Besluit PDV protocollen MINAS-regeling 2003 Besluit PDV protocollen MINAS-regeling 2003 De voorzitter van het Productschap Diervoeder heeft, namens het bestuur, gelet op artikel 5, derde en zevende lid, van Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 op 11 juni 2003 het volgende besluit vastgesteld. Artikel 1 1 De in artikel 5, derde lid, van Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 bedoelde richtlijnen omtrent bemonstering en analyse van voedermiddelen en mengvoeders zijn neergelegd in bijlage 1 bij dit besluit. 2 De in artikel 5, zevende lid van Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 bedoelde richtlijnen omtrent het vaststellen van te declareren gehaltes zijn neergelegd in bijlage 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van het Verordeningsblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Den Haag 11 juni 2003 J.H.M. Kienhuis voorzitter Bijlage 1 Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling 1 Algemeen 1.1 Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. Een deelnemer aan de zgn. MINAS-erkenningsregeling (Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003) dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de bedrijfsinterne controle monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen. 1.2 Het bedrijf moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een bedrijfseigen bemonsteringsprotocol. 2 Doel 2.1 Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt. 3 Plaats bemonstering 3.1 Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten: ● Er is geen restlading meer in de vrachtauto aanwezig. ● Na het laden wordt het product zo snel mogelijk en rechtstreeks afgeleverd bij de veehouder. De tijdsperiode tussen bemonstering en aflevering mag langer zijn indien het bedrijf ten genoegen van het Productschap Diervoeder aantoont dat deze langere tijdsperiode geen invloed heeft op de te meten gehalten. ● Na het bemonsteren vindt er geen bijlading meer plaats. ● Sommige producten zakken sterk uit, onder meer afhankelijk van de tijd gedurende welke het product in de opslagtank is opgeslagen. Andere producten bevatten lichtere fracties (vetten, vezels, etc.) die gaan opdrijven. Het is gewenst dat in voorkomende gevallen voorafgaand en tijdens het beladen geroerd wordt om een goed representatief monster te nemen. 3.2 Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij de veehouder de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij. 3.3 In het onder 1. vereiste bedrijfseigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt. 4 Monsternameprocedure 5 Algemeen 4.1.1 De bemonstering wordt uitgevoerd door of namens het bedrijf door een gemachtigd monsternemer.1Het gaat hier niet om een beëdigd monsternemer. De machtiging beoogt waarborgen te verschaffen dat monsters conform dit protocol worden genomen. Verder geeft deze schriftelijke verklaring een voldoende mate van onpartijdigheid. Zie hiervoor bijlage 1 4.1.2 Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden. Deze systematiek sluit volledig aan bij EG-richtlijn 76/371 en is ook vastgelegd in bijlage 1 van het Besluit PDV bemonsterings- en keuringsprocedure diervoedersector 1998. 4.1.3 De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden. 6 Het nemen van de ondermonsters 4.2.1 Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster. 4.2.2 De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is. 4.2.3 Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van het Productschap Diervoeder aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster. 4.2.4 Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om "uitzeven" van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½" of ¾" kogelkraan). 4.2.5 Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen. 4.2.6 De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.). 4.2.7 Ook kan - naar analogie van het bemonsteren van mest - gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden. 7 Het verzamelmonster en het eindmonster 4.3.1 Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters. 4.3.2 Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna een of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot. 8 Labelgegevens 4.4.1 Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld ● Naam van het product/voer + evt. code ● Datum + tijdstip van bemonstering ● Kenteken vrachtauto ● Plaats bemonstering ● (Eventueel een monstercode) ● Naam en paraaf monsternemer 4.4.2 De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht. 4.4.3 Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens. 9 Verzending 4.5.1 Het bedrijf stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium dient erkend te zijn in het kader van het Besluit Vvr erkenningsregeling laboratoria bedrijfsinterne controle diervoedersector 1996 Labcode-regeling voor de verrichtingen Droge stof, Ruw eiwit en Fosfor2De DS-bepaling mag ook via een afgeleide methode (bv. infrarood- of halogeendroogmethode) plaatsvinden, mits de apparatuur regelmatig (minimaal 1x/week) aantoonbaar wordt gecalibreerd.. 4.5.2 Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium3Men kan bijv. afspraken met het laboratorium maken over het ophalen van het monster.. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest het bedrijf het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. 4.5.3 Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van het Productschap Diervoeder aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. 10 Monsteradministratie 4.6.1 Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd ● Naam van het producthoer + evt. code ● Datum en tijdstip bemonstering ● Naam monsternemer ● Plaats bemonstering ● Kenteken vrachtauto ● Eventuele overige identificatiegegevens ● Naam van leverancier/producent ● Naam van de afnemer van de partij ● Partijgrootte ● De voor MINAS gehanteerde waarden ● De analyse-uitslagen, uitgedrukt in het product en de droge stof in g/kg ● Overige van belang zijnde gegevens en bijzonderheden. Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is. Bijlage 1 : Machtiging als monsternemer Om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS- regeling te kunnen optreden, moet een daartoe bevoegde functionaris van het bedrijf een verzoek indienen. U dient daartoe onderstaand formulier volledig in te vullen, en samen met de gevraagde documenten te zenden aan het Productschap Diervoeder, Postbus 29739, 2502 LS Den Haag. De machtiging wordt afgegeven door de secretaris van het Productschap Diervoeder. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Verzoek tot machtiging als monsternemer Hierbij verzoekt registratienummer van het bedrijf opnemen (is uniek) Bedrijfsnaam Adres Postcode + Plaats Land de onderstaande persoon te machtigen als monsternemer in het kader van Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling. Personalia Naam Voorna(a)m(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.