Verordening van het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren van 29 oktober 2009 houdende bestrijdingsmaatregelen tegen de uitbraak van infectieuze coryza en Salmonella Gallinarum bij pluimvee (Verordening bestrijding infectieuze coryza en Salmonella Gallinarum bij pluimvee (PPE) 2009) Verordening bestrijding infectieuze coryza en salmonella gallinarum bij pluimvee (PPE) 2009 Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren; Gelet op de artikelen 93 en 100, derde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie en op artikel 6 van het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren; Gehoord het advies van de Adviescommissie pluimveegezondheidszorg, Besluit: Artikel 1 Deze Verordening hanteert de begripsbepalingen zoals vastgesteld in artikel 1 van de Verordening productie van en handel in broedeieren en levend pluimvee 2003 en verstaat voorts onder: a. UBN : uniek bedrijfsnummer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie dieren (Stcrt. 2004, 242); b. KIPnummer : registratienummer zoals opgenomen in het Koppel Identificatie systeem zoals gehanteerd door het productschap; c. infectieuze coryza : acute, vervolgens chronische, sterk infectieuze aandoening bij pluimvee, die kan leiden tot verhoogde sterfte en productiedaling, veroorzaakt door de bacterie Avibacterium paragallinarum, ook bekend als acute snot; d. Salmonella Gallinarum : bacteriële besmetting bij pluimvee, ook bekend als Kleinse ziekte, veroorzaakt door de bacterie Salmonella Gallinarum. Artikel 2 1 De voorzitter stelt, namens het bestuur, bij besluit vast in welk gebied de aanwezigheid van infectieuze coryza of Salmonella Gallinarum is vastgesteld en waarvoor specifieke bestrijdingsmaatregelen als bedoeld in dit besluit gelden. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. 2 In het besluit bedoeld in het eerste lid wordt een kaart van het gebied opgenomen waaruit blijkt voor welk gebied dan wel welke gebieden in Nederland de bestrijdingsmaatregelen kunnen gelden. 3 Aan de ondernemer die kippen, kalkoenen of eenden houdt binnen het vastgestelde gebied kunnen aan de hand van het geregistreerde UBN of KIPnummer, door de voorzitter, namens het bestuur, bestrijdingsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 3 en 4 worden opgelegd. Artikel 3 1 De voorzitter kan, namens het bestuur, een ondernemer die kippen, kalkoenen of eenden houdt binnen een straal van drie kilometer rondom een onderneming waar de aanwezigheid van infectieuze coryza of Salmonella Gallinarum is vastgesteld, gelasten voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf weken zijn kippen, kalkoenen of eenden te houden in een ruimte, die zodanig is afgeschermd dat wordt voorkomen dat andere vogels of hun uitwerpselen in deze ruimte kunnen doordringen. 2 In afwijking van het eerste lid kan de voorzitter de ondernemer die kippen, kalkoenen of eenden volgens de biologische productiemethode , als bedoeld in Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91, houdt binnen een straal van drie kilometer rondom een onderneming waar de aanwezigheid van infectieuze coryza of Salmonella Gallinarum is vastgesteld, adviseren voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf weken zijn kippen, kalkoenen of eenden te houden in een ruimte, die zodanig is afgeschermd dat wordt voorkomen dat andere vogels of hun uitwerpselen in deze ruimte kunnen doordringen. De voorzitter kan, namens het bestuur, deze ondernemer verplichten diens pluimvee intensief door een dierenarts te laten monitoren en door een laboratorium te laten onderzoeken op de aanwezigheid van infectieuze coryza of Salmonella Gallinarum. 3 De voorzitter kan namens het bestuur, in het geval de aanwezigheid van Salmonella Gallinarum of infectieuze coryza op de onderneming is vastgesteld, de ondernemer gelasten het protocol na te leven dat is opgenomen in de bijlage bij deze verordening, waarin werkvoorschriften zijn gegeven ten aanzien van de wijze en frequentie van vaccinatie, hygiëne-, reinigings- en ontsmettingsmaatregelen en ongediertebestrijding. 4 De voorzitter kan namens het bestuur aan de ondernemer gelasten dat zijn kippen, kalkoenen of eenden worden gevaccineerd tegen Salmonella Gallinarum. Artikel 4 De voorzitter kan de ondernemer adviseren tot vaccinatie tegen infectieuze coryza van door hem gehouden kippen, kalkoenen of eenden. Artikel 5 De voorzitter kan ondernemers adviseren bij het vervoer van kippen, kalkoenen, eenden of mest maatregelen toe te passen ter preventie en bestrijding van Salmonella Gallinarum of infectieuze coryza. Artikel 6 Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld zoals voorzien in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie
- Artikel 7 Het Interim-Besluit bestrijding infectieuze coryza en Salmonella Gallinarum bij pluimvee (PPE) 2009 wordt ingetrokken. Artikel 8 1 Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bestrijding infectieuze coryza en salmonella gallinarum bij pluimvee (PPE)
- 2 Deze verordening wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en zij treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie. Zoetermeer 29 oktober 2009 J..J. Ramekers voorzitter B.M. Dellaert secretaris Bijlage bij de Veordening bestrijding infectieuze coryza en salmonella gallinarum bij pluimvee (PPE) 2009 Protocol inzake Salmonella gallinarum en infectieuze coryza Deel I Algemene maatregelen ter preventie van insleep Salmonella Gallinarum (SG) op legbedrijven
- Optimaliseren bedrijfshygiënemanagement om insleep te voorkomen, blijft de belangrijkste maatregel. Vaccinatie is alleen ter ondersteuning.
- Informeer regelmatig, bij uw dierenarts, naar de besmettingssituatie in de omgeving en de maatregelen die genomen moeten worden wanneer de ziekte in een straal van 3 kilometer rondom het bedrijf aanwezig is.
- Overleg met uw dierenarts of vaccineren tegen SG zinvol is. Mocht dit het geval zijn, geef dan tijdig de opdracht (In de opfok: 2 vaccinaties met 6 weken tussen de beide SG - vaccinaties, waarvan de laatste minimaal 2 weken voor transport naar het legbedrijf. Op het legbedrijf iedere 12 weken hervaccineren). Beschermend effect van SG9R boostervaccinaties werd enkel aangetoond na toediening d.m.v. injectie.
- Aan pluimveehouders uit de betrokken postcodegebieden wordt geadviseerd geen open dagen te bezoeken/organiseren. ALGEMENE HYGIËNEMAATREGELEN
- Bedrijfsterrein vrij van ongedierte houden. Laat een daarin gespecialiseerd bedrijf een intensief ongediertebestrijdingsprogramma uitvoeren, met name gericht op de wering en bestrijding van muizen en ratten, of het bestaande bestrijdingsprogramma intensiveren. Daarnaast dient de stal vrij van bloedluis te zijn vooraleer nieuwe dieren opgezet worden. Om vogels buiten de stal te houden: luchtinlaat- en uitlaatopeningen controleren en eventueel nieuw gaas aanbrengen.
- Chauffeurs van vrachtwagens (voer, eieren of mest) nooit toelaten in de stal en wegwerpoverall en bedrijfseigen schoeisel laten gebruiken. Geef de mogelijkheid om een ontsmetting uit te voeren.
- Eiercontainers in de deur aangeven, tenzij de eierbewaarplaats los staat van de stal. Lege containers die aangevoerd worden opnieuw ontsmetten voordat ze gebruikt worden. Accepteer geen vuile eiertrays.
- Huisverkoop van pluimveeproducten dient plaats te vinden buiten de afrastering van de bedrijfsgebouwen.
- Overleg met de buren over het uitrijden van mest op belendende percelen. Bij voorkeur geen pluimveemest van onbekende herkomst. Zorg er in ieder geval voor dat gedurende het uitrijden en het onderwerken geen dieren buitenlopen.
- Mestcontainers kunnen bevuild zijn met mest en bloedluis. Beide kunnen drager zijn van de SG-bacterie. Eis dat containers schoon op het bedrijf geleverd worden en reinig en desinfecteer ze zelf nogmaals.
- Alle SG besmette bedrijven hebben verhoogde uitval en daardoor contact met de Rendac. Uw kadavertonnen hebben ook contact met de Rendac en vormen daardoor een mogelijke bron van besmetting voor uw bedrijf. Desinfecteer de tonnen dan ook voordat u ze weer op uw terrein brengt. Wat te doen bij klinische verschijnselen? Houd er rekening mee dat de door SG veroorzaakte uitval de normen van de meldingsplicht kan overschrijden. Raadpleeg dan uw dierenarts en meld het probleem bij het centrale meldnummer van VW A. Het klinische beeld van SG is niet uniek voor deze ziekte. Bijvoorbeeld: Bij SG kan er hoge uitval optreden waarbij gestorven dieren een sterk vergrote lever en milt hebben (sepsisbeeld). Het zelfde beeld kan ook optreden bij bijvoorbeeld vlekziekte. Een aanhoudende uitval die net iets te hoog is en waarbij getroffen dieren op sectie een sepsisbeeld vertonen wordt vaak toegeschreven aan Escherichia coli. Dit kan echter ook door SG veroorzaakt worden. Uitsluitsel kan verkregen worden door bacteriologisch onderzoek. Wij raden u daarom aan om in geval van verdenking, in overleg met uw dierenarts, dieren (levende, maar ook meerdere recent overleden hennen) op te sturen naar GD voor sectie. Bedenk dat het standaard Salmonella onderzoek, de zogenaamde Branchemethode, zoals wordt toegepast bij het onderzoek van overschoentjes de SG-bacterie niet aantoont. In afwachting van de uitslag raden wij u aan alle benodigde hygiënemaatregelen in acht te nemen om verspreiding van de bacterie tegen te gaan. Als wij SG vinden bij de door u opgestuurde dieren, dan krijgt u in eerste instantie een sectie uitslag waarop staat dat er een "onbewegelijke Salmonella uit groep D" is gevonden. Dit betekent dat er een hele grote kans is dat uw dieren met SG besmet zijn. Verdere typering wordt uitgevoerd door het RIVM, maar op de uitslag van dat onderzoek moet u zeker niet wachten. Wij raden u aan om vanaf dit moment zo spoedig mogelijk contact op te nemen met uw dierenarts. Als leidraad voor mogelijke acties kunt u kijken naar ons hoofdstuk "wat te doen na het aantonen van de besmetting in uw koppel?". Wat te doen na het aantonen van de besmetting in een koppel?
- Houd er rekening mee dat de door SG veroorzaakte uitval de normen van de meldingsplicht kan overschrijden. Raadpleeg in zo'n geval uw dierenarts en meld het probleem bij het centrale meldnummer van VW A. b. Enten. Er is een levende entstof geregistreerd (SG9R van Intervet SPAH). Deze dient per injectie toegediend te worden. Ent niet enkel de dieren van de aangetaste stal maar ook de nog niet besmette stallen op het bedrijf. Blijf na de tweede enting elke 12 weken opnieuw enten (per injectie). Vaccineren is geen garantie voor volledig herstel of het spreiden naar andere stallen. Het is belangrijk zo snel mogelijk na de bevestiging van de ziekte te vaccineren en optimale hygiëne te blijven betrachten. Nieuw te plaatsen koppels dienen ook gevaccineerd te zijn (informeer tijdig de hennenleverancier voor aanpassing van het entschema). Voor zowel antibiotica als enten geldt dat u met uw dierenarts moet overleggen om te bepalen of deze stappen zinvol zijn op uw bedrijf. o hoofddeksel en mondkapje per stal; Deel II Algemene maatregelen ter preventie van insleep Coryza op legbedrijven.
- Optimaliseren bedrijfshygiënemanagement om insleep te voorkomen, blijft de belangrijkste maatregel. Vaccinatie is alleen ter ondersteuning.
- Informeer regelmatig, bij uw dierenarts, naar de besmettingssituatie van Coryza (veroorzaakt door de bacterie Avibacterium paragallinarum) in de omgeving en de maatregelen die genomen moeten worden wanneer de ziekte in een straal van 3 kilometer rondom het bedrijf aanwezig is.
- Wanneer de situatie daar aanleiding toe geeft (zie: "Vervolgaanpak geconstateerde Coryzabesmetting op legbedrijven na afvoer van de dieren" ) overleg dan met uw dierenarts de noodzaak en mogelijkheden voor vaccinatie. Mocht dit nodig blijken, geef dan tijdig de opdracht te vaccineren tegen Coryza (In de opfok: 2 vaccinaties met minimaal 4 weken tussen de beide Coryza - vaccinaties en minimaal 4 weken voor de start van de productie).
- Aan pluimveehouders uit de betrokken postcodegebieden wordt geadviseerd geen open dagen te bezoeken/organiseren. ALGEMENE HYGIËNEMAATREGELEN
- Bedrijfsterrein vrij van ongedierte houden. Laat een daarin gespecialiseerd bedrijf een intensief ongediertebestrijdingsprogramma uitvoeren, met name gericht op de wering en bestrijding van muizen en ratten, of het bestaande bestrijdingsprogramma intensiveren. Daarnaast dient de stal vrij van bloedluis te zijn vooraleer nieuwe dieren opgezet worden. Om vogels buiten de stal te houden: luchtinlaat- en uitlaatopeningen controleren en eventueel nieuw gaas aanbrengen.
- Houd geen ander gevogelte op het bedrijf (bijvoorbeeld duiven, eenden, ganzen of siervogels). Deze kunnen dragers zijn van pathogene micro-organismen.
- Het binnen de grenzen van het bedrijfsgebied toelaten van personen, dieren en voorwerpen is altijd een risico voor de ondernemer en dient tot een minimum beperkt te worden. Toegang tot de stallen moet zo mogelijk nog sterker beperkt worden. Laat behalve de verzorger( -s) niemand in de stallen toe, tenzij dit strikt noodzakelijk is. Houd staldeuren op slot en haal de sleutel uit het slot. Ideaal is een goede afrastering rond de bedrijfsgebouwen, een afgesloten toegang met bel en een parkeerplaats buiten het hek. Eventueel kan voor nood een lint of ketting goede diensten bewijzen.
- Zorg ervoor dat de verzorger( -s) / noodzakelijke bezoeker( -s) het bedrijfsgebied niet betreden voordat de noodzakelijke hygiënische maatregelen zijn getroffen. Hiertoe dient een speciaal daarvoor ingerichte ruimte aanwezig te zijn. Deze ruimte dient aan te sluiten op de omheining en een zichtbare scheiding te vormen tussen het bedrijfsgebied en de buitenwereld. Een douchegelegenheid in deze ruimte is sterk aan te raden. Betreden van het bedrijfsgebied is slechts toegestaan in bedrijfsoverall en bedrijfsschoeisel (laarzen) en na minimaal de handen gewassen te hebben en liefst gedoucht. Bedenk dat stof (bijvoorbeeld in de haren van uw bezoekers) en mest transportmedia kunnen zijn voor de bacterie.
- Voorzie bedrijfskleding en -schoeisel per stal. Voor schoeiselontsmetting wordt 2% natronloog of een 2% oplossing van een ander geschikt desinfectiemiddel gebruikt. Door verontreiniging met mest en strooisel gaat de werkzaamheid van een ontsmettingsmiddel achteruit. Daarom dienen de oplossingen regelmatig vervangen te worden.
- Chauffeurs van vrachtwagens (voer, eieren of mest) nooit toelaten in de stal en wegwerpoverall en bedrijfseigen schoeisel laten gebruiken. Geef de mogelijkheid om een ontsmetting uit te voeren.
- Eiercontainers in de deur aangeven, tenzij de eierbewaarplaats los staat van de stal. Lege containers die aangevoerd worden opnieuw ontsmetten voordat ze gebruikt worden. Accepteer geen vuile eiertrays.
- Huisverkoop van pluimveeproducten dient plaats te vinden buiten de afrastering van de bedrijfsgebouwen.
- Overleg met de buren over het uitrijden van mest op belendende percelen. Bij voorkeur geen pluimveemest van onbekende herkomst. Zorg er in ieder geval voor dat gedurende het uitrijden en het onderwerken geen dieren buitenlopen.
- Eis dat mestcontainers schoon op het bedrijf geleverd worden en reinig en desinfecteer ze zelf nogmaals.
- Desinfecteer de kadavertonnen voordat u ze weer op uw terrein brengt. Wat te doen als u vermoedt dat uw hennen besmet zijn? Omdat een met Coryza geïnfecteerd koppel levenslang besmet is, heeft ook een subklinische (dus zonder ziekte) infectie een groot effect op uw bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld op de beslissing om te ruien of een ruikoppel aan te voeren. Het is dus van groot belang om een correcte diagnose te kunnen stellen. U leest hier meer daarover op de GD web site. Wat te doen na het aantonen van de besmetting in een koppel?
- Houd er rekening mee dat de produktiedaling, de voeropnamedaling of de uitval de normen van de meldingsplicht kan overschrijden. Raadpleeg in zo'n geval uw dierenarts en meld in geval van te hoge uitval het probleem bij het centrale meldnummer van VWA.
- Informeer de leveranciers (trays, voer), de afnemers (ei, mest, Rendac) uw dierenarts en uw voorlichter(s). Vraag de leveranciers en afnemers tot op het niveau van de chauffeur te communiceren.
- Vraag advies aan uw dierenarts en voorlichter met betrekking tot behandeling en verzorging. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: a. Als de voeropname in het koppel sterk gedaald is, kan hiermee rekening gehouden worden met de voersamenstelling (concentreren). b. Extra vitamines, zoals vitamine C in het drinkwater kunnen aangewezen zijn. c. Sprayen van bacteriedodende vloeistof: naast het gebruik van antibiotica kan het sprayen van veilige bacteriedodende middelen in de stal, zoals een chloorproduct (bijvoorbeeld halamid) of actief chloor in Neutral Electrolyced Water (NEW) en een permanente conditionering van het drinkwater met bacteriedodende middelen een bijdrage leveren aan een vermindering van de verspreiding van de bacterie in het koppel. d. Antibioticum behandeling (raadpleeg hiervoor uw dierenarts). Antibiotica kunnen ziekteverschijnselen (tijdelijk) onderdrukken, maar zullen uw koppel niet vrijmaken van de bacterie.
- Indien de ziekte optreedt bij dieren die een uitloop ter beschikking hebben, laat deze dieren dan minimaal voor een periode van 4 weken binnen. Overleg met de dierenarts over het schrijven van een verklaring van klinisch ziek zijn. Consulteer de dierenarts regelmatig met betrekking tot het herstel van de klinische verschijnselen. In verband met de aanwezigheid van dragers wordt geadviseerd de dieren, ook na de periode van klinisch ziek zijn, niet meer naar buiten te laten.
- Voorkom verdere verspreiding door het uitvoeren van de onderstaande preventieve maatregelen: Onderzoek andere op het bedrijf aanwezige koppels op de aanwezigheid van Avibacterium paragallinarum door middel van sectie en bacteriologie. Wissel geen bedrijfsmateriaal uit van het besmette bedrijf met andere collega's, bedrijven en/of andere locaties. Houd rekening met contacten met andere buurtbedrijven en bedrijfslocaties. Geen contacten tenzij men van kleding en schoeisel gewisseld is en gedoucht heeft. Laat geen auto's doorrijden tot aan de stal; blokkeer deze rijroutes. Een ieder dient zich eerst te melden bij het woonhuis. Nog strengere hygiënemaatregelen dienen genomen te worden om verspreiding vanuit de stal te voorkomen, dit geldt ook voor de pluimveehouder. Voor het betreden van de stal eigen kleding uit, minimaal de handen wassen en bedrijfskleding aantrekken. Bij het lopen over het bedrijfsterrein bedrijfsschoeisel dragen. In het hok specifiek stalschoeisel. Met dit schoeisel de stal niet verlaten; ook niet voor de controle van de silo’s. Laat pertinent geen bezoekers toe in de stal. Alleen bij uitzondering (dierenarts, verplichte controles, technicus bij storing en vang- en entploegen) is toegang aanvaardbaar nadat maatregelen zijn genomen met betrekking tot bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel. Voorkom versleep van Avibacterium paragallinarum naar nog niet-besmette stallen op het bedrijf door het nemen van extra hygiënische maatregelen: o laarzen en kleding per stal; o de besmette stal( -len) als laatste bezoeken; Houdt er rekening mee dat, ongeacht de behandeling of aanpak, de bacterie levenslang aanwezig blijft in eenmaal besmette koppels. Het opnieuw opflakkeren van de ziekte blijft bij deze koppels steeds mogelijk! Vervolgaanpak geconstateerde Coryzabesmetting op legbedrijven na afvoer van de dieren. Neem, als u dat al niet eerder had gedaan, contact met uw bedrijfsdierenarts (een door de KNMvD erkend pluimveedierenarts - dit wordt mogelijk op korte termijn een verplichting vanuit het PPE) om een plan van aanpak door te spreken. Het is wenselijk de stal na het ruimen van de dieren af te sluiten en gedurende 3 dagen niet te betreden. Op een éénleeftijdbedrijf kan de reiniging en desinfectie na deze periode op de standaard wijze uitgevoerd worden. Op een meerleeftijdenbedrijf is het goed mogelijk dat de bacterie ook aanwezig is in de andere stal(len). Op dit soort bedrijven kan het zeer moeilijk zijn om de bacterie kwijt te raken. Het nieuw te plaatsen koppel dient in de opfok tweemaal tegen Coryza gevaccineerd te zijn. Voor koppels die een reëel risico op besmetting lopen wordt geadviseerd deze te vaccineren. Het gaat hierbij, naast bovengenoemde situatie, om: gezonde opfokkoppels binnen besmet gebied (ter voorkoming van infectie en vervolgens versleping door overplaatsing) gezonde legkoppels met (toekomstige) uitloop binnen besmet gebied (ter voorkoming van infectie) gezonde koppels uit andere regio's die binnen een besmet gebied geplaatst worden. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van het vaccin wordt voorlopig de volgende prioritering aangehouden: Hoogste prioriteit: Opfok bestemd voor besmette bedrijven met meer leeftijden. Gevolgd door: Opfok bestemd voor uitloopbedrijven binnen de 3km gebieden. Het ruien van besmette koppels wordt sterk afgeraden, ook als de dieren geen tekenen van ziekte vertonen.