BWBR0019309_2006-08-16_0 Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2005/103027, houdende vaststelling van regels op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Regeling verplichte beroepspensioenregeling) Regeling verplichte beroepspensioenregeling De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op de artikelen 4, vierde lid, 7, vierde lid, 11, zesde lid, 16, tweede lid, 17, tweede lid, 39, derde lid, 40, vierde lid, 44, vijfde lid, 45, vijfde lid en 102, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de artikelen 10, vierde lid, 12, eerste lid en 14, tweede lid, van het Besluit verplichte beroepspensioenregeling; Besluit: Artikel 1 Definities In deze regeling wordt verstaan onder: a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. het besluit: het Besluit verplichte beroepspensioenregeling; c. heffingsgrondslag: de som van premies en directe beleggingsopbrengsten, beide zoals omschreven in staat 3.200, 3.201 en 3.211 van bijlage B behorende bij artikel 3, vierde lid, van het Besluit staten pensioenfondsen, met dien verstande dat de directe beleggingsopbrengsten worden bepaald op het bedrag voor aftrek van de afschrijving van de geactiveerde overrente; d. kosten: de kosten die verband houden met de uitvoering van de taken en bevoegdheden van De Nederlandsche Bank N.V. op grond van de wet, daaronder begrepen hetgeen redelijkerwijs nodig is voor het vormen van een werkkapitaal; e. het u-rendement: het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het verbond van verzekeraars. Paragraaf 1 Aanvragen op grond van de wet Artikel 2 Aanvraag van de verplichtstelling De aanvraag van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, bevat: a. een vermelding van de beroepspensioenvereniging die om de verplichtstelling vraagt; b. een toelichting op de aanvraag tot verplichtstelling; c. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de gewenste werkingssfeer van de verplichtstelling op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; d. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel c, in viervoud; e. een digitale tekst van de integrale beroepspensioenregeling op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; en f. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel e, in viervoud; g. een opgave van representativiteitgegevens in de vorm van: 1º. het aantal beroepsgenoten, dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; 2º. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft; h. een toelichting op de wijze van verzameling van de representativiteitgegevens, bedoeld in onderdeel g, die in ieder geval het volgende bevat: 1º. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel g, onder 1º en 2º; 2º. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; 3º. een opgave van de wijze van meting; 4º. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; 5º. een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten. Artikel 2a Meerderheid van minder dan 60% Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigt van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel, indien tegen verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, wordt van de aanvrager een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen, bedoeld in artikel 2, onderdeel h. Artikel 3 Aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling De aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, bevat: a. een vermelding van de beroepspensioenvereniging die om wijziging van de verplichtstelling vraagt; b. een toelichting op de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling; c. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals deze zou komen te luiden na de gewenste wijziging, op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; en d. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel c, in viervoud; e. een opgave van representativiteitgegevens in de vorm van: 1º. het aantal beroepsgenoten dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; 2º. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft; f. een toelichting op de wijze van verzameling van de representativiteitgegevens, bedoeld in onderdeel e, die in ieder geval het volgende bevat: 1º. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel e, onder 1º en 2º; 2º. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; 3º. een opgave van de wijze van meting; 4º. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; 5º. een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten. Artikel 3a Meerderheid van minder dan 60% Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 3, onderdeel e, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigd van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel indien tegen wijziging van de verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, zal een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave worden verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen als bedoeld in artikel 3, onderdeel f. Artikel 4 Aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling 1 De aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de wet bevat: a. vermelding van de beroepspensioenvereniging die om de intrekking van de verplichtstelling vraagt; en b. een toelichting op de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling; c. een opgave van: 1º. het aantal beroepsgenoten dat lid is van de bij de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; 2º. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft; d. een toelichting op de wijze van verzameling van de representativiteitgegevens, die in ieder geval het volgende bevat: 1º. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel c, onder 1º en 2º; 2º. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; 3º. een opgave van de wijze van meting; 4º. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; 5º. een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten. 2 Onverminderd het eerste lid, bevat de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling voor één of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, tevens: a. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de gewenste werkingssfeer van de verplichtstelling zoals deze zou komen te luiden na de gewenste intrekking van de verplichtstelling voor één of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten, op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; b. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel a, in viervoud; en c. een actuariële berekening waaruit de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking voor de pensioenuitvoerder blijken. Artikel 4a Meerderheid van minder dan 60% Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigt van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel indien tegen intrekking van de verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, zal een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave worden verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel d. Artikel 5 Aanvraag tot ontheffing 1 De aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet wordt gedaan door de persoon voor wie de ontheffing wordt gevraagd. 2 De aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, vermeldt: a. de naam en geboortedatum van de persoon waarvoor de ontheffing wordt gevraagd; b. de beroepspensioenregeling waarin de betrokkene verplicht zou zijn deel te nemen; c. de termijn waarvoor de ontheffing wordt gevraagd; d. het land van herkomst van de betrokkene; en e. een verklaring van de persoon voor wie ontheffing wordt gevraagd waarin wordt aangegeven of er een pensioenvoorziening wordt voortgezet in het land van herkomst. Artikel 6 Behandeling aanvragen De aanvragen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 5 worden eerst in behandeling genomen wanneer alle van belang zijnde gegevens en bescheiden, genoemd in die artikelen, bij de aanvragen zijn gevoegd. Artikel 6a Termijnen 1 Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, bedoeld in artikel 2, 3 of 4, doch uiterlijk binnen zesentwintig weken na de datum van mededeling in de Staatscourant van de aanvraag tot verplichtstelling, de aanvraag betreffende wijziging van de verplichtstelling, dan wel de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling. 2 Indien in verband met het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid informatie of advies is gevraagd aan een persoon of instantie kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste twee maal worden verlengd met een periode van maximaal dertien weken en worden verzoekende partijen van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld. 3 Indien verzoekende partijen niet of niet volledig binnen zes weken reageren op een verzoek van Onze Minister of De Nederlandsche Bank N.V. om aanvullende informatie dan wel binnen zes weken in geval van een verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. om wijziging van statuten of reglementen, wordt de aanvraag, bedoeld in artikel 2, 3 of 4 niet verder behandeld. Hiervan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Paragraaf 2 Gemoedsbezwaren Artikel 7 De aanvraag 1 De aanvraag tot ontheffing van de verplichtstelling van een persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, geschiedt door indiening van een door de aanvrager ondertekende verklaring. 2 De in het eerste lid genoemde verklaring houdt ten minste in dat de aanvrager overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering en mitsdien noch zichzelf nog iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Artikel 8 Indienen van de aanvraag 1 De in artikel 7 bedoelde verklaring wordt ingediend bij de pensioenuitvoerder. 2 De pensioenuitvoerder onderzoekt of de verklaring overeenkomstig de waarheid is. Artikel 9 Verlenen van de ontheffing 1 Indien de verklaring naar de mening van de pensioenuitvoerder overeenkomstig de waarheid is, verleent deze de ontheffing. 2 Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden die noodzakelijk zijn in verband met de administratie van de pensioenuitvoerder. 3 Van de verleende ontheffing wordt door de pensioenuitvoerder een bewijs uitgereikt. Artikel 10 Spaarbijdragen De persoon die een ontheffing heeft, betaalt dezelfde bedragen welke hij verschuldigd zou zijn in de vorm van premies indien hij geen ontheffing had, aan de pensioenuitvoerder in de vorm van spaarbijdragen. In de beroepspensioenregeling wordt geregeld waarop deze spaarbijdragen recht geven. Artikel 11 Spaarrekening 1 De op grond van artikel 10 betaalde spaarbijdragen worden door of namens de pensioenuitvoerder geboekt op een de persoon die een ontheffing heeft betreffende spaarrekening. 2 In de beroepspensioenregeling wordt aangegeven in welke gevallen en tot welke bedragen de persoon die een ontheffing heeft gerechtigd is gelden van de spaarbijdragen op te nemen. Artikel 12 Intrekken van de ontheffing 1 Een ontheffing wordt door de pensioenuitvoerder ingetrokken: a. op verzoek van de persoon aan wie de ontheffing is verleend; b. indien naar het oordeel van de pensioenuitvoerder de gemoedsbezwaren op grond waarvan de ontheffing is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan. 2 De ontheffing kan door de pensioenuitvoerder worden ingetrokken indien de betrokkene de bij de ontheffing gestelde voorwaarden niet of niet behoorlijk naleeft. 3 In de beroepspensioenregeling worden de gevolgen geregeld van de intrekking van een ontheffing. Paragraaf 3 Afkoop Artikel 13 Afkoop bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed Mits de pensioenuitvoerder daarmee instemt kan, in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding respectievelijk scheiding van tafel en bed pensioen of aanspraak op pensioen op verzoek van de rechthebbende met instemming van diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot worden afgekocht indien de afkoopsom bij dezelfde instelling wordt aangewend ter verwerving van eenzelfde of een ander soort pensioen ten behoeve van diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot. Artikel 14 Afkoop deelneming korter dan een jaar 1 In de beroepspensioenregeling kan worden bepaald dat bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd afkoop van premievrije pensioenaanspraken onder terhandstelling van de afkoopsom aan de gewezen deelnemer op diens verzoek mogelijk is, indien hij korter dan een jaar aan de regeling inzake ouderdomspensioen van die beroepspensioenregeling heeft deelgenomen, tenzij hij pensioenaanspraken heeft ingebracht. 2 De afkoopsom bedraagt tenminste een bedrag gelijk aan de door de gewezen deelnemer betaalde premies voor ouderdomspensioen. 3 De beroepspensioenregeling kan in plaats van het tijdstip van beëindiging van de deelneming een later tijdstip voor uitbetaling van de afkoopsom noemen, doch niet later dan twee jaar na het eindigen van de deelneming, nóch later dan het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. Artikel 15 Vaststelling bedrag afkoop kleine bedragen Het bedrag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, bedraagt € 361,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.