lid, onder a en b, door een dienst zijn verstrekt als: «Onze betrokken Minister» aangemerkt: Onze Minister onder wie de dienst ressorteert die de gegevens heeft verstrekt. 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval dat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd. Artikel 87 1 In bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken waarbij Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht door de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het Hof ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht onderscheidenlijk artikel 23, 28 en 29 van de Wet administratieve rechtspraak BES wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, blijft artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht onderscheidenlijk artikel 24, derde tot en met vijfde lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES buiten toepassing. Indien Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het Hof meedeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen. Indien Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van stukken weigert kan de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het Hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die hen geraden voorkomen. 2 Indien door Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht aan de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het Hof stukken dienen te worden overgelegd, kan worden volstaan met het ter inzage geven van de desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken mag op generlei wijze een afschrift worden vervaardigd. Artikel 88 Indien ten behoeve van de beslissing op een tegen een besluit van Onze betrokken Minister ingediend bezwaarschrift, een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld, komt aan die commissie niet de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe, voor zover deze betrekking heeft op de beslissing over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De uitoefening van deze bevoegdheid blijft voorbehouden aan Onze betrokken Minister. Hoofdstuk 7a Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 88a Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met inachtneming van het in dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 88b Voor de toepassing van deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Artikel 88c 1 De personen en instanties die bij of krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen BES bevoegd zijn tot het verzorgen van telecommunicatieverkeer voor derden zijn verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van de bijzondere bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 25, 28 en 29 van de wet, voor zover deze betrekking heeft op het aftappen of opnemen van telecommunicatie en het verstrekken van gegevens omtrent een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. Onder een gebruiker wordt in dit kader verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die met de persoon of een instantie als bedoeld in de eerste volzin een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het verzorgen van telecommunicatieverkeer, alsmede de natuurlijke of rechtspersoon wiens telecommunicatieverkeer het betreft. 2 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Economische Zaken gezamenlijk kunnen in bijzondere gevallen de personen en instanties, bedoeld in het eerste lid, ontheffing verlenen van de verplichting tot medewerking. Hoofdstuk 8 Straf- , overgangs- en slotbepalingen Artikel 89 1 Overtreding van de artikelen 23, zevende lid, 24, derde lid, en 25, zevende lid, is strafbaar. 2 Overtredingen van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. 3 Overtreding van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten wordt gestraft a. in geval van een misdrijf, met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie; b. in geval van een overtreding, met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie. Artikel 90 Op gegevens verwerkt door of ten behoeve van inlichtingen- en veiligheidsdiensten die zijn opgeheven, zijn de artikelen 15, 16, 36, 41, 42, 43, 44, alsmede de hoofdstukken 4, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de desbetreffende bevoegdheden en verplichtingen toekomen aan Onze Minister bij wie de desbetreffende gegevens berusten. Artikel 91 De Algemene wet bestuursrecht dan wel het van toepassing zijnde bestuursrecht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waaronder in ieder geval het recht dat voorziet in de verplichting tot bekendmaking van besluiten alsmede in de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen, is niet van toepassing op de voorbereiding, totstandkoming en tenuitvoerlegging van besluiten op grond van artikel 6, tweede lid, onder d en e, artikel 7, tweede lid, onder e en f, op grond van de hoofdstukken 3 en 5 in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, c, d en e, en artikel 7, tweede lid, onder a, c, d, e en f, alsmede artikel 86, tweede lid, eerste volzin. Artikel 92 Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel 93 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 94 Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel 95 Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken. Artikel 96 Wijzigt de Wet politieregister. Artikel 97 Wijzigt de wet van 5 april 2001 tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 180). Artikel 98 1 Op verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur met betrekking tot door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven de bepalingen van die wet van toepassing. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het verzoeken om informatie betreft met betrekking tot gegevens verwerkt door de coördinator of door inlichtingen- en veiligheidsdiensten die zijn opgeheven. Artikel 99 Artikel 34 is niet van toepassing met betrekking tot door de diensten uitgeoefende bijzondere bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid van dat artikel die hebben plaatsgevonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel. Artikel 100 Wijzigt de Telecommunicatiewet.: Artikel 101 Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel 102 Wijzigt de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement. Artikel 103 De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt ingetrokken. Artikel 104 Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Aanwijzingsregeling bijzondere dienst Koninklijke marechaussee op artikel 60, tweede lid, van deze wet. Artikel 105 1 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2 Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast, brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen en hoofdstukken daarmee in overeenstemming en vervangt hij de in deze wet voorkomende aanduiding «19..» door het jaartal van het Staatsblad waarin deze wet zal worden geplaatst. Artikel 106 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te Lech 7 februari 2002 Beatrix De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, W. Kok De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K. G. de Vries De Minister van Defensie, F. H. G. de Grave De Minister van Justitie, A. H. Korthals de zesentwintigste maart 2002 De Minister van Justitie, A. H. Korthals
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.