Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. In dit besluit zijn de standpunten opgenomen op het gebied van de investeringsaftrek. Het besluit is opnieuw uitgebracht in verband met drie nieuwe versoepelingen. Onder voorwaarden wordt toegestaan dat een beroep op ambtshalve vermindering kan worden gedaan als geen verzoek bij de aangifte is gedaan om toepassing van de energie- of milieu-investeringsaftrek terwijl de investering wel tijdig is aangemeld. Eenmalig kan voor oude situaties nog tot 1 januari 2010 een verzoek worden gedaan. Tevens wordt de meldingstermijn verruimd voor situaties waarin de jaarlijkse milieu- of energielijst niet vóór 1 januari is gepubliceerd. Ten slotte is het onder voorwaarden mogelijk bij een calamiteit een bedrijfsmiddel uit te sluiten van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. 1 Inleiding In dit besluit zijn drie nieuwe standpunten opgenomen betreffende de investeringsaftrek. Gebleken is dat het voorkomt dat aan alle voorwaarden voor de toepassing van energie- of milieu-investeringsaftrek wordt voldaan, maar dat per abuis verzuimd is een verzoek te doen om toepassing van die aftrek. In onderdeel 7 is opgenomen dat in dergelijke gevallen, gebaseerd op art. 4:81 Algemene wet bestuursrecht, wordt toegestaan dat onder voorwaarden gebruik kan worden gemaakt van het besluit ambtshalve vermindering (besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435). Daarnaast wordt in dat onderdeel de driemaandstermijn verruimd voor de melding van energie- of milieu-investeringen voor situaties waarin de jaarlijkse milieu- of energielijst niet vóór 1 januari is gepubliceerd. Ten slotte wordt goedgekeurd dat een bedrijfsmiddel wordt uitgesloten van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als dat binnen een boekjaar teloorgaat en wordt vervangen (4.4). 1.1 Gebruikte begrippen en afkortingen Besluit ambtshalve vermindering besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435 Bureau IRWA Bureau Investeringsregelingen en Willekeurige afschrijving EIA Energie-investeringsaftrek HIR Herinvesteringsreserve KIA Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek MIA Milieu-investeringsaftrek Samenwerkingsverband Onderneming die voor rekening van meer dan één persoon wordt gedreven Wet IB 1964 Wet op de inkomstenbelasting 1964 Wet VPB Wet op de vennootschapsbelasting 1969 2 Bedrijfsmiddel 2.1 Zelfstandig bedrijfsmiddel of onderdeel van uitgesloten woonhuis; zonneboilers e.d. Bij de regeling inzake de EIA komt het voor dat wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen die vervolgens door middel van een (operational)leasecontract ter beschikking worden gesteld aan derden. Deze derde kan een particulier zijn. In zo’n situatie moet voor de toepassing van de EIA worden beoordeeld of sprake is van een investering in een (niet uitgesloten) zelfstandig bedrijfsmiddel dan wel in een onzelfstandig onderdeel van een (uitgesloten) bedrijfsmiddel, zoals een woonhuis (woonschip of tot bewoning dienend gedeelte). Van cruciaal belang is of een dergelijk bedrijfsmiddel onderdeel gaat uitmaken van het gebouw waarin/waaraan het object zal worden aangebracht. Als deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is sprake van een investering in een woonhuis waarop de genoemde faciliteiten niet kunnen worden toegepast; dat betekent tevens dat operational lease niet mogelijk is. Op grond van art. 3:4 BW is een bestanddeel van een zaak: 1. al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt of 2. een zaak die met de hoofdzaak zodanig is verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder beschadiging van betekenis. De jurisprudentie die met betrekking tot deze materie is gewezen geeft geen eenduidig antwoord. Onder verwijzing naar deze jurisprudentie concludeer ik dat het niet altijd zeker is dat bijvoorbeeld een zonneboiler, -collector, -paneel als onroerend − als onzelfstandig onderdeel van het gebouw − bestempeld kan worden. Daarbij moet nog worden onderkend dat er verschillen zijn in installaties. Zo zijn er zonnepanelen die als het ware 'los op de daken gelegd worden' en panelen die slechts met een viertal schroeven worden bevestigd. Daarvan kan in mijn optiek niet worden gesteld dat zij onroerend zijn geworden. Met betrekking tot zonneboilers is dat standpunt ook verdedigbaar onder meer onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage, 6 januari 1972, nr. 21/1971. Gelet op het vorenstaande neem ik het standpunt in dat de zonneboilers, -collectoren en -panelen als afzonderlijke bedrijfsmiddelen kunnen worden aangemerkt, die geen onderdeel gaan uitmaken van de woning waarin/waaraan zij worden aangebracht. Operational lease is mogelijk. De uitsluiting van artikel 3.45. eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 is dan niet van toepassing. 2.2 Onderdeel van een bedrijfsmiddel: toepassing grens van € 450 In artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is bepaald dat voor de investeringsaftrek niet tot de bedrijfsmiddelen behoren, bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450. Deze uitsluitingsbepaling geldt voor het investeringsbedrag dat betrekking heeft op een zaak die als een zelfstandig bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt. Daarnaast geldt de uitsluitingsbepaling voor verbeteringskosten van een bedrijfsmiddel. Indien sprake is van een investering in een onzelfstandig onderdeel van een bedrijfsmiddel, geldt als investeringsbedrag voor eerdergenoemde uitsluitingsbepaling, het investeringsbedrag van het bedrijfsmiddel als geheel. Indien het onderdeel niet gelijktijdig met het bedrijfsmiddel zelf is aangeschaft, zal een zelfstandige toets aan het hiervoor vermelde drempelbedrag noodzakelijk zijn. Het bovenstaande geldt voor de regeling van de KIA, de MIA en de EIA. Voorbeeld Een onderneming investeert in een nieuwe vrachtauto. Het investeringsbedrag bedraagt € 76.000. Tot het investeringsbedrag behoort een bedrag van € 375 inzake een dakspoiler. De dakspoiler staat op de energielijst. De spoiler is op grond van jurisprudentie betreffende het begrip bedrijfsmiddel niet aan te merken als een zelfstandig bedrijfsmiddel. Het investeringsbedrag van € 375 komt dan ook in aanmerking voor EIA omdat het bedrag onderdeel uitmaakt van de investering in één bedrijfsmiddel, waarvan het bedrag uitgaat boven, of gelijk is aan, € 450. Indien de dakspoiler niet al bij de aanschaf van de vrachtauto was inbegrepen maar later wordt aangeschaft, dan zal voor deze verbeteringskosten van het bedrijfsmiddel geen EIA kunnen worden verleend. De verbeteringskosten zijn immers lager dan € 450. 2.3 Niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel; huur of lease gevolgd door aankoop Voor de energie- en milieu-investeringsaftrek geldt dat sprake moet zijn van een niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel (artikel 3.42 en artikel 3.42a Wet IB 2001). Of daarvan sprake is als een zaak wordt aangeschaft na een bepaalde periode van huur of lease door de ondernemer, is afhankelijk van de fiscale positie die de zaak inneemt in het vermogen van de vervreemdende ondernemer. Deze positie wordt bepaald door de intentie die de vervreemdende ondernemer heeft met het desbetreffende activum. Als bijvoorbeeld bij huur of lease van een zaak in een huur- of leasecontract een optie tot koop na een relatief korte periode na de ingebruikneming van de zaak door de huurder is opgenomen en deze optie ook daadwerkelijk in die korte periode wordt uitgeoefend, zal er voor de verkoper in het algemeen eerder sprake zijn van voorraad dan van een bedrijfsmiddel. De tijdelijke verhuur of lease doet aan het voornemen de zaak te verkopen niet af. De koper investeert dan in een niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel omdat voordien bij de verkoper sprake was van voorraad terwijl bij de huurder nog geen sprake was van een bedrijfsmiddel. Als in het huur- of leasecontract de optie tot koop niet is opgenomen, zal voor de verkoper in het algemeen sprake zijn van een bedrijfsmiddel. Hij beoogt de zaak door middel van verhuur of lease te exploiteren. Als de huurder of lessee daarna (al dan niet binnen korte tijd) tot koop van het gehuurde overgaat is dan ook sprake van een investering in een eerder gebruikt bedrijfsmiddel. 3 Uitgesloten bedrijfsmiddelen 3.1 Ter beschikking stellen; algemeen Bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om − direct of indirect − hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden, komen niet in aanmerking voor de KIA (artikel 3.45, tweede lid, Wet IB 2001). Bij investeringen in bepaalde roerende zaken maak ik een onderscheid tussen enerzijds het rechtstreeks als zodanig ter beschikking stellen aan derden en anderzijds het binnen het kader van de eigen bedrijfsuitoefening gebruiken. Bij dit onderscheid kan naar mijn mening de hoofdwerkzaamheid van de onderneming van belang zijn. a. de hoofdwerkzaamheid van de onderneming is gericht op het ter beschikking stellen In het geval de hoofdwerkzaamheid van de onderneming is gericht op het ter beschikking stellen van roerende zaken, ook in het geval van een kortstondige periode, komen deze niet in aanmerking voor investeringsaftrek. In die situatie wordt een prijs betaald om gebruik te mogen maken van het desbetreffende bedrijfsmiddel als zodanig. Als voorbeelden valt hierbij te denken aan speciaal voor verhuur bestemde roerende zaken zoals videobanden, dvd’s, gereedschappen, stoelen, servies, steigers, tenten, fietsen, aanhangwagens, kano’s en dergelijke. b. ter beschikking stellen van het desbetreffende bedrijfsmiddel niet het bedrijfsdoel Ingeval het ter beschikking stellen van het desbetreffende bedrijfsmiddel geen bedrijfsdoel op zich zelf is, maar als ondergeschikte nevenprestatie uitsluitend deel uitmaakt van een meer omvattende dienstverlening waarvoor een all-in-prijs wordt berekend, en dit geheel van diensten de hoofdwerkzaamheid is van de onderneming, en deze dienstverlening op zichzelf niet is aan te merken als het verhuren of op andere wijze ter beschikking stellen van het bedrijfsmiddel als zodanig, kan de investering in principe in aanmerking komen voor investeringsaftrek. Hierbij kan worden gedacht aan het ter beschikking stellen van bestek in een restaurant, een pan bij het geven van kookles, een zadel bij het geven van paardrijles, een golfclub bij een midgetgolfspel, een bowlingbal bij een bowlingspel, een paintballgeweer bij een paintballspel. 3.2 Mate van ter beschikking stellen: speelautomaten en dergelijke De Vereniging Automatenhandel Nederland (VAN) heeft (in het verleden) een model-exploitatieovereenkomst opgesteld waarbij aan de exploitant toebehorende speelautomaten bij derden ter exploitatie worden geplaatst. In een dergelijke situatie is enerzijds sprake van ter beschikking stellen aan derden in de zin van artikel 3.45, tweede lid, Wet IB 2001, anderzijds is sprake van aanwending daarvan binnen de eigen onderneming. Ik neem het standpunt in dat exploitanten die gebruik maken van bovengenoemde modelovereenkomst, in aanmerking komen voor investeringsaftrek ter zake van investeringen in speelautomaten. Bij toepassing van deze modelovereenkomst − het gaat dan om overeenkomsten waarbij de opbrengst voor minder dan 70% toekomt aan de derde waar de automaat geplaatst is − is geen sprake van het hoofdzakelijk ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen aan derden in de zin van artikel 3.45, tweede lid, Wet IB 2001. Dit standpunt geldt eveneens voor zogenoemde kinderautomaten (automaten waarop “een ritje” kan worden gemaakt). 3.3 Timecharters In zijn arrest van 22 mei 1991, nr. 26 935, heeft de Hoge Raad beslist dat het in reischarter geven van een schip voor de toepassing van de WIR niet kan worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van dat schip in de zin van artikel 61a, vijfde lid, aanhef en letter i, van de Wet IB 1964 (tekst 1983). Het in time-charter geven van een schip wordt voor de toepassing van de investeringsaftrek eveneens niet als ter beschikking stellen in de zin van artikel 3.45, tweede lid, Wet IB 2001 aangemerkt. 4 Investeren 4.1 Investeren bij samenwerkingsverbanden 4.1.1 Eia en mia bij samenwerkingsverbanden. drempelbedrag De drempels genoemd in artikel 3.42, derde lid, en artikel 3.42a, derde lid, Wet IB 2001 moeten per ondernemer worden beoordeeld. Voor een vennoot in een samenwerkingsverband wordt derhalve in beginsel slechts gelet op zijn aandeel in de investeringen binnen het vennootschappelijke verband. Fiscaalrechtelijk bezien drijft iedere vennoot immers − in het vennootschappelijke verband − zijn eigen onderneming. Goedkeuring Ik keur goed dat bij samenwerkingsverbanden op gezamenlijk, ondertekend verzoek uitsluitend voor de vraag of het drempelbedrag wordt overschreden, de beoordeling geschiedt naar het totale bedrag van de investeringen van de gezamenlijke vennoten van het samenwerkingsverband. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, van een of meer vennoten onherroepelijk vaststaat. Daarbij verklaren de belastingplichtigen er mee in te stemmen dat bij vervreemding van het desbetreffende bedrijfsmiddel de toepassing van artikel 3.47, eerste lid, Wet IB 2001 voor de gezamenlijke vennoten plaatsvindt over de overdrachtsprijs van het bedrijfsmiddel. 4.1.2 Investeringsbedrag per bedrijfsmiddel minder dan € 450 Niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 (artikel 3.45, eerste lid, Wet IB 2001). De beoordeling van deze uitsluiting dient plaats te vinden per bedrijfsmiddel en niet per ondernemer. Het is dus voor deze beoordeling niet van belang uit hoeveel vennoten een samenwerkingsverband bestaat. 4.1.3 Verdeling investeringsverplichtingen over de vennoten Indien sprake is van een samenwerkingsverband, is de vraag welke verdeelsleutel bij de bepaling van de hoogte van de investeringsaftrek per firmant als uitgangspunt dient te worden genomen. Een reguliere wetstoepassing leidt er toe dat door elke deelnemer is geïnvesteerd naar rato van zijn gerechtigdheid tot de (over)winst. Goedkeuring Ik keur goed dat uitsluitend voor de toepassing van de investeringsaftrek, voor het antwoord op de vraag in welke mate de vennoten hebben geïnvesteerd, bij het standpunt van belastingplichtigen kan worden aangesloten. Ik stel hierbij de volgende voorwaarden: a. alle vennoten hanteren hetzelfde verdelingscriterium; d. de verdeling vindt toepassing op alle vennootschappelijke investeringen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; e. bij de berekening van de desinvesteringsbijtelling mag niet van een andere verdeling worden uitgegaan dan destijds bij de investeringsaftrek is gehanteerd; en f. een gezamenlijk, ondertekend verzoek waarin de keuze van de verdeelsleutel is opgenomen en akkoord wordt gegaan met de voorwaarden, wordt ingediend voor het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen of de aanslag vennootschapsbelasting van een van de deelnemers aan het samenwerkingsverband onherroepelijk vaststaat. ad b. Redelijke verdeling De inspecteur toetst of sprake is van een redelijke verdeling. In het algemeen kan een verdeling worden aanvaard volgens bijvoorbeeld: − de kapitaalsverhouding, − de aandelen in de stille reserves, − de aandelen in de winst, − of gelijke delen. Omdat de kapitaalsverhouding pas kenbaar is na een tussentijdse afsluiting van de boeken, mag de kapitaalsverhouding volgens de eindbalans van het laatst afgesloten boekjaar als uitgangspunt worden genomen, mits die verdeling tot een redelijke uitkomst leidt. Van een redelijke verdeling van een investering over de leden van het samenwerkingsverband is geen sprake als een investering geheel wordt toegerekend aan de beherende vennoten terwijl commanditaire vennoten/natuurlijke personen wettelijk zijn uitgesloten van de faciliteit. Bij een verdeling van de investering over uitsluitend de beherende vennoten wordt de uitsluiting van commanditaire vennoten voor de artikelen 3.42 en 3.42a Wet IB 2001 buiten werking gesteld. Een dergelijke verdeling is niet toegestaan. Tijdens de parlementaire behandeling is aandacht besteed aan investeringen binnen een commanditaire vennootschap in relatie tot de uitsluitingsbepalingen voor de commanditaire vennoot/natuurlijk persoon. Daarbij is aangegeven dat o.a. voor de investeringsaftrek alleen de ondernemers en rechtspersonen meetellen (nota naar aanleiding van het nader verslag Wet IB 2001, Kamerstukken II 1999/2000, nr. 26 727, nr. 17). Daardoor wordt over het deel van het investeringsbedrag dat niet aan de ondernemers en rechtspersonen in het samenwerkingsverband wordt toegerekend, geen investeringsaftrek genoten. Van een onredelijke verdeling is geen sprake indien het totale bedrag van de investeringsaftrek niet is gemaximeerd tot het bedrag dat bij een verdeling overeenkomstig de gerechtigdheid tot de (over)winst zou zijn genoten. Als de leden van een samenwerkingsverband onderling geen afspraken maken over de verdeling van de investeringsaftrek over gezamenlijke investeringen of als niet voldaan is aan de hiervoor vermelde voorwaarden, zal de inspecteur een verdeelsleutel op basis van de winstgerechtigdheid als uitgangspunt nemen. 4.1.4 Overige standpunten betreffende verdeling investeringsaftrek over deelnemers samenwerkingsverband 4.1.4.1 Plafond EIA bij een CV met twee beherende vennoten Indien sprake is van een samenwerkingsverband tellen bij het bepalen van het maximale bedrag aan energie-investeringen op grond van artikel 3.42, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001 alleen de energie-investeringen van de andere ondernemers en de belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting in het samenwerkingsverband mee. Commanditaire vennoten tellen derhalve niet mee. Voorbeeld Een samenwerkingsverband bestaat uit zes deelnemers, twee beherende vennoten en vier commanditaire vennoten. De totale energie-investering van het samenwerkingsverband bedraagt € 150 000 000. De beherende vennoten zijn ieder gerechtigd tot 40% van de energie-investering (ieder € 60 000 000), de commanditaire vennoten ieder tot 5%. Het plafond voor het kalenderjaar 2009 bedraagt € 113 000 000. Het voor ieder van de beherende vennoten geldende plafond wordt als volgt bepaald: 60 000 000/120 000 000 × € 113 000 000 = € 56 500 000 (dus niet: 60 000 000/150 000 000 × € 113 000 000= € 45 200 000) 4.2 Berekening investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij toepassing HIR of ruilarresten De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 24 december 1975, nr. 17 795, beslist dat bij aanwending van een vervangingsreserve de investeringsaftrek behoort te worden verleend over het met de vervangingsreserve verminderde investeringsbedrag (investeringsaftrek zoals die gold tot 24 mei 1978). Het door de Hoge Raad met betrekking tot de investeringsaftrek ingenomen standpunt heeft, naar uit het arrest blijkt, tot gevolg dat de eventuele desinvesteringsbijtelling met betrekking tot het afgestane bedrijfsmiddel alsdan wordt berekend over de verkoopwaarde verminderd met de vervangingsreserve, welk bedrag gelijk is aan de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel. In geval van ruil van bedrijfsmiddelen had de Hoge Raad reeds in deze geest geoordeeld (13 maart 1968, nr. 15 848 en 15 oktober 1969, nr. 16 194). Goedkeuring Ik keur goed dat voor de berekening van de investeringsaftrek als vermeld in artikel 3.40 Wet IB 2001 als grondslag wordt genomen de kostprijs van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd, zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, onder de hierna vermelde voorwaarden. Hierbij merk ik nog op dat bij de bepaling van het investeringsbedrag in een jaar, zoals is bedoeld in artikel 3.41, tweede lid, 3.42, derde lid, en 3.42a, derde lid, Wet IB 2001, dezelfde grondslag in aanmerking dient te worden genomen. Wellicht ten overvloede wijs ik er in verband met het vorenstaande op, dat in voorkomende situaties het voor belastingplichtigen onvoordelig kan zijn gebruik te maken van de in dit besluit verleende goedkeuring. Voor gevallen waarin de zogenaamde ruilarresten toepassing vinden, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Aan de toepassing van deze goedkeuring zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. Is investeringsaftrek genoten over de kostprijs van een bedrijfsmiddel zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, dan zal belastingplichtige zich bij desinvestering van zowel het vervangende als het afgestane bedrijfsmiddel niet op het standpunt stellen dat hij, bij het bepalen van de hoogte van de desinvesteringsbijtelling, de boekwaarde ten tijde van de inruil als grondslag wenst te hanteren (overeenkomstig de opvatting van de Hoge Raad). Als grondslag zal gelden de overdrachtsprijs dan wel de waarde in het economische verkeer. 4.3 Investeren door algemene nut beogende instelling; afboeking herbestedingsreserve Een algemeen nut beogende stichting kan een zogenoemde herbestedingsreserve vormen met toepassing van artikel 12, eerste lid, juncto tweede lid, onderdeel a, Wet VPB. Indien zij in een later jaar investeert in bedrijfsmiddelen kan zij daarnaast in aanmerking komen voor investeringsaftrek. De vraag komt dan op of de stichting ter bepaling van de omvang van de investeringsaftrek moet uitgaan van het investeringsbedrag na afboeking van de herbestedingsreserve, dit gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de vervangingsreserve. Uit de tekst van artikel 12 Wet VPB blijkt dat de herbestedingsreserve onder meer kan dienen ter vermindering van de uitgaven ter zake van de aanschaf, voortbrenging of verbetering van bedrijfsmiddelen. In dat geval komt de afboeking van de herbestedingsreserve dus in mindering op de uitgaven ter verwerving van de bedrijfsmiddelen. Daarom moet in beginsel bij de bepaling van de omvang van de investeringsaftrek worden uitgegaan van het investeringsbedrag na afboeking van de herbestedingsreserve. Dit valt af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1975, nr. 17 795, dat is gewezen inzake de afboeking van een vervangingsreserve. Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij de samenloop van een herinvesteringsreserve (art. 3.54 Wet IB 2001) en investeringsaftrek. In dit verband is in onderdeel 4.2 van dit besluit goedgekeurd dat een belastingplichtige, onder voorwaarden, kan uitgaan van het investeringsbedrag vóór afboeking van de herinvesteringsreserve. Dat onderdeel ziet echter alleen op afboeking van de herinvesteringsreserve. Het strekt zich niet uit tot afboekingen van de herbestedingsreserve in de zin van artikel 12 Wet VPB. Goedkeuring Voor de toepassing van de investeringsaftrek keur ik goed dat onderdeel 4.2 van dit besluit op overeenkomstige wijze wordt toegepast in de situatie waarin een herbestedingsreserve wordt afgeboekt op de aanschaffings-, voortbrengings- of verbeteringskosten van bedrijfsmiddelen. 4.4 Investeren na teloorgaan bedrijfsmiddel door calamiteit; plafond kleinschaligheidsaftrek (nieuw) Indien in een boekjaar een door een calamiteit teloorgegaan net aangeschaft bedrijfsmiddel wordt vervangen, kunnen de wettelijke regels er toe leiden dat minder of zelfs geen recht bestaat op KIA. Bij de invoering van de investeringsaftrek is bepaald dat als voor KIA wordt gekozen, het niet mogelijk is bepaalde bedrijfsmiddelen buiten aanmerking te laten. De wetgever wilde niet dat een belastingplichtige door manipulatie zijn investeringsaftrek zou kunnen maximaliseren. In de bovenbedoelde situatie is daarvan geen sprake. Goedkeuring Indien in een boekjaar een door een calamiteit teloorgegaan net aangeschaft bedrijfsmiddel wordt vervangen, keur ik goed dat het teloorgegane bedrijfsmiddel niet meetelt voor de toepassing van de investeringsaftrek. Aangezien bij toepassing van de goedkeuring het bedrijfsmiddel niet meetelt voor de investeringsaftrek, is het niet mogelijk gebruik te maken van de goedkeuring voor de toepassing van de KIA en tegelijk voor de toepassing van de MIA of EIA wèl uit te gaan van twee investeringen (als het bedrijfsmiddel op de milieu- of energielijst zou staan). Voorbeeld X koopt een vrachtwagen voor 103.000 euro. Een week na de aankoop gaat de vrachtwagen in vlammen op. Van de verzekeringspenningen wordt meteen daarna – opnieuw − een zelfde vrachtwagen gekocht. In het boekjaar wordt derhalve voor 206.000 euro aan vrachtwagens gekocht. Overigens heeft X geen investeringen gedaan. Het KIA-percentage bedraagt 1. Was er geen brand geweest dan had het KIA-percentage 12 bedragen. Door de goedkeuring telt de eerste investering van 103.000 euro niet mee. X krijgt KIA over 103.000 euro. 5 Uitgesloten verplichtingen voor de investeringsaftrek 5.1 Verplichtingen tussen naaste verwanten 5.1.1 Inleiding Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, onderdeel a en b, Wet IB 2001 blijven voor de toepassing van de bepalingen inzake investeringsaftrek buiten aanmerking verplichtingen aangegaan tussen personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige en tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden (hierna te noemen: naaste verwanten). Blijkens artikel 3.46, tweede lid, Wet IB 2001 heeft de Minister de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt. Ik heb besloten met betrekking tot verplichtingen tussen naaste verwanten van de ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken. Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij deze ontheffing te verlenen, waarbij de volgende uitgangspunten hebben te gelden. 5.1.2 Uitgangspunten en toelichting 5.1.2.1 Verwerving of verbetering bedrijfsmiddelen Voor de toepassing van de bepalingen inzake investeringsaftrek komen in aanmerking reële verplichtingen die zijn aangegaan tussen naaste verwanten ter zake van de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen. 5.1.2.2 Beïnvloeding hoogte investeringsaftrek Indien transacties tussen naaste verwanten zodanig worden uitgevoerd dat hierdoor getracht wordt het percentage van de investeringsaftrek te beïnvloeden komen de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet voor ontheffing in aanmerking, tenzij deze uitvoering van de transactie ook tussen derden gebruikelijk is. 5.1.2.3 Toerekening aangegane verplichting Het ontmoet bij mij geen bezwaar dat men, indien een verplichting betrekking heeft op zowel voor investeringsaftrek in aanmerking komende bedrijfsmiddelen als op overige zaken, deze verplichting zoveel mogelijk toerekent aan die bedrijfsmiddelen tot maximaal de waarde in het economische verkeer van die bedrijfsmiddelen. Indien in het kader van een overdracht of overgang van een landbouwbedrijf grond wordt verworven, waarop de vrijstelling van artikel 3.12 Wet IB 2001 van toepassing is, kan voor de toerekening van investeringsbijdragen de desbetreffende grond in aanmerking worden genomen voor de waarde in verpachte staat, tenzij partijen een hogere waarde zijn overeengekomen. 5.1.2.4 Verplichtingen tussen naaste verwanten Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling aangegaan tussen naaste verwanten ter zake van de verwerving of verbetering van een bedrijfsmiddel. Schulden ter zake van de verwerving of verbetering van een bedrijfsmiddel aan de naaste verwant dienen met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden te voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Bovendien mag geen sprake zijn van een kennelijk vooruitlopen op een erfrechtelijke verkrijging (schuldig blijven zonder rekening te houden met bijvoorbeeld de leeftijd van de naaste verwant tegenover wie de verplichtingen worden aangegaan). Indien een lening met het oog op de toepassing van de regeling van durfkapitaal (artikel 5.17, eerste lid, Wet IB 2001) wordt achtergesteld en voor het overige als tussen derden gebruikelijk kan worden beschouwd, komt de ondernemer/geldlener in aanmerking voor investeringsaftrek. Indien een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 16 december 2008, nr. CPP2008/2696M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voornoemd besluit in het jaar van aangaan van de verplichtingen als disconteringsfactor toegepast. Ter voldoening aan de verplichtingen tussen naaste verwanten ter zake van de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen kunnen bijvoorbeeld ook de daarop betrekking hebbende schulden aan derden worden overgenomen. Civielrechtelijk wordt dit aangeduid als passief-subjectieve novatie in de vorm van delegatie. Ook kan verrekening van een op de balans voorkomende vordering ter zake van achterstallig loon plaatsvinden. De verplichtingen moeten schriftelijk worden vastgelegd. 5.1.2.5 Verandering of niet-nakoming van verplichtingen Niet-nakoming van de verplichtingen dan wel verandering achteraf van de verplichtingen ten gunste van degene die de verplichtingen is aangegaan, binnen een termijn van vijf jaren na de aanvang van het kalender(boek)jaar waarin de oorspronkelijke verplichtingen zijn aangegaan, leidt tot bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek, als ware het een desinvesteringsbijtelling. Van veranderingen van verplichtingen is bijvoorbeeld sprake als, ingeval van schuldig blijven, door de naaste verwant tegenover wie de verplichtingen zijn aangegaan, wijzigingen van rentepercentages of aflossingsschema's worden toegestaan of door deze schenkingen dan wel kwijtscheldingen worden gedaan of als de betalingen van verschuldigde rente en aflossing niet plaatsvinden. Indien betrokkene aannemelijk kan maken dat deze verandering op zakelijke gronden berust, of indien blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding, blijft bijtelling achterwege. 5.1.2.6 Bedrijfsmiddel eerder in nalatenschap Als van een naaste verwant een bedrijfsmiddel wordt verworven dat binnen een termijn van drie jaren voor het tijdstip van de verwerving tot een nalatenschap heeft behoord waartoe degene die het desbetreffende bedrijfsmiddel verwerft gerechtigd was, wordt investeringsaftrek toegepast tot maximaal het bedrag van de desinvesteringsbijtelling die bij de vervreemder ter zake van de vervreemding van dat bedrijfsmiddel is toegepast. 5.1.3 Bepaling van het percentage (artikel 3.41, tweede lid, 3.42, derde lid en 3.42a, derde lid, Wet IB 2001) Bij de bepaling van het percentage van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen (als bedoeld in artikel 3.40 Wet IB 2001), die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verkregen. De investeringsaftrek voor het desbetreffende bedrijfsmiddel bedraagt dan het met inachtneming van voorgaande volzin voor dat jaar van toepassing zijnde percentage toegepast op de reële verplichting aangegaan voor dat bedrijfsmiddel. 5.1.4 Verzoek Een verzoek om toepassing van investeringsaftrek in de bovenbedoelde situaties wordt door de inspecteur slechts ingewilligd, indien hij in het bezit is van een volgens bijgevoegd model opgemaakt en door de belastingplichtige ondertekend verzoek om ontheffing, de verklaring met betrekking tot de bijtelling bij het niet nakomen van de verplichtingen (beide bijlage 2), alsmede van een afschrift van de schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat. 5.1.5 Overige situaties Voor overige situaties met betrekking tot de toepassing van dit onderdeel van het besluit wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet te worden verwezen naar het Ministerie van Financiën. 5.2 Ontheffing bij verplichtingen tussen gerechtigden tot een nalatenschap 5.2.1 Inleiding Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 blijven voor de toepassing van de bepalingen inzake investeringsaftrek buiten aanmerking verplichtingen aangegaan tussen gerechtigden tot een nalatenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort. Blijkens artikel 3.46, tweede lid, Wet IB 2001 heeft de Minister de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt. Ik heb besloten met betrekking tot verplichtingen tussen gerechtigden tot een nalatenschap van deze ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken. Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij deze ontheffing te verlenen, waarbij de volgende uitgangspunten hebben te gelden. 5.2.2 Uitgangspunten en toelichting 5.2.2.1 Gehele of gedeeltelijke overgang onderneming Voor de toepassing van de bepalingen inzake investeringsaftrek komen in aanmerking reële verplichtingen wegens overbedeling aangegaan tussen gerechtigden tot een nalatenschap ter zake van de verwerving van een bedrijfsmiddel in het kader van een overname van een onderneming in de zin van artikel 3.58, eerste lid, Wet IB 2001 waarbij geen beroep is gedaan op de in artikel 3.62 Wet IB 2001 geboden doorschuivingsmogelijkheid. Daarbij dient de onderneming in haar geheel dan wel voor een zelfstandig of evenredig deel over te gaan en te worden voortgezet. 5.2.2.2 Overgang losse bedrijfsmiddelen Bij de overgang van losse bedrijfsmiddelen, ongeacht of deze kan leiden tot het aangaan van verplichtingen wegens overbedeling, wordt geen investeringsaftrek toegepast. Hetzelfde geldt voor de overgang van zaken uit het privé-vermogen van de erflater. Indien laatstgenoemde zaken naast de onderneming worden verkregen en deze bij de verkrijger deel gaan uitmaken van het ondernemingsvermogen, worden deze meegeteld als maakten ze deel uit van de onderneming van de erflater. 5.2.2.3 Overbedeling Onder overbedeling wordt hier verstaan al hetgeen bij verdeling van de nalatenschap wordt verkregen, gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, onder aftrek van de verkrijging krachtens erfrecht, zoals deze voor de heffing van successierecht in aanmerking wordt genomen, doch minimaal onder aftrek van de krachtens erfrecht vast te stellen, al dan niet ingeroepen, legitieme portie (art. 960 e.v. Boek 4 BW). Een erfgenaam die is onterfd en geen beroep doet op zijn legitieme portie en die zaken uit de nalatenschap overneemt, wordt voor de toepassing van dit besluit geacht te hebben verkregen bij verdeling. De door hem aangegane verplichtingen blijven buiten aanmerking tot het beloop van zijn legitieme portie. 5.2.2.4 Verplichtingen wegens overbedeling Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling wegens overbedeling aangegaan jegens de overige erfgenamen. Het overnemen van schulden is in het kader van erfrechtelijke verkrijgingen niet het aangaan van verplichtingen ter zake van verwerving van een bedrijfsmiddel, aangezien bij erfrechtelijke verkrijgingen sprake is van een overgang onder algemene titel. Dit is anders bij het aangaan van verplichtingen tussen naaste verwanten alwaar door het overnemen van schulden invulling wordt gegeven aan de betalingsverplichting jegens deze naaste verwant. Schulden ter zake van de overbedeling aan de overige erfgenamen dienen met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden te voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Indien een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 16 december 2008, nr. CPP2008/2696M ), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voormeld besluit in het jaar van aangaan van de verplichting, als disconteringsfactor toegepast. De verplichtingen behoren schriftelijk te worden vastgelegd. 5.2.2.5 Verandering of niet-nakoming van verplichtingen Niet-nakoming van de verplichtingen dan wel verandering achteraf van de verplichtingen ten gunste van degene die de verplichtingen is aangegaan, binnen een termijn van vijf jaren na de aanvang van het kalender(boek)jaar waarin de oorspronkelijke verplichtingen zijn aangegaan, leidt tot gehele bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek, als ware het een desinvesteringsbijtelling. Van verandering van verplichtingen is bijvoorbeeld sprake als, ingeval van schuldig blijven, door de overige erfgenamen wijzigingen van rentepercentages of aflossingsschema's worden toegestaan of door dezen schenkingen dan wel kwijtscheldingen worden gedaan of als de betalingen van verschuldigde rente en aflossing niet plaatsvinden. Indien betrokkene aannemelijk kan maken dat deze verandering op zakelijke gronden berust, of indien blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding, blijft bijtelling achterwege. 5.2.3 Vaststelling verplichtingen wegens overbedeling 5.2.3.1 Evenredige verdeling verplichtingen De reëel aangegane verplichtingen wegens overbedeling worden naar evenredigheid verdeeld over de bedrijfsmiddelen (als bedoeld in artikel 3.40 Wet IB 2001) en hetgeen overigens door de overnemende ondernemer bij de verdeling van de nalatenschap wordt verkregen. Daarbij worden deze bedrijfsmiddelen en de overige zaken gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer ten tijde van het overlijden van de erflater. 5.2.3.2 Landbouwgrond In afwijking van het vorenstaande wordt de in het kader van een overdracht of overgang van een landbouwbedrijf verworven grond waarop de landbouwvrijstelling van toepassing is (artikel 3.12 Wet IB 2001), voor de evenredige verdeling in aanmerking genomen voor de waarde in verpachte staat, tenzij partijen een hogere waarde zijn overeengekomen. 5.2.3.3 Notariële akte van verdeling Een notariële akte van verdeling is vereist. De dagtekening daarvan geldt voor de toepassing van dit besluit als het moment van definitieve verdeling en als het moment van aangaan van verplichtingen. 5.2.3.4 Formule In formule kan hetgeen aldus aan de bovenbedoelde bedrijfsmiddelen kan worden toegerekend, als volgt worden weergegeven: B – x R = X V B: bedrijfsmiddel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.