← Nederland

Mandaatbesluit BZK 2009

wet bestuursrecht; Mede gelet op de Comptabiliteitswet 2001 en het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996; Mede gelet op het Koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de

Artikel 3

.4 1 De Secretaris-generaal is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan. 2 De Secretaris-generaal kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris, ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de functionaris. 3 De Secretaris-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van deze paragraaf, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen

  1. Artikel 3.5 De Secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, na advies van de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving, de directeur Financieel-Economische Zaken en de directeur Personeel en Organisatie. Artikel 3.6 De Secretaris-generaal is bevoegd om de directeur-generaal Veiligheid, ten aanzien van aangelegenheden met betrekking tot het Korps Landelijke Politiediensten in de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Secretaris-generaal te laten treden. Artikel 3.7 1 Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de Secretaris-generaal wordt diens mandaat volledig uitgeoefend door de directeur-generaal, die bij schriftelijk besluit van de Secretaris-generaal in overeenstemming met de Minister is aangewezen als eerste plaatsvervanger. 2 Bij gelijktijdige tijdelijke afwezigheid of verhindering van de Secretaris-generaal en de eerste plaatsvervanger, als in het eerste lid bedoeld, wordt het mandaat van de Secretaris-generaal volledig uitgeoefend door de directeur-generaal die bij schriftelijk besluit van de Secretaris-generaal in overeenstemming met de Minister is aangewezen als tweede plaatsvervanger. 3 Bij gebreke van voornoemd besluit of bij afwezigheid van de aangewezen directeuren-generaal is een van de directeuren-generaal, met uitzondering van de directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst, naar anciënniteit van de benoeming in de functie van directeur-generaal, met de waarneming belast. Hoofdstuk 4 Diensthoofden Paragraaf 1 Mandaat diensthoofden Artikel 4.1 Aan het diensthoofd wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van het diensthoofd en die, onverminderd dit besluit, redelijkerwijs niet behoren te worden voorgelegd aan een hoger bevoegd gezag. Artikel 4.2 Onverminderd dit besluit, heeft het mandaat van het diensthoofd in ieder geval betrekking op: a. het werkterrein van het diensthoofd en de onder het diensthoofd ressorterende functionarissen en dienstonderdelen en het uitoefenen van integraal management dienaangaande met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied; b. het vaststellen van de formatie van de onder het diensthoofd ressorterende dienstonderdelen; c. het leiding geven aan de rechtstreeks onder het diensthoofd ressorterende functionarissen; d. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van de onder het diensthoofd ressorterende dienstonderdelen, voor zover niet een onder het diensthoofd ressorterende functionaris als zodanig optreedt; e. het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken, onverminderd artikel 4.3; f. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd; g. het beheer van de archiefbescheiden van de onder het diensthoofd ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving; h. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren die worden aangesteld bij een onder het diensthoofd ressorterend dienstonderdeel; i. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein, met uitzondering van die besluiten die door de Minister, de Secretaris-generaal of het diensthoofd zijn genomen, onverminderd artikel 4.3 en voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald. Paragraaf 2 Bijzonder mandaat diensthoofden Artikel 4.3 1 Het mandaat van het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst omvat tevens de bevoegdheid om te besluiten op aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
  2. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op bezwaarschriften dienaangaande. Artikel 4.4 Het mandaat van de directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties omvat tevens: a. de leiding van het overleg met de centrales van overheidspersoneel en de overheidswerkgevers of verenigingen van overheidswerkgevers, bedoeld in de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid; b. de bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften tegen namens de Minister genomen besluiten met betrekking tot de uitvoering van de begroting voor Koninkrijksrelaties, met uitzondering van besluiten die door de Minister, de Secretaris-generaal of de directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties zijn genomen. Artikel 4.5 Het mandaat van de directeur-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk omvat tevens de leiding van het overleg met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, genoemd in het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Artikel 4.6 Het mandaat van de directeur-generaal Veiligheid omvat tevens: a. de leiding van het overleg met de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, genoemd in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994; b. de leiding van het overleg met de Commissie Korps landelijke politiediensten, genoemd in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, in de hoedanigheid van gemandateerd korpsbeheerder. Artikel 4.7 Ten aanzien van het mandaat van de directeur-generaal Veiligheid met betrekking tot het beheer van het Korps Landelijke Politiediensten geldt het volgende: a. artikel 4.9 van dit besluit is niet van toepassing; b. artikel 6.2, eerste en tweede lid, zijn slechts van toepassing op voornoemde dienstonderdelen voor zover dit door de directeur-generaal Veiligheid of de korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten is bepaald. Artikel 4.8 1 Het mandaat om te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten met betrekking tot een personele aangelegenheid wordt uitgeoefend door de hoofddirecteur Dienst Concernstaf en Bedrijfsvoering voor zover ten aanzien van het Korps Landelijke politiediensten niet anders is bepaald. 2 Het mandaat om de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures met betrekking tot een personele aangelegenheid te vertegenwoordigen wordt uitgeoefend door de hoofddirecteur Concernstaf en Bedrijfsvoering, voor zover ten aanzien van het Korps landelijke politiediensten niet anders is bepaald. Paragraaf 3 Beperkingen mandaat diensthoofden Artikel 4.9 Het mandaat van het diensthoofd is niet van toepassing op het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot: a. de onderdeeloverstijgende kaders van het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het Ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; b. het nader vaststellen van de inrichting van de onder de diensthoofden ressorterende dienstonderdelen op basis van het Organisatiebesluit BZK 2009; c. aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld; d. het vertegenwoordigen van de Minister in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement; e. personele beheersbeslissingen op grond van het Beheersbesluit KABGNA/KABGA 1998 ten aanzien van de directeuren van de Kabinetten van de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en Aruba; f. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van de departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur; g. het optreden als bevoegd gezag als bedoeld in de Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand; h. het verlenen van ontslag aan een ambtenaar op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet; i. het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel; j. het toekennen van vergoeding van representatiekosten op grond van het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel. Artikel 4.10 1 Het mandaat van het diensthoofd met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan het diensthoofd ter beschikking is gesteld op basis van een door de Secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor het diensthoofd verantwoordelijk is. 2 Het diensthoofd is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat is verleend door de Minister of de Secretaris-generaal, met instemming van de directeur Financieel-Economische Zaken. Paragraaf 4

Artikel 4

.11 1 Het diensthoofd is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan. 2 Het diensthoofd kan bij toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, afwijken van hetgeen in dit besluit is bepaald over het mandaat van de directeur, met uitzondering van artikel 5.

  1. 3 Het diensthoofd is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van het bepaalde in het eerste en tweede lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen
  2. Het diensthoofd kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris, ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de functionaris. Artikel 4.12 Het diensthoofd verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met de Secretaris-generaal en na advies van de directeur Financieel-Economische Zaken en de directeur Personeel en Organisatie. Artikel 4.13 1 Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van het diensthoofd wordt diens mandaat volledig uitgeoefend door het plaatsvervangend diensthoofd. 2 De aanwijzing van een plaatsvervangend diensthoofd geschiedt door het diensthoofd met inachtneming van het Organisatiebesluit BZK 2009 en in overeenstemming met de Secretaris-generaal. 3 Bij gelijktijdige tijdelijke afwezigheid of verhindering van het diensthoofd en het plaatsvervangend diensthoofd wordt het mandaat van het diensthoofd bij wijze van waarneming volledig uitgeoefend door de functionaris die daartoe door het diensthoofd in overeenstemming met de Secretaris-generaal is aangewezen. Hoofdstuk 5 Directeuren Paragraaf 1 Mandaat directeuren Artikel 5.1 Aan de directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de directeur en die, onverminderd dit besluit, redelijkerwijs niet behoren te worden voorgelegd aan een hoger bevoegd gezag. Artikel 5.2 Onverminderd dit besluit, heeft het mandaat van de directeur in ieder geval betrekking op: a. het werkterrein van de directeur en de onder de directeur ressorterende functionarissen en dienstonderdelen en het uitoefenen van integraal management dienaangaande met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied; b. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de directeur ressorterende functionarissen; c. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van het desbetreffende dienstonderdeel, voor zover het diensthoofd niet als zodanig optreedt; d. het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken; e. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren bij het dienstonderdeel waarover de directeur de leiding voert voor zover het een buitendienst, agentschap of baten-lastendienst betreft. Paragraaf 2 Bijzonder mandaat directeuren Artikel 5.3 De directeur Bedrijfsvoering is met inachtneming van dit besluit bevoegd om stukken af te doen en te ondertekenen met betrekking tot het aangaan van (raam)overeenkomsten inzake departementale inkoop voor bewaking en beveiliging, bedrijfshulpverlening, schoonmaak, vervoer, groenvoorziening, catering en informatie- en communicatietechnologie. Artikel 5.4 De directeur Financieel-Economische Zaken is bevoegd: a. tot het af doen en ondertekenen van stukken in verband met de uitvoering van artikel 21 van de Comptabiliteitswet 2001 en het Besluit taak FEZ; b. tot het geven van instructies aan de onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de financiële bedrijfsvoering en control; c. tot het inhoudelijk aansturen van onderdelen die zijn betrokken bij het bewaken van en adviseren over de uitvoering van de bedrijfsvoering in brede zin; d. tot het met inachtneming van dit besluit tekenen en afdoen van stukken met betrekking tot het werkterrein van de Coördinerend Directeur Inkoop. Artikel 5.5 De directeur Personeel en Organisatie is met inachtneming van dit besluit bevoegd: a. tot het ondertekenen van procedurele stukken in het kader van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten van of namens de Minister met betrekking tot een personele aangelegenheid; b. tot het inschakelen van de landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het Ministerie inzake rechtspositionele vraagstukken; c. tot het namens de Secretaris-generaal ondertekenen van stukken aan de Groepsondernemingsraad onderscheidenlijk de centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement; d. tot het ondertekenen van brieven met betrekking tot het voeren van de salarisadministratie bij de directie; e. tot het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot het aangaan van raamovereenkomsten inzake organisatie-advisering, opleiding, scholing, training en assessments bij het Ministerie, en overeenkomsten inzake departementale vervoersregelingen, arbeidsomstandigheden, bedrijfsmaatschappelijk werk en kinderopvang; f. tot het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot de vergoeding van representatiekosten op grond van het Besluit representatiekosten rijkspersoneel. Artikel 5.6 De directeur Communicatie en Informatie is met inachtneming van dit besluit bevoegd om stukken af te doen en te ondertekenen met betrekking tot het aangaan van raamovereenkomsten inzake de inzet van media ten behoeve van departementale voorlichting en communicatie. Paragraaf 3 Beperkingen mandaat directeuren Artikel 5.7 1 Het mandaat van de directeur is niet van toepassing op het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot: a. personele aangelegenheden ten aanzien van rechtstreeks onder het diensthoofd ressorterende functionarissen; b. het aanstellen van een ambtenaar; c. het verlenen van een gratificatie bij ambtsjubileum; d. het opleggen van een disciplinaire straf; e. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt; f. het verlenen van ontslag aan een ambtenaar; g. het aanwijzen van een ambtenaar als herplaatsingskandidaat; h. het aanwijzen van een groep functies als bedoeld in het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012; i. het vaststellen van beleidsregels en circulaires ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd, tenzij deze bevoegdheid in hogere regelgeving aan de desbetreffende functionaris is toegekend; j. het besluiten tot een reorganisatie; k. het toekennen van materiële schadevergoeding vanaf € 2.500,– of immateriële schadevergoeding; l. het vaststellen van de formatie van onder het diensthoofd ressorterende dienstonderdelen; m. het beslissen op bezwaarschriften; n. de onderwerpen genoemd in artikel 4.
  3. 2 De beperkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met f, gelden niet voor het mandaat van de directeur die leiding geeft aan een baten-lastendienst of agentschap, aan de Projectdirectie Nieuwbouw Justitie & BZK, het gemeenschappelijk secretariaat van de Raad voor het openbaar bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen en het secretariaat voor de Kiesraad. Artikel 5.8 1 Het mandaat van de directeur met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan de directeur ter beschikking is gesteld op basis van een door het diensthoofd en de DG-Controller goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor de directeur verantwoordelijk is. 2 De directeur is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat is verleend door de Minister, de Secretaris-generaal of het diensthoofd, met instemming van de DG-Controller en binnen het vastgestelde budget dat aan het diensthoofd ter beschikking is gesteld. Paragraaf 4

Artikel 5

.9 1 De directeur is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan. 2 De directeur kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de functionaris. 3 De directeur is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast het bepaalde in het eerste en tweede lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen

  1. Artikel 5.10 1 De directeur verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met het diensthoofd en met kennisgeving aan de directeur Personeel en Organisatie en de directeur Financieel-Economische Zaken. 2 De door de directeur gemandateerde, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met de directeur en met kennisgeving aan de directeur Personeel en Organisatie en aan de directeur Financieel-Economische Zaken. Artikel 5.11 De rechtstreeks onder de directeur ressorterende leidinggevenden zijn, voor zover door de directeur met toepassing van artikel 5.9, eerste lid, niet anders is bepaald, ten aanzien van de onder hen ressorterende functionarissen bevoegd tot: a. het vaststellen van het wekelijkse werkrooster; b. het verlenen van vakantieverlof; c. het verlenen van buitengewoon verlof van korte duur; d. het accorderen van binnenlandse dienstreizen en daarbij gebruikte vervoermiddel; e. het voeren respectievelijk de verslaglegging van het gesprek, bedoeld in artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Artikel 5.12 1 Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de directeur wordt diens mandaat volledig uitgeoefend door de plaatsvervangend directeur. 2 De aanwijzing van een plaatsvervangend directeur geschiedt door de directeur met inachtneming van het Organisatiebesluit BZK 2009 en in overeenstemming met het diensthoofd. 3 Bij gelijktijdige tijdelijke afwezigheid of verhindering van de directeur en de plaatsvervangend directeur wordt het mandaat van de directeur bij wijze van waarneming volledig uitgeoefend door de functionaris die daartoe door de directeur in overeenstemming met het diensthoofd is aangewezen. Hoofdstuk 6 Algemene bepalingen inzake mandaat Artikel 6.1 De uitoefening van een mandaat, geschiedt met inachtneming van: a. algemene en bijzondere aanwijzingen van hiërarchisch hoger geplaatsten ten aanzien van de uitoefening van het mandaat; b. departementale richtlijnen met betrekking tot paraaf en medeparaaf en het voorleggen en afdoen van stukken; c. de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overige departementale richtlijnen, in het bijzonder de Comptabiliteitswet 2001, de Wet op de ondernemingsraden, het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, het Besluit taak FEZ, het departementale kader voor externe inhuur, het Organisatiebesluit BZK 2009 en (de richtlijnen inzake) administratieve organisatiebeschrijvingen. Artikel 6.2 1 De uitoefening van een mandaat, geschiedt binnen de door de Secretaris-generaal vastgestelde kaders met betrekking tot het beleid en beheer inzake de bedrijfsvoering van het Ministerie. 2 De uitoefening van een mandaat, geschiedt met inachtneming van de departementale procedures en richtlijnen. 3 Afwijking van het eerste lid ten aanzien van een onder het diensthoofd ressorterend dienstonderdeel is slechts mogelijk in overeenstemming met de Secretaris-generaal, de directeur Financieel-Economische Zaken en de directeur van het dienstonderdeel binnen de Dienst Concernstaf en Bedrijfsvoering die het aangaat en wordt schriftelijk vastgelegd. Artikel 6.3 1 De gemandateerde is verantwoordelijk voor het bijhouden van een of meer doelmatig ingerichte administraties die inzicht bieden in het door en namens de gemandateerde gevoerde financiële beheer en beheer van niet-geldelijke zaken op grond van diens mandaat. 2 De directeur Financieel-Economische Zaken en de directeur Rijks Auditdienst zijn bevoegd om de administraties, bedoeld in het eerste lid, te onderzoeken ten behoeve van de uitvoering van taken behorende tot hun werkterrein. Artikel 6.4 1 Ondertekening van besluiten en stukken op grond van mandaat vindt plaats op de volgende wijze: De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor deze, (aanduiding functie gemandateerde), (handtekening) (naam) 2 Ondertekening van personele besluiten van de directeur en de door of namens de directeur gemandateerde, bedoeld in artikel 5.9, eerste, respectievelijk tweede lid, vindt plaats op de volgende wijze: De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor deze, (aanduiding diensthoofd) voor deze, (aanduiding functie gemandateerde), (handtekening) (naam) 3 Het tweede lid is niet van toepassing voor de directeur van een baten-lastendienst of agentschap en de door of namens deze directeur gemandateerde, bedoeld in artikel 5.9, eerste, respectievelijk tweede lid. 4 Bij ondertekening van besluiten en stukken op grond van volmacht wordt de aanduiding van de Minister voorafgegaan door: Namens de Staat der Nederlanden. 5 Bij ondertekening van besluiten en stukken door een plaatsvervanger of waarnemer wordt de handtekening voorafgegaan door: b/a. Artikel 6.5 In gevallen waarin dit besluit niet voorziet, beslist de Minister, de Secretaris-generaal of het diensthoofd over de doorverlening van zijn mandaat. Hoofdstuk 7 Beheer Artikel 7.1 1 De directeur Personeel en Organisatie is belast met het beheer van dit besluit. 2 De Secretaris-generaal, de diensthoofden, de directeuren, ieder voor zover het hem aangaat, zijn verantwoordelijk voor een juiste, volledige en tijdige aanlevering aan de directeur Personeel en Organisatie van de gegevens die een goed beheer van dit besluit onderscheidenlijk het mandaatregister mogelijk maken. 3 Het beheer en de aanlevering van gegevens geschieden met inachtneming van de desbetreffende (richtlijnen inzake) administratieve organisatiebeschrijvingen. 4 De directeur Personeel en Organisatie rapporteert aan de Minister en de Secretaris-generaal over het beheer van dit besluit en het centrale mandaatregister. Artikel 7.2 1 De directeur Personeel en Organisatie draagt zorg voor de inrichting en het beheer van een centraal mandaatregister. 2 Het register biedt inzicht in: a. de functies en namen van functionarissen aan wie door of namens de Minister (onder)mandaat is (door)verleend, met aanduiding van de verleende bevoegdheid; b. de functies en namen van functionarissen die de Minister vertegenwoordigen in een (bestuurs)orgaan van een rechtspersoon anders dan de Staat, met aanduiding van het (bestuurs)orgaan en de rechtspersoon. 3 Het register is openbaar. 4 De directeur Personeel en Organisatie draagt zorg voor de gegevensverstrekking uit het register. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden pleegt hij zo nodig overleg met de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving en de directeur Communicatie en Informatie. Artikel 7.3 1 In afwijking van artikel 7.2, tweede lid, worden gegevens met betrekking tot de verlening van ondermandaat aan functionarissen in de rang van directeur en daaronder ressorterende functionarissen bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgenomen in een door het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst bijgehouden mandaatregister. 2 Het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan in overeenstemming met de Secretaris-generaal nadere regels stellen ten aanzien van het register, bedoeld in het eerste lid. Artikel 7.4 Wijziging van dit besluit geschiedt op initiatief van de directeur Personeel en Organisatie na advies van de directeur Financieel-Economische Zaken en de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 8.1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin dit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart
  2. Artikel 8.2 Het Mandaatbesluit BZK 2008 wordt ingetrokken. Artikel 8.3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit BZK
  3. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E.M.H.Hirsch Ballin

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.