BWBR0021755_2007-05-04_0 Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 10 april 2007, nr. DAO 194/07, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Azië-faciliteit voor China) Besluit vaststelling subsidieplafond en beleidsregels subsidieverlening Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Azië-faciliteit China) De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006; Besluit: Artikel I 1 Voor subsidieverlening op grond van artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor activiteiten ter bevordering van de betrekkingen met China (Azië-faciliteit voor China) gelden voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. 2 Het subsidieplafond voor de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 bedraagt € 2,1 miljoen. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Indonesiëfaciliteit). Artikel IV Het besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 31 januari 2006, nr. DAO-0091/06, tot conversie en actualisering van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Azië-faciliteit voor China) en het besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 2 februari 2007 tot opschorting van subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 ten behoeve van activiteiten op het gebied van Human Resources Development ten behoeve van China (Azië-faciliteit voor China) worden ingetrokken. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2010. Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, namens deze:de plv. Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, R.G. deVos Bijlage Azië-faciliteit voor China Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. de Minister: de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking; b. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt; c. Nederlandse kennisinstellingen: onderwijsinstellingen als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de overige mede met publieke middelen gefinancierde onderzoeksinstituten alsmede andere instellingen, niet zijnde ondernemingen, die voor de toepassing van deze beleidsregels als kennisinstelling kunnen worden aangemerkt; d. samenwerkingsverband: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband, bestaande uit tenminste twee Nederlandse en tenminste twee Chinese partijen waarbij zowel aan Nederlandse als aan Chinese kant één van de partijen een kennisinstelling respectievelijk onderwijs-, trainings- of onderzoeksinstelling is en de andere partij een onderneming, maatschappelijke instelling, (semi)overheids-instantie of niet-gouvernementele organisatie (NGO’s). Partijen in het samenwerkingsverband zijn niet onderling verbonden door een meerderheidsbelang; Artikel 2. Voor subsidie in aanmerking komende activiteiten 1. De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van de uitvoering van projecten met een duur van tenminste zes maanden en ten hoogste twee jaar, in samenwerkingsverband verricht, ter bevordering van de betrekkingen met China door middel van het stimuleren van capaciteitsversterking. Capaciteitsversterking omvat het geheel van activiteiten gericht op overdracht en uitwisseling van kennis en vaardigheden, inclusief de ontwikkeling van kennisinfrastructuur, teneinde bij te dragen aan een structurele verdieping, verbreding en versterking van de inzetbaarheid van werknemers in uiteenlopende bestuurlijke, productieve of dienstverlenende sectoren en directe armoedebestrijding. Er bestaat een sterke voorkeur voor activiteiten in minder ontwikkelde regio’s. 2. Het project betreft één of meer van de volgende sectoren: ontwikkeling van de private sector, landbouw, gezondheidszorg, milieu/energie, waterbeheer, goed bestuur. 3. Haalbaarheidsstudies, fundamenteel (wetenschappelijk) onderzoek, op zichzelf staande fondswervende activiteiten en investeringen in onroerend goed en infrastructurele werken, garanties, leningen en kredieten alsmede steun aan politieke partijen en politieke belangengroepen komen niet voor subsidiëring in aanmerking. Artikel 3. Subsidieontvangers Subsidie kan slechts worden verleend aan één van de partijen in het samenwerkingsverband die over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht beschikt en in Nederland is gevestigd. Op deze subsidieontvanger rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden. Artikel 4. Algemene weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd: a. indien voor het project reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken rechtstreeks of middellijk subsidie is verstrekt; b. indien voor het project reeds door een ander Nederlands bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt; c. indien de aanvrager vóór het indienen van de aanvraag ter zake van het project reeds verplichtingen is aangegaan; d. voor zover subsidie zou worden verstrekt aan een aanvrager die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEG L 379); e. indien door een of meer bestuursorganen aan een aanvrager die een onderneming in stand houdt, in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds steun is verstrekt gelijk aan of hoger dan het ingevolge Verordening (EG) nr. 1998/2006 zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoorloofde bedrag; f. indien het onaannemelijk is, dat het project binnen 2 jaar kan worden voltooid, of g. indien financiering van het project niet is gewaarborgd. Artikel 5. Subsidiabele kosten 1. Eventuele eerder gemaakte tariefafspraken met de Minister zijn voor deze subsidieregeling niet van kracht. 2. De subsidie bedraagt ten hoogste 80 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 454.000 per aanvraag. De eigen bijdrage van de deelnemers in het samenwerkingsverband bedraagt ten minste 20 procent. 3. Subsidie wordt verleend voor de noodzakelijke, werkelijk gemaakte, kosten voor de voorgenomen activiteiten in het licht van de beoogde doelstellingen en resultaten. Subsidie wordt niet verleend voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd. 4. Ten hoogste 20 procent van de subsidie kan worden gebruikt voor de aanschaf van hardware noodzakelijk voor kennisuitwisseling, trainingen en direct daaraan gerelateerde diensten. Kosten voor nazorg en eigendomsoverdracht dienen hierbij inbegrepen te zijn, evenals transport- en verzekeringskosten. Infrastructuur (gebouwen en dergelijke) valt hier niet onder. 5. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een of meer van de partijen in het samenwerkingsverband gemaakte en betaalde kosten: a. inzet van personen: een genormeerde vergoeding op basis van werkelijke salariskosten (conform de lijst die onderdeel uitmaakt van de inhoudelijke en financiële richtlijnen voor het opstellen van een projectvoorstel); b. internationale reiskosten; c. daily subsistence allowance (DSA); d. binnenlandse reiskosten; e. diverse projectgerelateerde kosten; f. hardware en direct gerelateerde diensten; g. diensten; h. maximaal 7,5 procent en tot een maximum van € 27.227 van de posten a tot en met g voor ‘overhead’; i. onvoorzien, met een maximum van 5 procent van de posten a tot en met d. 6. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. 7. Geen subsidie wordt verleend ter dekking van tekorten na afloop van een project. 8. Indien de aanvrager een ondernemer is, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit samen met in de twee voorafgaande jaren door een bestuursorgaan aan de aanvrager verstrekte steun waarvoor geen goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen was verkregen, meer bedraagt dan het ingevolge Verordening (EG) nr. 1998/2006 zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoorloofde bedrag. Artikel 6. Verkorte aanvraag 1. Een aanvraag om subsidie vindt plaats aan de hand van het door de aanvrager ingevulde formulier ‘verkort projectvoorstel’. Dit formulier is beschikbaar op www.evd.nl/af. 2. Het verkorte projectvoorstel bevat informatie op hoofdlijnen over doelstelling, probleemstelling, aard van de activiteiten, sector(en), resultaten en verwachte impact en indicatoren, vraaggerichtheid uit China, institutionele inbedding, doelgroep, samenwerkende partners, karakter en niveau van in te zetten deskundigheid, aard van de kennisoverdracht- en samenwerking en met partners, verband met armoedebestrijding en samenwerking na afloop van het project. 3. Indien voor ondernemers in het samenwerkingsverband faillissement of surséance van betaling is aangevraagd, doet de subsidieaanvrager daarvan mededeling. Artikel 7. Rangschikking verkorte aanvragen 1. De Minister rangschikt de verkorte projectvoorstellen zodanig, dat een project hoger wordt geplaatst naar mate het naar verwachting beter zal bijdragen aan de doelstellingen van deze beleidsregels. 2. Bij deze selectie spelen de volgende criteria een rol: beoogde sector(en), doelstelling, noodzaak en beweegreden voor het project, vraag en betrokkenheid vanuit China, probleemstelling, verwachte resultaten en meetbare indicatoren, aard van de activiteiten, wijze van institutionele inbedding, beoogde doelgroep(en), samenwerkende partners in Nederland en China, karakter en niveau van in te zetten deskundigheid, verwachte looptijd, ‘value for money’, directe verband met armoedebestrijding, financiering van het resterende bedrag van de begroting en wijze waarop substantieel langduriger samenwerking na afloop van het project wordt gerealiseerd. 3. Bij de rangschikking wordt rekening gehouden met het streven om minimaal één voorstel van elk van de in artikel 2 genoemde sectoren in uitvoering te nemen. Bij de rangschikking komt het zwaarste gewicht toe aan de verwachte bijdrage van het project aan armoedebestrijding. Er bestaat een sterke voorkeur voor activiteiten in minder ontwikkelde regio’s. Artikel 8. Aanvulling aanvraag 1. De Minister verzoekt de indieners van de twaalf hoogst geplaatste verkorte aanvragen om een volledig uitgewerkt projectvoorstel in te dienen. Hierin wordt het verkort projectvoorstel verder uitgewerkt tot een compleet projectvoorstel, waarbij aandacht wordt besteed aan de duurzaamheid, vraaggestuurdheid, disseminatie van projectresultaten en spin-off, het projectplan en operationeel plan, projectactiviteiten, begroting alsmede de opzet van de projectorganisatie. 2. Voorzover de aanvraag strekt tot bekostiging van activiteiten verricht door andere deelnemers aan het samenwerkingsverband dan de subsidieaanvrager zelf, blijkt dit uit de aanvraag, onder aanduiding van de desbetreffende partijen en de daarmee gemoeide bedragen. 3. De aanvraag omvat mede een omschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden en van de wijze waarop de besluitvorming is georganiseerd. De aanvraag omvat voorts een overeenkomst tussen alle partijen waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld en op grond waarvan de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister is gewaarborgd. Artikel 9. Beoordeling aangevulde aanvragen De Minister beoordeelt de aangevulde aanvragen aan de hand van de volgende criteria: a. Technische uitvoerbaarheid en haalbaarheid; b. Duurzaamheid van het project. Het projectvoorstel geeft een inschatting van de duur van en de wijze waarop de samenwerking tussen de deelnemers na afloop van de looptijd van het projectvoorstel wordt voortgezet. Het projectvoorstel geeft aan hoe de verkregen kennis wordt ‘geïnstitutionaliseerd’ en op welke manier de resultaten blijvend en daarmee institutioneel duurzaam bijdragen aan de ontwikkeling van de desbetreffende sector(en). Resultaten dienen na beëindiging meetbaar terug te vinden te zijn. De projectactiviteiten dienen stevig ingebed te zijn in lokale, competente Chinese instituties en mechanismen, bij voorkeur ondersteund door een wettelijk kader. Het projectvoorstel geeft de bijdrage aan in de structurele ontwikkeling van kennisinfrastructuur en menselijke hulpbronnen. Het project dient gericht te zijn op substantiële (structurele) samenwerking na afloop van de periode waarvoor subsidie werd aangevraagd; c. Vraaggestuurdheid van het project. In het projectvoorstel moet een duidelijke vraag naar de activiteiten van Chinese zijde aannemelijk worden gemaakt. De rol van de Chinese counterpart bij formulering en beschrijving van het projectvoorstel dient te blijken uit de aanvraag. Trainingen worden uitsluitend in China uitgevoerd, tenzij absolute noodzaak voor training in Nederland kan worden aangetoond. Er dient zo veel mogelijk gebruik gemaakt te worden van lokaal aanwezige kennis en expertise; d. Mate waarin de projectactiviteiten zijn gericht op kennisontwikkeling en -overdracht. De projectactiviteiten dienen gericht te zijn op overdracht van kennis en vaardigheden gericht op duurzame structurele verdieping, verbreding en versterking van kennis, expertise en inzetbaarheid van capaciteiten in gekozen uiteenlopende bestuurlijke, productieve of dienstverlenende sectoren. Daarnaast bevat het project zowel een trainings/technologische component als een economisch/maatschappelijke component; e. Disseminatie van projectresultaten en spin-off. Het projectvoorstel geeft aan op welke wijze de projectresultaten zo breed mogelijk worden verspreid. Het project dient aan te geven op welke manier de resultaten blijvend en daarmee institutioneel duurzaam bijdragen aan de ontwikkeling van de desbetreffende sector; f. Kwaliteit projectplan en operationeel plan. De projectdoelstellingen, de aanpak, de noodzaak, methodologische aanpak en de risicoanalyse van het project dienen helder beschreven te zijn in het projectplan- en het operationeel plan. Verder is van belang dat in het projectplan meetbare resultaten en verificatiemiddelen zijn opgenomen en dat duidelijk wordt aangegeven in hoeverre de projectactiviteiten bijdragen en toereikend zijn voor het bereiken van de beoogde doelstellingen. De voortzetting van substantiële samenwerking tussen de projectpartners na afloop van de looptijd van het project dient inzichtelijk te worden gemaakt. Tenslotte speelt de inzichtelijkheid van het budget bij de beoordeling een rol, is een evenredige verdeling van de eigen bijdrage tussen de projectpartners van belang en is van belang of de gevraagde subsidie in evenredige verhouding staat tot de aard, omvang en resultaten van het project. Bijdragen aan directe armoedebestrijding moeten worden benoemd; g. Kwaliteit van de projectorganisatie. De kwaliteit van de uitgewerkte projectorganisatie wordt beoordeeld aan de hand van: – Het projectplan, de uitgewerkte begroting en financieringsplan inclusief deelbegrotingen per partner en onderbouwde inschatting van de haalbaarheidsbijdragen van derden. – Bestaande samenwerkingsovereenkomst, waarin taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende deelnemers dienen te zijn vastgelegd. – De mate van logische en evenwichtige samenstelling van het projectteam, waarbij de hoeveelheid relevante expertise en ervaring van de deelnemers wordt meegewogen, inclusief afspraken over taken en verantwoordelijkheden tussen partners en de mate waarin de partners in het verleden al hebben samengewerkt. – De financiële positie van de indiener en de inzichtelijkheid van het budget. h. Projecten in minder ontwikkelde regio’s van China genieten de voorkeur. Het project draagt bij aan duurzame armoedebestrijding. Naast overdracht van kennis en vaardigheden, draagt het project bij aan de opbouw van persoonlijke netwerken en samenwerkingsverbanden tussen China en Nederland. Artikel 10. Adviescommissie 1. De Minister legt de aangevulde aanvragen die voldoen aan de criteria van artikel 9 voor aan een adviescommissie. 2. De adviescommissie bestaat uit tenminste vier leden die deskundig zijn op het gebied van subsidieverlening. De Minister benoemt de voorzitter, tevens lid, en de overige leden voor een door de Minister te bepalen duur, met dien verstande dat tenminste de helft van de leden, waaronder de voorzitter, niet werkzaam is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken of bij een organisatie die onder verantwoordelijkheid van de Minister is belast met de uitvoering van deze beleidsregels. De Minister voorziet in het secretariaat van de adviescommissie. 3. De adviescommissie rangschikt de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan de doelstellingen vermeld in artikel 2, onder 1. Daarbij spelen de volgende criteria een rol: a. de duurzaamheid van het project; b. de vraaggestuurdheid van het project; c. de mate waarin de projectactiviteiten zijn gericht op kennisontwikkeling en -overdracht; d. de disseminatie van projectresultaten, spin-off; e. de kwaliteit van het projectplan en het operationeel plan; f. de kwaliteit van de projectorganisatie; g. de technische uitvoerbaarheid en haalbaarheid. 4. Een lid van de adviescommissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij een ingediend projectvoorstel. 5. De adviescommissie voegt aan haar adviezen een deugdelijke motivering toe. Artikel 11. Zienswijze Chinees Ministerie van Handel De Minister stelt het Chinese Ministerie van Handel in de gelegenheid om zijn zienswijze omtrent de voorstellen aan de Minister kenbaar te maken. Artikel 12. Subsidietoekening De Minister stelt, gezien het advies van de adviescommissie en de zienswijze van het Chinese Ministerie van Handel, de rangorde vast en besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde, totdat het subsidieplafond is uitgeput. Toelichting op de Azië-faciliteit voor China 1. Samenvatting Het doel van de Azië-faciliteit voor China is het bevorderen en het verdiepen van de betrekkingen met China door middel van het stimuleren van capaciteitsversterking (HRD-activiteiten) in een van de volgende sectoren: private sector ontwikkeling, landbouw, gezondheidszorg, milieu/energie, waterbeheer en goed bestuur. De Azië-faciliteit voor China richt zich bij voorkeur op activiteiten die niet kunnen worden gefinancierd door andere overheidsprogramma’s voor wetenschappelijke of ontwikkelingssamenwerking, danwel door de financiële pakketten ter bevordering van export, technologische samenwerking en investeringen van het Ministerie van Economische Zaken. In het kader van de Azië-faciliteit voor China wordt onder Human Resources Development (HRD)/capaciteitsversterking verstaan het geheel van activiteiten gericht op overdracht en uitwisseling van kennis en vaardigheden, inclusief de ontwikkeling van kennisinfrastructuur, teneinde bij te dragen aan een structurele verdieping, verbreding en versterking van de inzetbaarheid van werknemers in uiteenlopende bestuurlijke, productieve of dienstverlenende sectoren. Te denken valt aan trainingen en stages, maar ook wetenschappelijke en technologische samenwerking met als doel kennisoverdracht en -ontwikkeling, kan als HRD worden aangemerkt. De ontwikkeling van HRD vormt een belangrijke factor in de ontwikkeling van (de betrekkingen tussen) landen. Naast overdracht van kennis en vaardigheden, draagt het bij aan het opbouwen van persoonlijke netwerken en samenwerkingsverbanden op een breed aantal terreinen. Dergelijke contacten leiden op hun beurt tot versteviging van sociale en politieke banden en tot meer economische samenwerking. Door de verschillende Ministeries is aangegeven dat zij voor het aangaan en onderhouden van dergelijke internationale bilaterale contacten in China behoefte hebben aan een faciliteit waardoor zulke initiatieven kunnen worden ondersteund. Ditzelfde instrument kan bijdragen aan een goede afstemming tussen betrokken Ministeries over de vorm en inhoud van de betrekkingen met China, waarvoor de beleidskaders staan beschreven in de ‘Beleidsnotitie China – Vormgeving van een bilaterale samenwerkingsrelatie met China voor de periode 2006–2010’. Deze notitie werd op 13 juni 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het budget voor de Azië-faciliteit voor China is opgenomen in de meerjarenplanning en maakt deel uit van de ODA (Official Development Assistance) op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De Azië-faciliteit voor China valt onder de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor nadere inlichtingen over de Azië-faciliteit voor China kunt u zich wenden tot: EVD/Azië-faciliteit voor China Thierry van Helden Postbus 20105 2500 EC Den Haag tel: 070–7788527 fax: 070–3352962 e-mail: helden@evd.nl website: www.evd.nl/af 2. Aansturing en beheer Azië-faciliteit voor China Bij de Azië-faciliteit voor China zijn de volgende instanties betrokken: 1. EVD, internationaal ondernemen en samenwerken (EVD) 2. Interdepartementaal China Beraad (ICB) 3. De Adviescommissie Azië-faciliteit voor China 4. Chinese Ministerie van Handel (MofCOM) 5. Ministerie van Buitenlandse Zaken, regiodirectie Azie en Oceanië (DAO) De EVD beheert de Azië-faciliteit voor China in opdracht van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en is daartoe door de Minister gemandateerd. Hij is betrokken bij het hele proces vanaf de indiening van het eerste voorstel tot en met beoordeling van de eindafrekening en rapportage, waaronder toetsing op de beheersmatige aspecten van projectvoorstellen. De EVD ondertekent de subsidiebeschikkingen namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De aansturing van de Azië-faciliteit voor China geschiedt door DAO. DAO wordt ondersteund door het ICB, de interdepartementale werkgroep waarin vertegenwoordigers van alle Ministeries zitting hebben. De adviescommissie Azië-faciliteit voor China adviseert over de rangorde van toekenning van projectvoorstellen, inclusief motivatie. Het Chinese Ministerie van Handel (MofCOM) geeft zijn zienswijze ten aanzien van de voorgedragen projectvoorstellen en de voorgestelde rangorde en geeft hiervoor een motivering. De Directeur Azië en Oceanië besluit namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking vervolgens over de verlening van subsidie. 3. Algemene bepalingen 3.1. Sectoren De doelstelling van de Azië-faciliteit voor China is het bevorderen van betrekkingen met China door middel van het stimuleren van capaciteitsversterking (HRD-activiteiten) in de volgende sectoren. ontwikkeling van de private sector, landbouw, gezondheidszorg, milieu/energie, waterbeheer en goed bestuur. Er wordt gestreefd naar spreiding van de projecten over de hiervoor genoemde sectoren. Op deze wijze gaan Nederlandse organisaties op velerlei niveaus betrekkingen aan met Chinese partners, die niet alleen een uitstraling hebben naar andere sectoren, maar ook bijdragen aan versterking van sociale en politieke banden en economische samenwerking. Bij de uitvoering van dit programma zal de deelname van het bedrijfsleven worden bevorderd. 3.2. Soort activiteiten Activiteiten die aansluiten bij het beleid van meerdere Nederlandse Ministeries verdienen de voorkeur. De eerder genoemde beleidsnotitie biedt inzicht in de beleidsprioriteiten van de vakdepartementen in China. Trainingsactiviteiten dienen bij voorkeur in China plaats te vinden. Indien trainingsactiviteiten in Nederland voorzien zijn, dient de noodzaak hiertoe aangetoond te worden. Trainingsactiviteiten kunnen bijvoorbeeld in Nederland plaatsvinden als benodigde trainingsfaciliteiten alleen hier voorhanden zijn of als kennismaken met Nederlandse opleidingsinstituten, maatschappelijke organisaties en/of bedrijfsleven een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van het trainingsprogramma. In principe komen alle provincies en autonome regio’s van China voor de Azië-faciliteit voor China in aanmerking; projecten in minder ontwikkelde regio’s van China genieten evenwel de voorkeur. Het project moet bijdragen aan duurzame armoedebestrijding. Het project moet tevens institutioneel duurzaam zijn; het dient gericht te zijn op substantiële (structurele) voortzetting van de samenwerking na afloop van de periode waarvoor subsidie werd aangevraagd. Naast overdracht van kennis en vaardigheden, draagt het project bij aan de opbouw van persoonlijke netwerken en samenwerkingsverbanden tussen China en Nederland. 3.3. Doelgroep Projectvoorstellen die voor financiering uit de Azië-faciliteit voor China in aanmerking willen komen, dienen door tenminste twee verschillende categorieën Nederlandse partijen te worden uitgevoerd, in samenwerking met tenminste twee typen partijen in China. Zowel aan de Nederlandse als aan de Chinese kant behoort tenminste één van hen een onderwijs-, trainings- of onderzoeksinstelling te zijn. De andere partij, in beide landen, dient een onderneming of maatschappelijke instelling te zijn, (semi)overheids-instanties en niet-gouvernementele organisaties (ngo’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.