← Nederland

Vaststellingsbesluit subsidieprogramma’s 2006–2011 ex art. 2, eerste lid, Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer

Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-1068, houdende vaststelling van een drietal subsidieprogramma’s voor de periode 2006–2011 als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer Vaststellingsbesluit subsidieprogramma’s 2006–2011 ex art. 2, eerste lid, Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer De Minister van Verkeer en Waterstaat, Gelet op de artikelen 2, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. subsidieregeling: Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer; b. subsidieprogramma: CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de subsidieregeling. Artikel 2 De volgende subsidieprogramma’s worden vastgesteld: a. het Subsidieprogramma CO2-reductie goederenvervoer, opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit; b. het Subsidieprogramma CO2-reductie personenvervoer, opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit; c. het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer, opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit. Artikel 3 1 Bij een aanvraag tot subsidie als bedoeld in artikel 8 van de subsidieregeling, wordt voor de subsidieprogramma’s, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, gebruik gemaakt van de aanvraagformulieren waarvan het model in de bijlagen bij dit besluit is opgenomen: a. voor investeringsprojecten: in bijlage 4; b. voor kennisoverdrachtprojecten: in bijlage 5; c. voor toepassingsprojecten: in bijlage

  1. 2 Bij een aanvraag tot subsidie als bedoeld in artikel 8 van de subsidieregeling, wordt voor het subsidieprogramma, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, gebruik gemaakt van het aanvraagformulier waarvan het model in bijlage 7 bij dit besluit is opgenomen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Het besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 4 tot en met 7, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs Bijlage 1 als bedoeld in artikel 2, onderdeel a Subsidieprogramma CO2-reductie Goederenvervoer §
  2. Inleiding Het Subsidieprogramma CO2-reductie Goederenvervoer, hierna genoemd het programma, is een CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Stcrt. 2 november 2001, nr. 213), hierna genoemd de subsidieregeling. Doel van het programma is invulling geven aan de subsidiemogelijkheden voor CO2-reductieprojecten, die voldoen aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Het programma beperkt zich daarbij tot het ondersteunen van projecten die een substantiële bijdrage leveren aan de CO2-reductie in de sector goederenvervoer. Gedacht kan worden aan een efficiëntere manier van goederentransport of het vermijden of voorkomen van het transport van goederen. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Ingevolge de subsidieregeling stelt de minister een programma vast. Het onderhavige programma, is een aanpassing naar aanleiding van de ervaringen met de derde ronde van het programma. Het programma heeft een looptijd van ruim 5 jaar, van 2006 tot en met
  3. §
  4. Subsidiabele activiteiten a. Dit subsidieprogramma staat open voor investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1 van de subsidieregeling. b. Ten aanzien van projecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen, andere Nederlandse organisaties, lokale en regionale overheden in aanmerking, die investeringen plegen of actieve kennisoverdracht uitvoeren met betrekking tot een CO2-reductieproject waarbij de CO2-emissiereductie bij het transport van goederen, of door het vermijden van transport van goederen, wordt gerealiseerd. §
  5. Criteria voor de subsidie a. Een investeringsproject voldoet in elk geval aan het volgende criterium: – het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld op, over de technische levensduur van de voorziening. d. Voor een project gelden voorts de volgende criteria: – het project dient te starten na het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Onder starten wordt verstaan het aangaan van verplichtingen en/of het maken van kosten ten behoeve van het project; – het resultaat van het project mag niet significant in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige beleid op het gebied van goederenvervoer en milieu; – het project mag niet leiden tot een significant verhoogde emissie van NOx, CO, VOS of SOx noch tot een significant hoger geluidsniveau. Voor intermodale en multimodale projecten geldt dat een verandering in vervoersmodaliteit moet worden aangetoond waarbij de bestaande en de nieuwe transportketen op voorhand bekend zijn; – het project moet volledig gerealiseerd zijn voor 1 januari
  6. De eindrapportage en het verzoek tot vaststelling dienen uiterlijk 30 juni 2012 door SenterNovem te zijn ontvangen. Indien niet wordt voldaan aan alle bovenstaande criteria zal de aanvraag worden afgewezen. §
  7. Verdeling van de gelden De beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen. De investeringsprojecten en toepassingsprojecten worden gezamenlijk gerangschikt. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten geschiedt separaat. §
  8. Rangschikking van subsidieaanvragen a. De rangschikking van investingsprojecten en toepassingsprojecten wordt bepaald aan de hand van vijf criteria: – de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is; – de omvang van de CO2-reductie van het project. Het betreft de mate van vermindering van de CO2-emissie die is toe te rekenen aan Nederland, ten gevolge van het project; – andere maatschappelijke effecten. Het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid (bijvoorbeeld de kwaliteit van water, lucht of geluidsoverlast) en veiligheid; – het herhalingspotentieel. Hierbij wordt gekeken naar: • de innovativiteit: de mate waarin de toe te passen technologie of het concept vernieuwend is, en de mate waarin marktintroductie plaatsvindt; • de voorbeeldwerking: de mate waarin de technologie of het concept binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) of elders in de markt, binnen en buiten de branche kan worden herhaald; – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de risico’s worden ingeschat en de beoogde resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan deze criteria. Hierbij geldt dat het eerste rangschikkingcriterium twee keer meeweegt en de overige vier één keer. b. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten wordt bepaald aan de hand van vier criteria: – de verhouding tussen de verwachte omvang van de CO2-emissiereductie als gevolg van het project en de kosten van het project; waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is; – het herhalingspotentieel: de mate waarin de projectresultaten elders in de markt kunnen worden toegepast of door hun voorbeeldwerking kunnen bijdragen aan kennisverspreiding in de markt; – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de verwachting van de mate waarin de beoogde resultaten worden bereikt, en de mate waarin de aanvrager in staat wordt geacht het project uit te voeren; – andere maatschappelijke effecten dan CO2-emissiereductie: het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid (bijvoorbeeld de kwaliteit van water, lucht of geluidsoverlast) en veiligheid. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan bovenstaande criteria. De hiervoor genoemde vier criteria wegen even zwaar. §
  9. Indiening en beoordeling van een subsidieaanvraag Aanvragen kunnen worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en dienen uiterlijk op 18 januari 2007 voor 18.00 uur te zijn ontvangen. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij SenterNovem door middel van een daar te verkrijgen aanvraagformulier. Het postadres is: SenterNovem Zwolle/ CO2-reductie verkeer en vervoer Postbus 10073 8000 GB Zwolle Het bezoekadres is: SenterNovem Zwolle/ CO2-reductie verkeer en vervoer Dokter van Deenweg 108 8025 BK Zwolle Telefoon:

(038)4553422/4553401 Fax:
(038)4540225 E-mail: CO2@senternovem.nl Website: http://www.senternovem.nl/CO2-goederenvervoer §
  1. Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 2.750.000,– voor investering- en toepassingsprojecten samen, en € 250.000,– voor kennisoverdrachtprojecten. Indien na rangschikking blijkt dat een van de hiervoor genoemde budgetten niet is uitgeput, dan zal het resterende bedrag worden toegevoegd aan het andere budget. §
  2. Verplichtingen subsidieontvanger De subsidieontvanger zal gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 van de subsidieregeling, informatie verstrekken met betrekking tot het resultaat van het project voor zover het de CO2-emissie betreft. Voor de wijze waarop dit zal gebeuren wordt door SenterNovem een opzet verstrekt. §
  3. Uitgangspunten voor berekening Bij de berekening van de CO2-reductie, de subsidie-effectiviteit en de subsidiabele projectkosten gelden de volgende uitgangspunten: a. bij de berekening van de reductie van de CO2-emissie geldt als referentie de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat dan wel gecontinueerd wordt als het project geen doorgang vindt, waarbij de bij de aanvrager dan wel de in de branche gangbare praktijk de norm is; Bijlage 2 als bedoeld in artikel 2, onderdeel b Subsidieprogramma CO2-reductie personenvervoer §
  4. Inleiding Het Subsidieprogramma CO2-reductie Personenvervoer, hierna genoemd het programma, is een CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Stcrt. 2 november 2001, nr. 213), hierna genoemd de subsidieregeling. Doel van het programma is invulling geven aan de subsidiemogelijkheden voor CO2-reductieprojecten, die voldoen aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Het programma beperkt zich daarbij tot het ondersteunen van projecten die een substantiële bijdrage leveren aan de CO2-reductie in de sector personenvervoer. Gedacht kan worden aan een efficiëntere manier van het vervoeren van personen of het vermijden of voorkomen van het vervoer van personen. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Ingevolge de subsidieregeling stelt de minister een programma vast. Het onderhavige programma bevat aanpassingen naar aanleiding van de ervaringen met de derde ronde van het programma. Het programma heeft een looptijd van ruim 5 jaar, van 2006 tot en met
  5. §
  6. Subsidiabele activiteiten a. Dit subsidieprogramma staat open voor investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1 van de subsidieregeling. b. Ten aanzien van projecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen, andere Nederlandse organisaties, lokale en regionale overheden in aanmerking, die investeringen plegen of actieve kennisoverdracht uitvoeren met betrekking tot een CO2-reductieproject waarbij de CO2-emissiereductie bij het vervoer van personen, of door het vermijden van vervoer van personen, wordt gerealiseerd. §
  7. Criteria voor de subsidie a. Een investeringsproject voldoet in elk geval aan het volgende criterium: – het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld op, over de technische levensduur van de voorziening. d. Voor een project gelden voorts de volgende criteria: – het project dient te starten na het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Onder starten wordt verstaan het aangaan van verplichtingen en/of het maken van kosten ten behoeve van het project; – het resultaat van het project mag niet significant in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige beleid op het gebied van personenvervoer en milieu; – het project mag niet leiden tot een significant verhoogde emissie van NOx, CO, VOS of SOx noch tot een significant hoger geluidsniveau. Voor intermodale en multimodale projecten geldt dat een verandering in vervoersmodaliteit moet worden aangetoond waarbij de bestaande en de nieuwe transportketen op voorhand bekend zijn; – het project moet volledig gerealiseerd zijn voor 1 januari
  8. De eindrapportage en het verzoek tot vaststelling dienen uiterlijk 30 juni 2012 door SenterNovem te zijn ontvangen. Indien niet wordt voldaan aan alle bovenstaande criteria zal de aanvraag worden afgewezen. §
  9. Verdeling van de gelden De beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen. De investeringsprojecten en toepassingsprojecten worden gezamenlijk gerangschikt. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten geschiedt separaat. §
  10. Rangschikking van subsidieaanvragen a. De rangschikking van investeringsprojecten en toepassingsprojecten wordt bepaald aan de hand van vijf criteria: – de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is; – de omvang van de CO2-reductie van het project. Het betreft de mate van vermindering van de CO2-emissie die is toe te rekenen aan Nederland, ten gevolge van het project; – andere maatschappelijke effecten. Het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid (bijvoorbeeld de kwaliteit van water, lucht of geluidsoverlast) en veiligheid; – het herhalingspotentieel. Hierbij wordt gekeken naar: • de innovativiteit: de mate waarin de toe te passen technologie of het concept vernieuwend is, en de mate waarin marktintroductie plaatsvindt; • de voorbeeldwerking: de mate waarin de technologie of het concept binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) of elders in de markt, binnen en buiten de branche kan worden herhaald; – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de risico’s worden ingeschat en de beoogde resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan deze criteria. Hierbij geldt dat het eerste rangschikkingcriterium twee keer meeweegt en de overige vier één keer. b. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten wordt bepaald aan de hand van vier criteria: – de verhouding tussen de verwachte omvang van de CO2-emissiereductie als gevolg van het project en de kosten van het project; waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is; – het herhalingspotentieel: de mate waarin de projectresultaten elders in de markt kunnen worden toegepast of door hun voorbeeldwerking kunnen bijdragen aan kennisverspreiding in de markt; – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de verwachting van de mate waarin de beoogde resultaten worden bereikt, en de mate waarin de aanvrager in staat wordt geacht het project uit te voeren; – andere maatschappelijke effecten dan CO2-emissiereductie: het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid (bijvoorbeeld de kwaliteit van water, lucht of geluidsoverlast) en veiligheid. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan bovenstaande criteria. De hiervoor genoemde vier criteria wegen even zwaar. §
  11. Indiening en beoordeling van een subsidieaanvraag Aanvragen kunnen worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en dienen uiterlijk op 18 januari 2007 voor 18.00 uur te zijn ontvangen. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij SenterNovem door middel van een daar te verkrijgen aanvraagformulier. Het postadres is: SenterNovem Zwolle/ CO2-reductie verkeer en vervoer Postbus 10073 8000 GB Zwolle Het bezoekadres is: SenterNovem Zwolle/ CO2-reductie verkeer en vervoer Dokter van Deenweg 108 8025 BK Zwolle Telefoon:
(038)4553422/4553401 Fax:
(038)4540225 E-mail: CO2@senternovem.nl Website: http://www.senternovem.nl/CO2 § 7. Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 2.750.000,– voor investering- en toepassingsprojecten samen, en € 250.000,– voor kennisoverdrachtprojecten. Indien na rangschikking blijkt dat een van de hiervoor genoemde budgetten niet is uitgeput, dan zal het resterende bedrag worden toegevoegd aan het andere budget. § 8. Verplichtingen subsidieontvanger De subsidieontvanger zal gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 van de subsidieregeling informatie verstrekken met betrekking tot het resultaat van het project voor zover het de CO2-emissie betreft. Voor de wijze waarop dit zal gebeuren wordt door SenterNovem een opzet verstrekt. § 9. Uitgangspunten voor berekening Bij de berekening van de CO2-reductie, de subsidie-effectiviteit en de subsidiabele projectkosten gelden de volgende uitgangspunten: a. bij de berekening van de reductie van de CO2-emissie geldt als referentie de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat dan wel gecontinueerd wordt als het project geen doorgang vindt, waarbij de bij de aanvrager dan wel de in de branche gangbare praktijk de norm is; Bijlage 3 als bedoeld in artikel 2, onderdeel c Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer § 1. Inleiding Het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer is een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie Verkeer en Vervoer (Stcrt. 2 november 2001, nr. 213), hierna te noemen: de subsidieregeling. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer, hierna te noemen: het subsidieprogramma, zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Ingevolge de subsidieregeling stelt de minister een programma vast. Het onderhavige subsidieprogramma is het vierde Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer. Doel van het subsidieprogramma is het realiseren van CO2-reductie bij de (her)inrichting van woon- en werklocaties door het stimuleren van
  1. a)het gebruik van integrale ontwerpmethoden met het oog op een duurzame afwikkeling van de mobiliteit en
  2. b)het aanbrengen van infrastructurele voorzieningen die een duurzame mobiliteit bevorderen. Het gebruik van integrale ontwerpmethoden wordt gestimuleerd door middel van kennisoverdracht aan gemeentelijke en provinciale ambtenaren en bestuurders. Het gebruik van integrale ontwerpmethoden houdt in dat intensieve samenwerking tussen stedenbouwkundigen/ RO ambtenaren en verkeerskundigen in een vroegtijdig stadium van het planproces voorop staat. Betrokkenheid van andere belanghebbende organisaties is nadrukkelijk gewenst. Op deze wijze wordt een ruimtelijk ontwerp gerealiseerd met aandacht voor mobiliteit én kwaliteit van de leefomgeving, waarbij bewoners en werkenden op een vanzelfsprekende manier voor die wijze van verplaatsen kiezen die voor hen en voor de omgeving het meest geschikt is. Voorbeelden van integrale ontwerpmethoden zijn VervoersPrestatie op Locatie, Langzaam Rijden Gaat Sneller en VervoersPrestatie Regionaal (hierna respectievelijk VPL, Langzaam Sneller en VPR genoemd). De VPL en VPR zijn toepasbaar op alle ruimtelijke plannen op lokaal, respectievelijk regionaal niveau, waarbij met name het verkorten van af te leggen afstanden en de vervoerwijze-keuze worden beoogd. Langzaam Sneller richt zich op homogeniseringmaatregelen om de verkeersafwikkeling op doorgaande wegen te verbeteren en op het verhogen van de stedelijke kwaliteit rond aders en in de omliggende gebieden. Genoemde methoden zijn toepasbaar in zowel nieuwbouwsituaties als in herstructurerings- en herinrichtinggebieden. Het is ook mogelijk een andere, hier niet benoemde integrale aanpak te gebruiken. Bij het aanbrengen van infrastructurele voorzieningen die een duurzame mobiliteit bevorderen (investeringsprojecten) kan worden gedacht aan maatregelen gericht op de homogenisering van de rijsnelheid en verbetering van de fietsinfrastructuur die leiden tot een substantiële modal shift van auto naar fiets. Het subsidieprogramma heeft een looptijd van vijf jaar (van 2006 tot en met 2011). § 2. Subsidiabele activiteiten a. Het subsidieprogramma staat open voor investeringsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de subsidieregeling. b. Het subsidieprogramma ondersteunt projecten die zich richten op: – Het gebruik van integrale ontwerpmethoden gericht op CO2-reductie; – Het realiseren van CO2-reductie door middel van het aanbrengen of aanpassen van infrastructurele voorzieningen en aanpassingen in de ruimtelijke ordening. c. Projectkosten als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de subsidieregeling, die voor subsidie van kennisoverdrachtprojecten in aanmerking komen zijn: – de extra tijdsbesteding van gemeentelijke en provinciale ambtenaren en bestuurders die benodigd is voor het doorlopen van het plan- en ontwerpproces volgens de methodieken VPL, Langzaam Sneller, VPR of een andere integrale aanpak, ten opzichte van het volgen van een regulier planproces; – advieswerkzaamheden ten behoeve van de integrale ontwerpstudie door externe deskundigen op stedenbouwkundig/ RO, verkeerskundig of infrastructureel terrein; – werkzaamheden met betrekking tot het aanpassen of bouwen van een (uni- of multimodaal) verkeersmodel, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien het gebruik van een dergelijk model voorwaarde is om de effecten van mogelijke ontwerpvarianten, of varianten behorend bij een ander gebruikt model, aan te kunnen tonen. d. Voor de subsidiabele projectkosten van investeringsprojecten geldt onverkort artikel 5 van de subsidieregeling. § 3. Beoordelingscriteria Een project moet aan de volgende criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen: a. Het resultaat van het project mag niet in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige rijksbeleid op het gebied van verkeer en vervoer, ruimtelijke ordening en milieu. Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan deze criteria. Hierbij geldt dat het eerste rangschikkingcriterium twee keer meeweegt en de overige vier ieder één keer wegen. § 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger Bij de subsidieverlening worden naast de verplichtingen uit de subsidieregeling de volgende verplichtingen opgelegd: a. De subsidieontvanger vult bij de aanvraag tot subsidievaststelling een factsheet in met betrekking tot de kenmerken en resultaten van het project. De subsidieontvanger zal gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 van de subsidieregeling, op verzoek van SenterNovem de gegevens in het factsheet actualiseren. SenterNovem zal hiervoor een format verstrekken. Bijlage 4 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Bijlage 5 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Bijlage 6 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Bijlage 7 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.