Overgangsregeling voor samenwerkingsverbanden van publiekrechtelijke lichamen, andere dan gemeenten, provincies en regionale openbare lichamen, in verband met de intrekking van de Toelichting Gemeenten Overgangsregeling voor samenwerkingsverbanden van publiekrechtelijke lichamen, andere dan gemeenten, provincies en regionale openbare lichamen, in verband met de intrekking van de Toelichting Gemeenten De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. In verband met de inwerkingtreding van de Wet op het BTW-compensatiefonds per 1 januari 2003 kunnen gemeenten, provincies en regionale openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Kaderwet bestuur in verandering (hierna: regionale openbare lichamen) vanaf die datum aanspraak maken op een bijdrage voor de omzetbelasting die aan hen in rekening wordt gebracht respectievelijk door hen is verschuldigd, een en ander in overeenstemming met de bepalingen van die wet. Hiermee is de feitelijke grond ontvallen aan verschillende goedkeuringen, welke onder andere zijn neergelegd in het Besluit van 25 april 1969, nr. D69/4141, OB/BTW-104 (Bijlage M, Toelichting Gemeenten). Die goedkeuringen zijn daarom per 1 januari 2003 ingetrokken, zie het Besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/3658M (Vakstudienieuws 2003/5.18). Voor de gevolgen van de intrekking van de faciliteit die was neergelegd in paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten is aandacht gevraagd door andere publiekrechtelijke lichamen dan gemeenten, provincies en de hiervóór bedoelde regionale openbare lichamen (hierna: andere publiekrechtelijke lichamen). Te denken valt hierbij aan samenwerkingsverbanden van waterschappen. Terzake merk ik het volgende op. 1 Wettelijke vrijstelling samenwerkingsverbanden; kosten rechtstreeks voor gemene rekening Het feit dat samenwerkingsverbanden van andere publiekrechtelijke lichamen vanaf 1 januari 2003 geen beroep meer kunnen doen op het voorheen in paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten gestelde, houdt niet zonder meer in dat die samenwerkingsverbanden vanaf die datum steeds omzetbelasting zijn verschuldigd ter zake van hun werkzaamheden ten behoeve van de betrokken publiekrechtelijke lichamen. In de eerste plaats zijn – onder bepaalde voorwaarden – op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting de diensten welke door de in die wetsbepaling bedoelde zelfstandige groeperingen van personen of lichamen worden verricht jegens hun leden. Verder is evenmin omzetbelasting verschuldigd in situaties waarin kosten, gemaakt ten behoeve van verschillende (rechts)personen, in eerste instantie door één van hen worden betaald en voor het werkelijke bedrag volgens een tevoren vaststaande verdeelsleutel over die (rechts)personen worden omgeslagen, terwijl het risico van die kosten allen volgens de overeengekomen verdeelsleutel aangaat (zie het arrest van de Hoge Raad van 23 april 1997, nr. 32.166, Vakstudienieuws 1997, blz. 1806). Het betreft hier de zogenoemde kosten die rechtstreeks voor gemene rekening worden gemaakt. 2 Overgangsregeling ten behoeve van aanpassing handelwijze samenwerkingsverbanden van andere publiekrechtelijke lichamen Van de zijde van samenwerkingsverbanden van andere publiekrechtelijke lichamen, welke tot 1 januari 2003 gebruik maakten van de goedkeuring die was neergelegd in paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten is mij medegedeeld dat zij niet in alle gevallen per 1 januari 2003 al volledig kunnen voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet onderscheidenlijk de voorwaarden die de Hoge Raad heeft geformuleerd om te kunnen spreken van rechtstreeks voor gemene rekening gemaakte kosten. Teneinde de betrokken samenwerkingsverbanden van andere publiekrechtelijke lichamen voldoende gelegenheid te bieden hun werkwijze en/of structuur aan te passen aan de gewijzigde situatie en zodoende toe te werken naar een situatie waarin wel wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet respectievelijk de voorwaarden om te kunnen spreken van rechtstreeks voor gemene rekening gemaakte kosten, keur ik onder de hierna in onderdeel 3 geformuleerde voorwaarden goed dat toepassing van de goedkeuring welke was vervat in de inmiddels ingetrokken paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten desgewenst wordt gecontinueerd tot uiterlijk 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.