← Nederland

Besluit subsidies stadseconomie GSB III

BWBR0018534_2005-11-25_0 Besluit van 1 juli 2005, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies inzake het vergroten van de economische kracht in de grote steden (Besluit subsidies stadseconomie GSB III) Besluit subsidies stadseconomie GSB III Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 april 2005, nr. WJZ 5009572; Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies; De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2005, nr. W10.05.0117/ll); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2005, nr. WJZ 5038914; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1 Algemene bepalingen Artikel 1 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken; b. GSB III periode: de derde convenantperiode ten aanzien van het Grotestedenbeleid, lopend van 1 januari 2005 tot en met 31 december

  1. 2 In afwijking van het eerste lid loopt de GSB III periode voor de gemeente Sittard-Geleen van 1 januari 2006 tot en met 31 december
  2. Artikel 2 1 Onze Minister kan ten behoeve van de uitvoering van het gemeentelijk beleid inzake het vergroten van de economische kracht voor de GSB III periode een subsidie verlenen aan een in de bijlage van dit besluit vermelde gemeente. 2 Waar bij of krachtens dit besluit bevoegdheden zijn toegekend aan Onze Minister, oefent hij deze uit in overeenstemming met Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid. Artikel 3 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de gemeente beschikt over een door de gemeenteraad vastgesteld meerjaren ontwikkelingsprogramma: a. dat betrekking heeft op de GSB III periode; b. dat een analyse bevat van de bestaande stedelijke economische structuur, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelstellingen; c. waarin de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, voldoende zijn onderbouwd en worden weergegeven in termen van toetsbare resultaten, op de in artikel 4, derde tot en met achtste lid, bedoelde wijze; d. waaruit blijkt dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en f, zijn afgestemd met de omringende gemeenten en dat een weergave bevat van deze intergemeentelijke afspraken op hoofdlijnen, en e. dat een financiële paragraaf bevat, die inzicht geeft in de totale kosten van het realiseren van de doelstellingen en de kosten per afzonderlijk op de doelstelling geformuleerd resultaat en de daar tegenover staande financiering om de doelstellingen en resultaten te kunnen realiseren, met inbegrip van de inzet van eigen gemeentelijke middelen per afzonderlijk geformuleerd resultaat. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor zover voor activiteiten voortvloeiend uit het meerjaren ontwikkelingsprogramma reeds door Onze minister subsidie is verstrekt. Artikel 4 1 Het meerjaren ontwikkelingsprogramma bevat de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht met betrekking tot: a. het verminderen van het aantal verouderde bedrijventerreinen en het verbeteren van het aanbod van nieuwe bedrijventerreinen; b. het verminderen van de criminaliteit tegen bedrijven en ondernemers; c. het vergroten van het aantal breedbandaansluitingen; d. het verbeteren van de gemeentelijke dienstverlening aan ondernemers; e. het verminderen van de lokale administratieve lasten; f. het verbeteren van de economische bereikbaarheid; g. het verminderen van het gebrek aan aansluiting van arbeidsvraag en arbeidsaanbod; h. het verbeteren van het innovatief vermogen van het bedrijfsleven. 2 Het meerjaren ontwikkelingsprogramma kan voorts één of meer gemeentelijke doelstellingen ter vergroting van de economische kracht naar keuze van de gemeente bevatten. 3 De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren: a. aantal hectare geherstructureerde bedrijventerreinen; b. aantal hectare nieuw aangelegde bedrijventerreinen. 4 De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren: a. aantal delicten tegen bedrijven en ondernemers; b. gevoel van onveiligheid van het lokale bedrijfsleven; c. aangiftebereidheid van ondernemers. 5 De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren: a. vraagbundelingstraject, gericht op het aansluiten van (semi-)publieke instellingen op breedband, afgerond met een aanbestedingsronde; b. aantal locaties van (semi-)publieke instellingen in de gemeente dat door middel van een vraagbundelingsinitiatief is aangesloten op breedband. 6 De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren: a. aansluiting bij het nationaal elektronisch bedrijvenloket; b. tevredenheid van de ondernemers. 7 De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, overeenkomstig de volgende prestatie-indicator: procentuele daling van de administratieve lasten ten opzichte van de situatie in de nulmeting uit
  3. 8 De gemeente formuleert de resultaten op de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f tot en met h, en het tweede lid, overeenkomstig één of meer prestatie-indicatoren naar keuze van de gemeente. 9 De gemeente kan met betrekking tot één of meer doelstellingen, bedoeld in het eerste lid, geen resultaten formuleren; dit wordt in het meerjaren ontwikkelingsprogramma gemotiveerd. Artikel 5 De subsidie bedraagt het in de bijlage van dit besluit bij de betrokken gemeente genoemde bedrag, tenzij Onze Minister toepassing geeft aan artikel
  4. § 2 Aanvraag en verlening van subsidie Artikel 6 1 Een aanvraag tot subsidieverlening wordt door het college van burgemeester en wethouders ingediend bij Onze Minister en gaat vergezeld van het meerjaren ontwikkelingsprogramma. 2 Een aanvraag tot subsidieverlening wordt uiterlijk binnen acht weken na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ingediend. 3 Onze Minister geeft een beschikking tot subsidieverlening binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening. 4 Een aanvraag tot verlening van de onderscheiden subsidies van het Grotestedenbeleid die door het college van burgemeester en wethouders bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid is ingediend, wordt in afwijking van het eerste lid, als een aanvraag tot subsidieverlening krachtens dit besluit aangemerkt voor zover betrekking hebbend op het gemeentelijk beleid inzake het vergroten van de economische kracht. 5 Onze Minister besluit op een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in het vierde lid, binnen acht weken na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 7 Onze Minister kan de aanvraag tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: a. de aard en omvang van de in het meerjaren ontwikkelingsprogramma opgenomen doelstellingen en resultaten, bedoeld in artikel 4, gelet op de hoogte van het in de bijlage van dit besluit bij de betrokken gemeente genoemde bedrag, naar het oordeel van Onze Minister daartoe aanleiding geven; b. het meerjaren ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met op grond van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal of rijksbeleid. Artikel 8 Onze Minister verbindt aan de subsidieverlening verplichtingen met betrekking tot: a. de aanwezigheid en het gebruik van een gemeentelijk systeem voor de registratie van de uitvoering en realisatie van de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht; b. de verstrekking van gegevens aan Onze Minister over de uitvoering en realisatie van de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht. § 3 Voorschotten Artikel 9 Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, wordt door Onze Minister gedurende de GSB III periode eenmaal per kalenderjaar ambtshalve een voorschot verstrekt. § 4 De subsidievaststelling Artikel 10 1 Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan subsidie is verleend, dient uiterlijk op 15 juli 2010 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij Onze Minister. 2 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt gebruik gemaakt van de verantwoordingsinformatie bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 3 Een aanvraag tot vaststelling van de onderscheiden subsidies van het Grotestedenbeleid die door het college van burgemeester en wethouders uiterlijk 15 juli 2010 bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid is ingediend, wordt in afwijking van het eerste lid, als een aanvraag tot subsidievaststelling krachtens dit besluit aangemerkt voor zover betrekking hebbend op het gemeentelijk beleid inzake het vergroten van de economische kracht. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag als bedoeld in de eerste zin. Artikel 11 1 Onze Minister geeft een beschikking inzake subsidievaststelling binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. 2 Indien Onze Minister voornemens is de subsidie lager vast te stellen en hij hierover advies wil vragen, hoort hij eerst de betrokken gemeente over de adviesaanvraag. 3 De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister de gemeente schriftelijk mededeelt toepassing te geven aan artikel 12, eerste lid, tot de dag waarop het in het tweede lid van dat artikel bedoelde verantwoordings- en bestedingsverslag is ontvangen. Artikel 12 1 Onze Minister kan indien naar zijn oordeel de bij de subsidieverlening vastgelegde resultaten onvoldoende zijn gerealiseerd een periode van ten hoogste twee jaar na afloop van de GSB III periode voor de gemeente vaststellen om die resultaten alsnog te realiseren. 2 Het college van burgemeester en wethouders zendt binnen zes maanden na afloop van de periode, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister een verantwoordings- en bestedingsverslag als bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid, onder a. § 5 Slotbepalingen Artikel 13 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 14 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies stadseconomie GSB III. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage 1 juli 2005 Beatrix De Staatssecretaris van Economische Zaken , C. E. G. van Gennip de achtentwintigste juli 2005 De Minister van Justitie a.i. , M. C. F. Verdonk Bijlage behorend bij de artikelen 2 en 5 Subsidiebedrag (bedragen * € 1000,–) Alkmaar 1703,5 Almelo 1216,8 Amersfoort 2327,1 Amsterdam 38373,9 Arnhem 3102,8 Breda 3756,9 Deventer 1338,5 Dordrecht 2144,6 Eindhoven 4350,1 Emmen 1368,9 Enschede 2494,4 Gravenhage ’s- 18287,6 Groningen 5019,3 Haarlem 4319,6 Heerlen 1505,8 Helmond 1323,3 Hengelo 1551,4 Hertogenbosch ’s- 3042,0 Leeuwarden 1855,6 Leiden 2418,4 Lelystad 867,0 Maastricht 2631,3 Nijmegen 3118,1 Rotterdam 24183,6 Schiedam 1718,7 Sittard-Geleen 1277,8 Tilburg 3224,5 Utrecht 8894,0 Venlo 1627,5 Zaanstad 2479,2 Zwolle 1840,4 Totaal G31 153377,8

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.