← Nederland

Besluit verbranden afvalstoffen

BWBR0016460_2011-03-05_0 Besluit van 2 maart 2004, houdende implementatie van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332) (Besluit verbranden afvalstoffen) Besluit verbranden afvalstoffen Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 januari 2003, nr. MJZ2003001473, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op artikel 9, achtste lid, van richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257), richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332), de artikelen 8.5, 8.40, 8.44, 8.45, 12.1, tweede lid, en 21.8 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet inzake de luchtverontreiniging voorzover het betreft de artikelen 4 en 13; De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2003, nr. W08.03.0036/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 februari 2004, nr. MJZ2004017 834, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1 Algemene bepalingen Artikel 1 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. afvalverbrandingsinstallatie: technische eenheid waarin al dan niet de opgewekte warmte wordt teruggewonnen en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor: 1º. de verbranding door oxidatie van afvalstoffen; 2º. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of 3º. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen; b. meeverbrandingsinstallatie: technische eenheid die in hoofdzaak is bestemd voor de opwekking van energie of de vervaardiging van producten en waarin afvalstoffen of de producten van thermische behandeling als brandstof worden gebruikt of afvalstoffen thermisch worden behandeld ten behoeve van verwijdering; c. verbrandingsinstallatie: afvalverbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie; d. gemiddelde netto calorische waarde: op de onderste verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid energie die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt; e. vergunning: omgevingsvergunning voor een inrichting; f. stookinstallatie: technische eenheid waarin brandstof wordt geoxideerd met als doel de aldus opgewekte warmte te gebruiken, niet zijnde een: 1º. verbrandingsinstallatie waarvan de daarin ontstane verbrandingsproducten rechtstreeks in een productieproces worden gebruikt; 2º. zuigermotor; 3º. gasturbine die op offshoreplatforms wordt gebruikt, en 4º. technische voorziening voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie wordt geëxploiteerd; g. emissiegrenswaarde: maximale toegestane hoeveelheid emissie in de lucht gedurende een of meer perioden, uitgedrukt in gewichtseenheid per volume-eenheid; h. nominale capaciteit: gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit de verbrandingsinstallatie bestaat, met in achtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen, uitgedrukt in de hoeveelheid afvalstoffen die per uur kan worden verbrand; i. dioxinen en furanen: stoffen als bedoeld in onderdeel 2.15 van de bijlage bij dit besluit; j. residuen: afvalstoffen die worden geproduceerd door de verbrandingsinstallatie; k. energetisch rendement: elektrisch rendement vermeerderd met het equivalente warmterendement, uitgedrukt in elektriciteitsequivalenten, waarbij het equivalente warmterendement 0,67 maal het warmterendement is; l. biomassa: producten bestaande uit plantaardige materialen afkomstig uit de land- of bosbouw, die kunnen worden gebruikt om de daarin aanwezige energie-inhoud terug te winnen, alsmede afvalstoffen als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met 5°; m. afvalstoffenlijst: bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3); n. afvalverbrandingsrichtlijn: richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332); o. accreditatie-instantie: nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218). o. afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit inzamelen afvalstoffen. 2 In dit besluit wordt onder thermische behandeling mede verstaan pyrolyse, vergassing en plasmaprocessen. Artikel 2 Dit besluit is niet van toepassing op: a. verbrandingsinstallaties waarin uitsluitend de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verbrand: 1º. plantaardige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de uitoefening van land- of bosbouw; 2º. plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van de levensmiddelenindustrie indien de als gevolg van de thermische behandeling van zodanige afvalstoffen opgewekte warmte wordt teruggewonnen; 3º. vezelachtige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de vervaardiging van ruwe pulp of de vervaardiging van papier uit pulp, indien zodanige afvalstoffen op de plaats waar zij zijn ontstaan, thermisch worden behandeld en de als gevolg daarvan opgewekte warmte wordt teruggewonnen; 4º. afvalstoffen bestaande uit hout dat niet als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of aanbrenging van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten; 5º. afvalstoffen bestaande uit kurk; 6º. kadavers als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273); 7º. radioactieve afvalstoffen; 8º. afvalstoffen die ontstaan zijn bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand; b. experimentele verbrandingsinstallaties, bestemd voor onderzoek, ontwikkeling en tests ter verbetering van het thermisch behandelingsproces waarin per kalenderjaar minder dan 50 000 kilogram afvalstoffen wordt verwerkt; c. gasvormige afvalstoffen, met uitzondering van gasvormige afvalstoffen die het resultaat zijn van een thermische behandeling van afvalstoffen. Artikel 3 Dit besluit is, voorzover het voorschriften betreft die uitsluitend betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen, niet van toepassing op brandbare vloeibare afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie, voorzover: a. het vloeipunt minder dan 30°C bedraagt; b. de gemiddelde netto calorische waarde meer dan 30 MJ/kg bedraagt; c. de concentratie aan extraheerbare organische halogeenverbindingen en polychloorbifenylen de in artikel 2, eerste lid, van het Besluit organisch halogeengehalte van brandstoffen genoemde gehalten niet overschrijdt; d. deze uitsluitend op grond van het gehalte aan alifatische en naftenische koolwaterstoffen, polycyclische aromaten of (alk(en)yl)benzenen worden aangemerkt als gevaarlijke afvalstof; e. het zwavelgehalte gelijk is aan of minder is dan het zwavelgehalte dat op grond van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen is toegestaan voor gasolie, en f. het asgehalte lager is dan 0,01 gewichtsprocent. § 2 Algemene regels ten aanzien van inrichtingen Artikel 4 Het is verboden buiten een inrichting een verbrandingsinstallatie in werking te hebben. Artikel 5 1 Degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt, draagt er zorg voor dat afvalstoffen niet in ontvangst worden genomen dan nadat: a. ten minste de massa van de afvalstoffen, voorzover mogelijk per categorie, genoemd in de afvalstoffenlijst, is bepaald en geregistreerd; b. voorzover het gevaarlijke afvalstoffen betreft, ten minste van die afvalstoffen monsters zijn genomen en die monsters zijn geanalyseerd, tenzij dit niet dienstig is, en c. voorzover het gevaarlijke afvalstoffen betreft, hij van de ontdoener van die afvalstoffen ten minste de volgende gegevens heeft ontvangen en daarvan de gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, heeft gecontroleerd: 1°. de gegevens die vereist zijn op grond van de kaderrichtlijn afvalstoffen en, voor zover van toepassing, op grond van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; 2º. de gegevens die vereist zijn bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; 3º. gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen; 4º. gegevens over de stoffen waarmee zij niet mogen worden gemengd; 5º. gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen. 2 De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste gedurende een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen, bewaard. De omstandigheden waaronder de monsters worden bewaard, zijn zodanig dat de fysische en chemische samenstelling ongewijzigd blijft. 3 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden ten minste gedurende vijf jaren na het thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking hebben, bewaard. 4 Het bevoegd gezag kan bij zijn beslissing omtrent een vergunning afwijken van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, voorzover het verbrandingsinstallaties betreft waarin uitsluitend afvalstoffen afkomstig uit de inrichting waarbinnen de verbrandings-installatie zich bevindt, thermisch worden behandeld. Artikel 6 1 Het bevoegd gezag kan bij zijn beslissing omtrent een vergunning afwijken van de voorschriften die in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen of in de vergunning nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften, voorzover dit uitdrukkelijk in die bijlage is vermeld. 2 In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag, indien tot de inrichting een gpbv-installatie behoort, voor een tot die gpbv-installatie behorende verbrandingsinstallatie strengere emissie-eisen dan de in de bijlage bij dit besluit voor die installatie opgenomen emissie-eisen, indien met laatstbedoelde eisen niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 7 Degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt, draagt er zorg voor dat: a. de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften worden nageleefd, voorzover van die voorschriften bij de beslissing omtrent de vergunning niet is afgeweken, en b. de door het bevoegd gezag krachtens de bijlage bij dit besluit gestelde nadere eisen worden nageleefd. § 3 Voorschriften met betrekking tot de vergunning Artikel 8 Het bevoegd gezag geeft in de vergunning voor een inrichting waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt aan: a. welke afvalstoffen of voorzover mogelijk categorieën van afvalstoffen overeenkomstig de afvalstoffenlijst thermisch mogen worden behandeld; b. de nominale capaciteit van de verbrandingsinstallatie; c. de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden, bedoeld in voorschrift 2.5, onder b, van de bijlage bij dit besluit, tenzij het een inrichting betreft als bedoeld in artikel 17, en d. de plaats in de inrichting waar de bemonsterings- en meetpunten moeten zijn gelegen. Artikel 9 Onverminderd artikel 8 geeft het bevoegd gezag in de vergunning voor een inrichting waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt waarin gevaarlijke afvalstoffen thermisch worden behandeld aan: a. de hoeveelheid van de gevaarlijke afvalstoffen en voorzover mogelijk van de categorieën van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig de afvalstoffenlijst, die thermisch mag worden behandeld; b. de laagste en de hoogste gemiddelde netto calorische waarde van de gevaarlijke afvalstoffen die thermisch mogen worden behandeld, en c. de maximale concentratiewaarde van verontreinigende stoffen in de gevaarlijke afvalstoffen die thermisch mogen worden behandeld. Artikel 10 1 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de in de onderwerpen, geregeld in de voorschriften die overeenkomstig de artikelen 8 en 9 aan een vergunning voor een inrichting zijn of worden verbonden, met dien verstande dat daarbij de eisen niet afwijken van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften waarvan ingevolge artikel 6 niet kan worden afgeweken. 2 Het bevoegd gezag kan nadere eisen als bedoeld in het eerste lid wijzigen, voorzover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet en niet wordt afgeweken van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften waarvan ingevolge artikel 6 niet kan worden afgeweken, of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. 3 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat op 28 december 2005 de voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit verleende vergunningen voor inrichtingen waarin zich een verbrandingsinstallatie bevindt aan dit besluit voldoen. § 4 Wijziging algemene maatregelen van bestuur Artikel 11 Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Artikel 12 Wijzigt het Besluit milieuverslaglegging. Artikel 13 Wijzigt het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A. Artikel 14 Wijzigt het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B. § 5 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 15 Onze Minister draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na de datum van inwerkingtreding van dit besluit in de Staatscourant een overzicht wordt geplaatst van de in artikel 12, tweede lid, derde volzin, van de afvalverbrandingsrichtlijn bedoelde verbrandingsinstallaties en meeverbrandingsinstallaties. Artikel 16 1 Een wijziging van de afvalverbrandingsrichtlijn of de richtlijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder c, gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 2 Een wijziging van de afvalstoffenlijst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. Artikel 17 Ingetrokken worden: a. het Besluit luchtemissies afvalverbranding; b. de Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen. Artikel 18 In afwijking van artikel 17 blijven het Besluit luchtemissies afvalverbranding, het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B en de Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen, zoals ze luidden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, tot 28 december 2005 van kracht voor inrichtingen waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is verleend voor het in werking hebben van: a. een afvalverbrandingsinstallatie die voor 29 december 2003 in werking is gebracht, of b. een meeverbrandingsinstallatie die voor 29 december 2004 in werking is of zal worden gebracht. Artikel 19 Dit besluit wordt eerst van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 18 met ingang van 28 december 2005. Artikel 20 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 21 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verbranden afvalstoffen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. 's-Gravenhage 2 maart 2004 Beatrix De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P. L. B. A. van Geel de achttiende maart 2004 De Minister van Justitie , J. P. H. Donner Bijlage behorend bij de artikelen 1, 6, 7, 8 en 10 § 1 Emissie-eisen 1.1 1. Het rookgas van: a. afvalverbrandingsinstallaties; b. meeverbrandingsinstallaties voor de thermische behandeling van onbehandelde en ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of van bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling met zodanige afvalstoffen overeenkomen, en c. meeverbrandingsinstallaties waarbij meer dan 40% van de opgewekte warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen, voldoet aan de in de A-tabellen van deze paragraaf gestelde emissie-eisen, met dien verstande dat van de in die tabellen opgenomen emissiegrenswaarden de 100%-grenswaarde van de halfuurgemiddelden dan wel de 97%-grenswaarde van de halfuurgemiddelden niet mag worden overschreden. 2. In het rookgas van stookinstallaties die zijn aan te merken als een andere meeverbrandingsinstallatie dan bedoeld in het eerste lid, mogen de in de B-tabellen van deze paragraaf opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden. 3. In het rookgas van cementovens die zijn aan te merken als een andere meeverbrandingsinstallatie dan bedoeld in het eerste lid, mogen de in de C-tabellen van deze paragraaf opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden. 4. In het rookgas van andere meeverbrandingsinstallaties dan bedoeld in het eerste, tweede en derde lid mogen de in de D-tabellen van deze paragraaf opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden. 1.2 Indien in de B- of D-tabellen van deze paragraaf in plaats van een concrete emissie-eis het woord «mengregel» staat, wordt voor de bepaling van de emissie-eis de volgende formule gebruikt: (Vafval x Cafval + Vproces x Cproces)/(Vafval + Vproces) = C Vafval: Het volume van het rookgas ten gevolge van uitsluitend de verbranding van afvalstoffen, bepaald op basis van de in de vergunning gespecificeerde afvalstof of categorie van afvalstoffen met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en herleid tot de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte overeenkomstig de in voorschrift 2.10 bepaalde formule en tot de in voorschrift 2.11 genoemde temperatuur en druk alsmede tot het in voorschrift 2.11 vermelde droog gas. Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% bedraagt van de totale in de verbrandingsinstallatie vrijkomende warmte, wordt Vafval berekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren. Cafval: Het in de A-tabellen van deze paragraaf aangegeven daggemiddelde van de emissiegrenswaarde voor de desbetreffende stof, met uitzondering van de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium bij meeverbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1, vierde lid. Voor de som van deze componenten geldt de in kolom I van de A-tabellen opgenomen emissiegrenswaarde. De Cafval-emissiegrenswaarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de meeverbrandingsinstallatie. Vproces: Het volume van het rookgas ten gevolge van het in de verbrandingsinstallatie plaatshebbende proces van de verbranding van niet als afvalstoffen aan te merken brandstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte overeenkomstig voorschrift 2.12. Indien geen voorschriften gelden met betrekking tot het volume van het rookgas van de verbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het rookgas zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht gebruikt. Cproces: De emissie-eis die voor de desbetreffende stof zou gelden op grond van de voor het desbetreffende type verbrandingsinstallatie toepasselijke regelgeving wanneer daarin andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Bij het ontbreken van zodanige regelgeving wordt de in de vergunning vermelde emissie-eis gebruikt. Indien in de vergunning geen emissie-eis is gesteld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt. C: De totale emissiegrenswaarde die geldt, indien in de B- of D-tabellen van deze paragraaf in plaats van een concrete emissie-eis het woord «mengregel» staat, bepaald bij een zuurstofgehalte overeenkomstig voorschrift 2.12. 1.3 1. Onder de in deze paragraaf genoemde chemische elementen worden mede begrepen verbindingen waarin die elementen voorkomen. Deze verbindingen worden voor de bepaling of aan een emissie-eis is voldaan, uitgedrukt in gewichtshoeveelheden van de desbetreffende elementen. b. er geen sprake is van thermische behandeling van afvalstoffen: ten hoogste 120 uur per kalenderjaar verminderd met het aantal uren in het betreffende jaar dat de verbrandingstraten onder de in de aanhef en onder a bedoelde omstandigheid in werking zijn. b. de bij of krachtens dit besluit gestelde emissie-eisen voor koolmonoxide en gasvormige en vluchtige organische stoffen niet mogen worden overschreden. e. het waterdampgehalte van het rookgas, tenzij de als monster gebruikte rookgassen worden gedroogd alvorens de emissies in de lucht worden geanalyseerd. De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten. De overige parameters worden gemeten nabij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht. b. binnen zes maanden nadat de verbrandingsinstallatie in werking is gesteld onder de krachtens artikel 8, onder c, in de vergunning aangegeven slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden. 2.6 1. Halfuurgemiddelden en 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de verbrandingsinstallatie in werking is, met uitzondering van de voor de inwerkingstelling en stillegging van de verbrandingsinstallatie benodigde tijd indien gedurende die tijd geen afvalstoffen waarop dit besluit van toepassing is, worden verbrand. 2.9 De waarden van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen, bepaald bij de grenswaarden voor de dagelijkse emissie, mogen de volgende percentages van de emissiegrenswaarden niet overschrijden: a. koolmonoxide: 10%; d. het totaal aan stofdeeltjes: 30%; e. totaal organische koolstof: 30%; f. zoutzuur: 40%; g. waterstoffluoride: 40%. 2.10 De resultaten van de overeenkomstig dit besluit verrichte metingen worden herleid tot een emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte overeenkomstig de volgende formule: Es = (21-Os)/(21-Om) x Em Es = berekende emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte Em = gemeten emissieconcentratie Os = genormaliseerd zuurstofgehalte overeenkomstig voorschrift 2.12 Om = gemeten zuurstofgehalte 2.11 De resultaten van de overeenkomstig dit besluit verrichte metingen worden herleid tot een temperatuur van 273 k, een druk van 101,3 kpa en droog gas. 2.12 1. De resultaten van de overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf verrichte metingen worden herleid tot: a. ingeval het verbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1, eerste lid, betreft: 1º. een zuurstofgehalte van 3% ingeval het betreft de uitworp van rookgas, afkomstig van de thermische behandeling van afgewerkte olie; 2º. een zuurstofgehalte van 11% in de overige gevallen; 2º. een zuurstofgehalte van 6% in de overige gevallen;

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.