BWBR0018160_2005-04-16_0 Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 april 2005, nr. WJZ/2005/11620
(8165), houdende nadere regels over de verstrekking van specifieke uitkeringen in het kader van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving en cultuureducatie primair onderwijs (Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008) Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op de artikelen 5, 43, tweede lid, en 48 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. aanvrager: een college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een college van gedeputeerde staten van een provincie; b. gemeente: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heerlen, Hengelo, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zaanstad, Zoetermeer of Zwolle; c. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; d. primair onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra; e. school: een school in de zin van de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra; f. uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 3, eerste, tweede of derde lid. Artikel 2 De minister kan van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een uitkering wordt verstrekt, de afwijking nadrukkelijk vermeldt. Artikel 3 1 De minister kan voor de periode 2005–2008 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuurbereik. 2 De minister kan voor de periode 2005–2008 aan de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zwolle of provincies specifieke uitkeringen verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van beeldende kunst en vormgeving. 3 De minister kan voor de jaren 2005 en 2006 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuureducatie in het primair onderwijs. 4 De Minister kan een specifieke uitkering die aan een gemeente of provincie wordt verstrekt op grond van het derde lid, verlengen tot en met het jaar 2007, indien die gemeente of provincie daarmee instemt. Artikel 4 De uitkering bestaat uit een bedrag voor de door de minister in de beslissing tot toekenning van een uitkering aangeduide doelen. Artikel 5 1 Onverminderd artikel 41, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen, omvat de aanvraag voor een uitkering: a. een analyse van de gemeentelijke of provinciale infrastructuur op het gebied van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving of cultuureducatie in het primair onderwijs binnen de gemeente of provincie; b. een opsomming van keuzes op basis van de analyse, bedoeld in onderdeel a, die past binnen het gemeentelijke of provinciale beleid in de uitkeringsperiode ten aanzien van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving of cultuureducatie in het primair onderwijs; c. een beschrijving van de beoogde meetbare doelstellingen die passen in de gemeentelijke of provinciale context die voortkomen uit de keuzelijst, bedoeld in onderdeel b, en die tevens een bijdrage leveren aan het bereiken van de rijksbrede doelstelling, bedoeld in: 1°. het Beleidskader Actieplan Cultuurbereik 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, 2°. het Beleidskader Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, of 3°. de Afspraak tussen de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het bestuur van het Interprovinciaal Overleg en het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over Cultuureducatie Primair Onderwijs, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133; d. de omschrijving van de wijze waarop en de lijst van indicatoren waaraan de gemeente of provincie de doelstellingen gaan meten; e. een meerjarenbegroting overeenkomstig het als bijlage I bij deze regeling gevoegde model. 2 Indien de aanvraag een uitkering als bedoeld in artikel 3, derde lid, betreft, geeft de aanvrager tevens aan hoe gestimuleerd wordt dat: a. passende cultuureducatieve activiteiten beschikbaar komen, en b. netwerken van scholen en culturele instellingen tot stand worden gebracht. 3 Indien de aanvrager een college van gedeputeerde staten is, geeft het college in de aanvraag voor een uitkering als bedoeld in artikel 3, derde lid, tevens aan hoe het college zorg gaat dragen voor de bovenlokale coördinatie, bemiddeling en afstemming tussen vraag en aanbod. Artikel 6 1 Onverminderd artikel 4, eerste en tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen weigert de minister aan: a. de desbetreffende gemeente of provincie een uitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze gemeente of provincie lager is dan deze uitkering; b. Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Utrecht een uitkering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze gemeente lager is dan deze uitkering; c. de desbetreffende provincie een uitkering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze provincie lager is dan deze uitkering minus het bedrag dat deze provincie besteedt in samenwerking met een of meer gemeenten. d. de desbetreffende gemeente of provincie een uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, te verstrekken als de financiële inzet in het jaar 2005 en 2006 van deze gemeente of provincie op het gebied van aanbod, ondersteuning en bemiddeling ten behoeve van cultuureducatie voor het primair onderwijs lager is dan de financiële inzet in 2004. 2 Onder gemeenten in het eerste lid, onderdeel c, worden ook andere gemeenten verstaan dan de gemeenten, genoemd in artikel 1, onderdeel b. Artikel 7 1 De minister betaalt een voorschot van één vierde deel van de uitkering, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, in de maand juni van het desbetreffende jaar waarvoor het voorschot is bestemd. 2 De minister betaalt in de maand juni van 2005 een voorschot op de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, van € 1,– vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2004: a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt. 3 De minister betaalt in de maand juni van 2006 een voorschot op de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, van € 1,50 vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2005: a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het vastgestelde aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt. 4 Indien een uitkering als bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt verlengd tot en met het jaar 2007, betaalt de Minister in de maand juni van 2007 een voorschot op de uitkering van € 1,50 vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2006: a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het vastgestelde aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt. Artikel 8 De uitkering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt ten hoogste: 2005–2008 Alkmaar 297.496 Almere 538.796 Amersfoort 419.672 Amsterdam 3.341.428 Apeldoorn 492.996 Arnhem 448.052 Breda 523.972 Delft 302.356 Den Haag 2.121.196 Dordrecht 378.272 Ede 333.140 Eindhoven 657.668 Emmen 342.056 Enschede 483.572 Groningen 566.256 Haarlem 464.600 Haarlemmermeer 401.572 Heerlen 295.532 Hengelo 255.984 Den Bosch 422.260 Leeuwarden 288.624 Leiden 375.820 Maastricht 387.468 Nijmegen 497.788 Rotterdam 2.707.500 Tilburg 628.236 Utrecht 1.219.728 Zaanstad 441.648 Zoetermeer 360.504 Zwolle 350.200 Drenthe 1.181.556 Flevoland 597.024 Friesland 1.739.004 Gelderland 4.442.548 Groningen 1.249.132 Limburg 2.917.188 Noord Brabant 5.374.120 Noord Holland 4.229.028 Overijssel 2.402.740 Utrecht 2.397.588 Zeeland 1.196.940 Zuid Holland 6.113.004 Artikel 9 De uitkering, bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt ten hoogste: 2005–2008 Amsterdam 10.408.696 Arnhem 1.497.280 Breda 470.912 Den Haag 6.607.616 Eindhoven 2.197.780 Enschede 1.615.988 Groningen 1.892.300 Den Bosch 379.500 Leeuwarden 259.396 Maastricht 1.294.836 Rotterdam 8.433.976 Tilburg 564.616 Utrecht 3.799.504 Zwolle 314.736 Drenthe 1.022.172 Flevoland 762.008 Friesland 1.166.676 Gelderland 3.868.644 Groningen 838.024 Limburg 2.155.372 Noord Brabant 3.605.424 Noord Holland 3.914.180 Overijssel 1.783.704 Utrecht 1.890.060 Zeeland 803.008 Zuid Holland 5.051.744 Artikel 10 1 De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50. 2 De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50. 3 De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50 + F × € 1,50. 4 De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50 + (G – F) × € 1,50. 5 In de formule als bedoeld in het eerste en tweede lid is: A: het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid; B: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004; C: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005; D: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004; E: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005; F. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006; G. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006. Artikel 11 De rapportage over de naleving van de uitkeringsbepalingen, bedoeld in de artikelen 45 en 47 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen, geschiedt overeenkomstig de volgende bijlagen bij deze regeling: a. bijlage II, Controleprotocol; b. bijlage III, Model accountantsverklaring; c. bijlage IV, Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik; d. bijlage V, Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving; e. bijlage VI, Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs; f. bijlage VII, Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik en gemeenten Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving; g. bijlage VIII, Model financiële verantwoording provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving; h. bijlage IX, Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs. Artikel 12 1 De Regeling specifieke uitkering cultuureducatie po 2004 wordt ingetrokken. 2 Voorzover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regeling, bedoeld in het eerste lid, plaats. 3 Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regeling, bedoeld in het eerste lid, blijven in stand. Artikel 13 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2011. Artikel 14 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.C. van derLaan Bijlage I Meerjarenbegroting Bijlage II Controleprotocol 1. Inleiding 1.1. Wettelijk kader Dit controleprotocol is bedoeld voor de accountant bij het controleren van de verantwoording van gemeenten en provincies die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de volgende specifieke uitkeringen ontvangen en die hun verantwoording dienen te voorzien van een accountantsverklaring: · Cultuurbereik voor de periode 2005–2008, · Beeldende kunst en vormgeving (BKV) voor de periode 2005–2008, · Cultuureducatie primair onderwijs voor de jaren 2005 en 2006. Dit controleprotocol is van toepassing met ingang van de verantwoording over 2005. Onder een specifieke uitkering wordt verstaan: middelen die de minister aan een gemeente of provincie beschikbaar stelt voor de subsidiëring van algemeen omschreven activiteiten of doelen, waarbij de verantwoordelijkheid voor de inzet van de middelen, waaronder de verdere subsidiëring aan natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna te noemen: subsidieontvangers), wordt overgedragen aan de gemeente of provincie. Door de specifieke uitkeringen wordt de gemeente of provincie beter in staat gesteld voorzieningen te treffen die aansluiten bij de lokale cultuurbehoeften. Er is hier sprake van decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De gemeente of provincie draagt bij de specifieke uitkeringen een grote verantwoordelijkheid. Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de bestedingen die zij zelf doen, maar zij zijn ook verantwoordelijk voor een rechtmatige besteding van middelen die zij aan de subsidieontvangers overdragen. Bij de verantwoording is de gemeente of provincie dus op twee niveau’s verantwoordelijk voor de besteding van de specifieke uitkering: 1. De gemeente of provincie moet verantwoorden op welke wijze zij de verschillende specifieke uitkeringen heeft besteed. De besteding heeft betrekking op de overdracht van de specifieke uitkeringen door de gemeente of provincie aan de subsidieontvangers en de inzet van de specifieke uitkeringen door de gemeente of provincie zelf. Onder besteding wordt verstaan het financiële totaal van uitgaven en verplichtingen binnen de bestedingstermijn, zoals genoemd in de betreffende regeling of wet. 2. De gemeente of provincie is verantwoordelijk voor de rechtmatige inzet van de specifieke uitkeringen bij de subsidieontvangers. Deze verantwoordelijkheid houdt in dat: – de specifieke uitkering conform de aanvraag of vastgelegde afspraken moet zijn verdeeld; – de specifieke uitkering moet zijn besteed ter realisatie van de door de gemeente of provincie en de betreffende instelling(
- en)overeengekomen doelen; – de gemeente of provincie de toezichts- en controlestructuur zo heeft ingericht dat zij zekerheid heeft over de rechtmatige besteding van de specifieke uitkering door de subsidieontvangers. Rechtmatige besteding van de specifieke uitkering betekent hier dat de subsidieontvangers de specifieke uitkering hebben besteed ter realisatie van de afgesproken doelen. De gemeente of provincie moet schriftelijk hebben vastgelegd hoe en wanneer de subsidieontvangers verantwoording afleggen aan de gemeente of provincie. Uit deze verantwoording moet tenminste blijken dat de subsidieontvangers de specifieke uitkering hebben besteed ter realisatie van de doelen waarvoor de gemeente of provincie de specifieke uitkering aan hen beschikbaar heeft gesteld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een activiteiten- en een financieel verslag, maar ook uit een financiële verantwoording voorzien van een accountantsverklaring. Vooralsnog worden er van rijkswege geen voorschriften gegeven voor de door de gemeente of provincie in te richten toezichts- en controlestructuur. Uitgangspunt is dat de door de gemeente of provincie opgestelde beheersmaatregelen (toezichts- en controlestructuur) voldoen aan algemeen daaraan te stellen eisen en worden nageleefd. Aangezien er een ministeriële verantwoordelijkheid blijft, moet er een inhoudelijke en financiële verantwoording worden afgelegd door de gemeente of provincie aan de rijksoverheid, welke inzicht geeft in de bereikte doelen en de rechtmatige bestedingen. Het is de gemeente of provincie die verantwoordelijk is voor de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verantwoording. Het is de verantwoordelijkheid van de minister de verantwoording te gebruiken voor een verantwoording over de verstrekte specifieke uitkeringen. Overeenkomstig artikel 8 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid kunnen regels gesteld worden met betrekking tot het verstrekken van subsidies op grond van deze wet. Deze regels zijn vastgelegd in het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Besluit) en de Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008 (de Regeling). Het controleprotocol is onderdeel van de Regeling. In de Regeling zijn nadere regels beschreven, die de minister kan stellen conform artikel 48 van het Besluit. Het object van controle van de bestedingen en beoordeling van de outputdoelen is de verantwoording die de gemeente of provincie verstrekt over de ontvangen specifieke uitkering en de behaalde outputdoelen: – Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik (Bijlage IV bij de Regeling); – Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving (Bijlage V bij de Regeling); – Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs (Bijlage VI bij de Regeling); – Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik en gemeenten Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving (Bijlage VII bij de Regeling); – Model financiële verantwoording provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving Bijlage VIII bij de Regeling); – Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs (Bijlage IX bij de Regeling). 1.2. Doel De accountantscontrole strekt zich uit tot de deugdelijkheid van de financiële verantwoording en de rechtmatigheid van het daarin verantwoorde beheer. Onder de controle op de rechtmatigheid van het verantwoorde beheer wordt verstaan de controle op de verantwoorde bestedingen, die tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de relevante regelgeving. Het doel van deze controle is te komen tot het afgeven van een accountantsverklaring bij de financiële eindverantwoording van de betreffende specifieke uitkering. Dit controleprotocol dient om de reikwijdte en het object van de accountantscontrole nader aan te geven. Hiertoe wordt in het controleprotocol aangegeven welke aspecten voor de controle door de accountant minimaal van belang zijn. Het bevat geen passages met controletechnische zaken die vanuit het vakgebied van de instellingsaccountant worden geacht bekend te zijn. Veelal zal de accountant zich immers bij zijn controle baseren op een (risico)analyse van de administratieve organisatie en interne controle bij de desbetreffende gemeente of provincie en op basis daarvan komen tot een optimale afweging van de in te zetten controlemiddelen. In de onderdelen 2.3 en 2.4 geeft het controleprotocol een aantal specifieke werkzaamheden aan, waaronder de beoordeling van de outputdoelen, waarvan verwacht wordt dat deze door de accountant worden verricht. De bevindingen naar aanleiding van de verrichte accountantscontrole op de specifieke uitkeringen en de beoordeling op de outputdoelen dienen gerapporteerd te worden in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen dient te worden verstrekt aan de Minister van OCW, die de bevindingen in haar vaststellingsproces van de betreffende specifieke uitkering zal betrekken. 1.3. Procedure Alle gemeenten en provincies leggen éénmalig, binnen 10 maanden na afloop van de uitkeringsperiode (conform artikel 45 van het Besluit), inhoudelijk en financieel verantwoording over de gehele uitkeringsperiode af aan OCW. Het inhoudelijk verslag biedt inzicht in de behaalde resultaten per outputdoel (Modellen IV-VI bij de Regeling). In de financiële verantwoording wordt inzicht verschaft in de besteding van de ontvangen rijksmiddelen (Modellen VII-IX). Indien de specifieke uitkering groter of gelijk is aan € 250.000 per boekjaar (conform het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen artikel 47, eerste lid) dient de gemeente of provincie bij de financiële verantwoording tevens een accountantsverklaring te verstrekken, waarin is opgenomen dat de specifieke uitkeringen van OCW over de gehele uitkeringsperiode getrouw zijn en rechtmatig zijn besteed. Indien de accountant bevindingen heeft geconstateerd over de uitkeringsperiode wordt tevens een rapport van bevindingen overlegd. Indien de specifieke uitkering kleiner is dan € 250.000 per boekjaar (conform artikel 47, eerste lid, van het Besluit) behoeft de gemeente of provincie geen accountantsverklaring te verstrekken bij de in te dienen verantwoording. De Auditdienst van OCW (AD OCW) verricht onderzoeken in het kader van de departementale jaarrekening of bijzondere onderzoeken. Een onderzoek in het kader van de departementale jaarrekening bestaat uit een beoordeling van de wijze waarop de accountants zijn omgegaan met de controlevoorschriften. Het controledossier vormt de basis voor een review die de departementale accountant kan uitvoeren. De AD kondigt een onderzoek altijd eerst schriftelijk aan bij de gemeente of provincie. Daarna neemt zij rechtstreeks contact op met de betreffende accountant. Na afloop van de review bespreekt de AD OCW de bevindingen met de accountant. Daarna informeert zij de gemeente of provincie. Over deze onderzoeken wordt altijd een rapport uitgebracht, eventueel voorafgaand door een conceptrapport. Het definitieve rapport wordt toegestuurd aan zowel de gemeente als de accountant. Bij een ontoereikende accountantscontrole geldt de procedure onder de maat presterende accountants (OMPA), zie paragraaf 4. Er kunnen tal van aanleidingen zijn voor een bijzonder onderzoek door de AD OCW. In veel gevallen zal het hierbij gaan om een rechtmatigheidsonderzoek. Uit dit onderzoek blijkt of de specifieke regelingen al dan niet zijn nageleefd. Een bijzonder onderzoek kan echter ook het gevolg zijn van een brede behoefte aan informatie. Als besloten is een bijzonder onderzoek in te stellen, maakt de AD OCW dit vooraf schriftelijk bekend. De bevindingen van een bijzonder onderzoek legt zij in een rapport vast. Eventueel brengen zij eerst een conceptrapport uit. Het definitieve rapport wordt aan de gemeente en aan de accountant toegezonden. De gemeente of provincie en haar accountant zijn verplicht mee te werken aan een onderzoek door de AD OCW, op grond van artikel 46 van het Besluit. 2. Reikwijdte accountantsonderzoek 2.1. Onderzoeksaanpak De accountant controleert of de gegevens op de financiële verantwoordingsformulieren (Modellen VII-IX) juist en volledig zijn. In het controledossier neemt de accountant een risico-analyse op. De accountant geeft gemotiveerd aan hoe de controle is ingericht en uitgevoerd en of onderwerpen uit dit protocol niet of niet uitgebreid zijn gecontroleerd. De accountant moet controleren of de bestedingen rechtmatig zijn geweest. Onder bestedingen wordt verstaan: 1. de overdracht aan subsidieontvangers; b. Het deel van subsidies voor provinciale of gemeentelijke musea voor moderne kunst of met een afdeling voor moderne kunst, dat bestemd is voor aankopen, activiteiten en tentoonstellingen; het gaat hier om middelen die door provincies en gemeenten zelf in worden gebracht. c. Door provincies en gemeenten verstrekte bijdragen voor beeldende kunst en vormgeving in natura; deze moeten worden gekapitaliseerd. d. Investeringen in één keer of in jaarlijkse termijn(
- en)op basis van de wettelijk vastgestelde regels voor afschrijving. Daarnaast dient de accountant het volgende vast te stellen: – of de juiste modellen zijn gebruikt, conform artikel 11 van de Regeling; – of de gegevens op de financiële verantwoordingsformulieren (Modellen VII-IX) juist en volledig zijn; – dat de specifieke uitkering door de gemeente of provincie alsmede de subsidieontvangers ingezet is voor het realiseren van de afgesproken doelen (artikel 4 van de Regeling); – dat de bestedingen rechtmatig zijn; – dat de bepalingen in de beschikking zijn nageleefd. Bij het M&O criterium gaat het om het volgende: Ten aanzien van misbruik dient de accountant vast te stellen dat interne toetsing door gemeente of provincie plaatsvindt op juistheid en volledigheid van gegevens die door derden zijn verstrekt bij het gebruik van overheidsregelingen. Ten aanzien oneigenlijk gebruik dient de accountant vast te stellen dat interne toetsing door gemeente of provincie plaatsvindt of derden bij het gebruik van overheidsregelingen geen (rechts)handelingen hebben verricht die in strijd zijn met het doel of de strekking van de regeling. Indien niet is voldaan aan de gestelde rechtmatigheidseisen, moet de specifieke uitkering als onrechtmatig besteed worden aangemerkt en in het rapport van bevindingen worden gerapporteerd. In de accountantsverklaring bij de financiële verantwoording dient het punt dat het controleprotocol is nageleefd tot uitdrukking te worden gebracht. Een dergelijke vermelding impliceert mede dat de controle is uitgevoerd met in acht name van de hierboven gestelde eisen. 2.4. De beoordeling van de outputdoelen Met betrekking tot de beoordeling van de outputdoelen dient de accountant op basis van het inhoudelijk verslag over de uitkeringsperiode het volgende vast te stellen: 1. dat de wijze waarop de realisatie van de outputdoelen door de gemeente of provincie wordt geregistreerd voldoet aan de uitgangspunten of afspraken (definitie en vooraf vastgelegde registratiewijze) in de beschikking; Bijlage III Model accountantsverklaring Bijlage IV Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik Bijlage V Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving Bijlage VI Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs Bijlage VII Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik en gemeenten Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving Bijlage VIII Model financiële verantwoording provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving Bijlage IX Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs