Aanwijzing bestuurlijke transactie milieudelicten Aanwijzing bestuurlijke transactie milieudelicten Achtergrond 1 Inleiding Een aspect van de handhaving van het milieurecht vormt de strafrechtelijke transactiebevoegdheid in handen van het bestuur onder toezicht van het OM (hierna: bestuurlijke transactie). Deze bevoegdheid is gebaseerd op art. 37 van de Wet op de economische delicten (WED). Dit artikel biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur lichamen en personen belast met een publieke taak (hierna: het bestuur) aan te wijzen en dezelfde (transactie)bevoegdheid te verlenen als aan de officier van justitie is verleend op basis van art. 74 Sr. Het bestuur dient de transactiebevoegdheid uit te oefenen binnen de in het Transactiebesluit milieudelicten van 8 juli 2000 (Stb. 2000, 320) bepaalde grenzen alsmede onder toezicht van en volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie (art. 37, lid 2 WED). Ook mag van het bestuur worden verwacht dat het bij de toepassing van de bestuurlijke transactiebevoegdheid gebruik maakt van het algemeen kader dat geldt binnen het OM (zie de Aanwijzing handhaving milieurecht). Deze bevoegdheid geldt vooralsnog voor een zestal pilots en voor een beperkte periode. De pilots betreft de arrondissementen: Leeuwarden, Zwolle, Den Bosch, Rotterdam, Middelburg en Haarlem. De bestuurlijke organisaties die aan de pilots deelnemen zijn: De directeur-generaal van Rijkswaterstaat en het dagelijks bestuur van het waterschap Friesland, de directeur van de Algemene Inspectiedienst, het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, de hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Veere en Vlissingen, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beverwijk, Castricum, Heemskerk en alsmede de directeur van de directie Douane van de Belastingdienst. De bestuurlijke transactie zal in het kader van de implementatie van de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330) worden omgezet naar een bestuurlijke strafbeschikking milieu. Al naar gelang de omstandigheden en afhankelijk van het feit of tegen overtreding van het desbetreffende milieudelict de bestuurlijke weg openstaat, kan het bestuur voortaan een keuze maken tussen toepassing van een bestuursrechtelijk (bijv. dwangsom of bestuursdwang) of een strafrechtelijk handhavingsinstrument of van beide instrumenten. Hierdoor is een gedifferentieerde aanpak van milieudelicten mogelijk. Het bestuur heeft, onverlet de bevoegdheden van het OM, voortaan de mogelijkheid zelf strafrechtelijk handhavend op te treden in situaties waarin dat met de bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen voorheen niet goed of niet mogelijk was. De transactiebevoegdheid aan het bestuurlijk bevoegd gezag op basis van art. 37 WED past in het streven naar een snelle afdoening van eenvoudige milieuovertredingen. Het feit dat het bestuur de bevoegdheid heeft een transactie aan te bieden ten aanzien van de delicten genoemd in het Transactiebesluit, impliceert niet dat het OM voor deze delicten geen transactie meer zal kunnen aanbieden. Daar waar het bestuur geen gebruik maakt van zijn transactiebevoegdheid kan het OM in beginsel zelf (al dan niet via de politie) een transactie aanbieden of een strafbeschikking uitvaardigen. Voor wat betreft de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van de in het besluit genoemde gemeenten bepaalt het Transactiebesluit milieudelicten in art. 12 dat zij voor specifieke feiten uit de bijlage niet meer beschikken over hun transactiebevoegdheid op grond van art. 74c Sr. Het Transactiebesluit milieudelicten staat er echter niet aan in de weg dat de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn strafbeschikkingsbevoegdheid gebruikt voor de zaken die hij bevoegd is op te sporen én die zijn genoemd in artikel 3.3 onder b van het Besluit OM-afdoening. Voor de toepassing van deze strafbeschikkingsbevoegdheid door buitengewoon opsporingsambtenaar gelden de aanwijzing OM-afdoening en de Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. 2 Praktijk buiten de bestuurlijke transactie milieudelicten 2.1 Politietransactie De overtredingen waarvoor afdoening door middel van een politietransactie, een politiestrafbeschikking of een bestuurlijke strafbeschikking1Zie voor het onderscheid tussen een politiestrafbeschikking en een bestuurlijke strafbeschikking de Aanwijzing OM-afdoening. 2De Wet OM-afdoening wordt per zaakstroom ingevoerd. Voorlopig zal daarom de transactie nog naast de strafbeschikking blijven bestaan. Als een zaak voldoet aan de in de Aanwijzing OM-afdoening opgenomen beleidsmatige criteria voor het uitvaardigen van een strafbeschikking, mag echter geen transactie worden aangeboden. is toegestaan, zijn limitatief vermeld in art. 3 van het Transactiebesluit 1994 juncto de bijlage bij dat besluit respectievelijk in artikel 3.3 onder b van het Besluit OM-afdoening juncto de bijlage bij dat besluit. Voorzover het gaat om milieu kan een transactie worden aangeboden of een strafbeschikking worden uitgevaardigd voor overtredingen van bepalingen uit hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer die betrekking hebben op afvalstoffen juncto de model-APV en de model-Afvalstoffenverordening, alsmede het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen. De overtredingen moeten op heterdaad zijn geconstateerd. Voor misdrijven op het terrein van het milieu kan de politie geen transactie aanbieden en ook geen strafbeschikking uitvaardigen. 2.2 Om-transactie In 1996 heeft het OM in alle arrondissementen een lik-op-stukbeleid met betrekking tot milieudelicten geïntroduceerd. Het OM hanteert zijn transactiebevoegdheid op grond van art. 74 Sr uitsluitend in zaken die het wettig en overtuigend bewezen acht en in de regel niet bij ernstige milieudelicten. Samenvatting Deze aanwijzing regelt de strafrechtelijke transactiebevoegdheid in handen van het bestuur onder toezicht van het OM. Opsporing 1 Buitengewone opsporingsambtenaren Om de transactiebevoegdheid te kunnen uitoefenen, moet het bestuur buitengewone opsporingsambtenaren tot zijn beschikking hebben die belast zijn met de opsporing van strafbare feiten en het opstellen van het proces-verbaal waarvoor het betrokken bestuursorgaan transactiebevoegdheid is toegekend (art. 6, derde lid, onder a Transactiebesluit milieudelicten). Slechts in bijzondere omstandigheden is het wenselijk dat het bestuur na overleg met de officier van justitie een beroep kan doen op een politieambtenaar voor het opstellen van het benodigde proces-verbaal (art. 6, derde lid, onder b, en vierde lid). 2 Opmaken proces-verbaal Het proces-verbaal dient te worden opgemaakt naar aanleiding van een concrete verdenking van een strafbaar feit. Het proces-verbaal kan de vorm hebben van een zogenaamde verkort proces-verbaal. Op basis hiervan wordt door het bestuur een transactie aangeboden. Men dient er te allen tijde rekening mee te houden dat indien de verdachte het transactieaanbod niet aanvaardt, een uitgebreid proces-verbaal moet worden opgemaakt. Hiervoor zijn de gegevens in het verkort proces-verbaal onvoldoende. Derhalve zullen de volledige gegevens, die mogelijk nodig zijn voor een uitgebreid proces-verbaal, op enigerlei wijze moeten worden vastgelegd. Een uitgebreid proces-verbaal dient ter verdere vervolging te worden ingezonden bij de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen de overtreding is begaan. Het feit dat het proces-verbaal bij voorkeur wordt opgemaakt door hiertoe speciaal opgeleide buitengewone opsporingsambtenaren moet voldoende garantie bieden voor de inhoudelijke kwaliteit ervan. 3 Beslag Ingevolge art. 18 WED zijn opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Vatbaar voor inbeslagneming zijn ingevolge art. 94 Sv alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoel in art. 36e Sv te ontnemen, alsmede alle voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. In het kader van het Transactiebesluit milieudelicten kan slechts tot inbeslagneming worden overgegaan indien het voorwerpen betreft waarvan de onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Dit laatste kan slechts indien deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang (art. 36c Sr). Art. 6 sub e van het Transactiebesluit sluit beslag in kader van verbeurdverklaring uit. Bovendien behoeft ingevolge art. 18, tweede lid WED de inbeslagneming ten behoeve van verbeurdverklaring de toestemming van de officier van justitie. Naast het transactiebedrag kan eveneens het vrijwillig afstand doen van het/de inbeslaggenomen voorwerp(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.