Rijkswet van 7 juli 2010, houdende regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie) Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van de landen van het Koninkrijk en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door inrichting van één rechterlijke organisatie voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk en dat de regeringen van de landen van het Koninkrijk en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene maatregel van rijksbestuur: algemene maatregel van rijksbestuur in de zin van artikel 38, tweede lid, van het Statuut; b. bestuur van het Hof: bestuur als bedoeld in artikel 40, eerste lid; c. hofvergadering: hofvergadering als bedoeld in artikel 16, eerste lid; d. Beheerraad: Beheerraad als bedoeld in artikel 50, eerste lid; e. Hof : Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in artikel 15, eerste lid; f. Gerechten in eerste aanleg: Gerecht in eerste aanleg van Aruba, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten of Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; g. gerechtsambtenaren: personen op basis van een aanstelling werkzaam bij het Hof, niet met rechtspraak belast en niet zijnde rechterlijke ambtenaar in opleiding, directeur bedrijfsvoering of buitengriffier; h. Hoge Raad: Hoge Raad der Nederlanden; i. landen: Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, voor zover betrekking hebbende op Bonaire, Sint Eustatius en Saba; j. Onze Ministers: Onze Minister van Justitie van Aruba, Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van Justitie van Nederland; k. rechter: lid of plaatsvervangend lid van het Hof of rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg; l. Statuut: Statuut voor het Koninkrijk. Artikel 2 1 De tot de rechterlijke macht in de landen behorende gerechten zijn: a. de Gerechten in eerste aanleg; b. het Hof. 2 Elke tussenkomst in rechtszaken is verboden. Artikel 3 Er wordt in de landen recht gesproken in naam van de Koning. Artikel 4 1 Aan de rechterlijke macht is opgedragen: a. de berechting van geschillen over burgerlijke zaken; b. de berechting van strafbare feiten. 2 Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van geschillen over bestuursrechtelijke zaken, tenzij bij landsverordening of wet de kennisneming van bestuursrechtelijke zaken is opgedragen aan bijzondere rechtscolleges waarin mede een of meer leden van het Hof zitting hebben. Artikel 5 1 Tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald zijn de zittingen, op straffe van nietigheid, openbaar. 2 Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld. 3 Op straffe van nietigheid worden uitspraken in het openbaar gedaan en bevatten zij de gronden waarop zij steunen. 4 Op straffe van nietigheid worden uitspraken gedaan met het bij landsverordening of wet bepaalde aantal rechters. 5 Indien bij landsverordening of wet is bepaald dat ook anderen dan rechters deelnemen aan meervoudige rechtspraak, zijn de beslissingen van de desbetreffende rechterlijke instantie nietig, indien deze beslissingen niet zijn genomen met het in die landsverordening of wet bepaalde aantal personen, niet zijnde rechter. Artikel 6 Geen rechter of rechterlijke ambtenaar in opleiding mag zich op enige wijze inlaten met partijen, haar advocaten of gemachtigden, leden van het openbaar ministerie en verdachten, over voor hem aanhangige zaken of zaken waarvan hij weet of vermoedt dat zij voor hem aanhangig zullen worden. Artikel 6b Rechters, rechterlijke ambtenaren in opleiding, gerechtsambtenaren, buitengriffiers en de directeur bedrijfsvoering zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Artikel 7 Het Hof, de Gerechten in eerste aanleg en rechterlijke colleges in Nederland zijn onderling verplicht gevolg te geven aan verzoeken om rechtshulp. Artikel 8 De leden en plaatsvervangend leden van het Hof en de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg zijn met rechtspraak belast. Artikel 9 Het Hof en de Gerechten in eerste aanleg doen uitspraak in het Nederlands. Overigens zijn de voertalen bij het Hof en de Gerechten in eerste aanleg Engels, Nederlands en Papiaments. Hoofdstuk 2 Inrichting en taakverdeling § 1 De Gerechten in eerste aanleg Artikel 10 1 Er is een Gerecht in eerste aanleg van Aruba, een Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, een Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en een Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2 Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten is gevestigd in en houdt zitting op Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten. Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba houdt zitting op elk van deze eilanden. 3 Het bestuur van het Hof kan in bijzondere gevallen bepalen dat in afwijking van het tweede lid de onderscheiden Gerechten in eerste aanleg zitting houden in één van de andere landen. 4 Als rechter in eerste aanleg treden op de leden en plaatsvervangend leden van het Hof, alsmede de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg. Zij zijn bevoegd als zodanig op te treden in alle Gerechten in eerste aanleg. Artikel 11 1 De Gerechten in eerste aanleg nemen, behoudens hoger beroep, kennis van alle burgerlijke zaken en alle strafzaken waarvan de kennisneming in eerste aanleg niet bij wet of landsverordening aan het Hof is opgedragen. 2 De Gerechten in eerste aanleg nemen in strafzaken ook kennis van de vordering tot vergoeding van de kosten en schade ten behoeve van de benadeelde partij. 3 De Gerechten in eerste aanleg nemen, behoudens hoger beroep, kennis van alle bestuursrechtelijke zaken, tenzij kennisneming daarvan bij landsverordening of wet aan een bijzonder rechtscollege als bedoeld in artikel 4, tweede lid, of aan het Hof is opgedragen. 4 Bij landsverordening of wet kan worden bepaald dat één of meer anderen dan rechters mede zitting hebben in de Gerechten in eerste aanleg. Artikel 12 1 De Gerechten in eerste aanleg behandelen en beslissen zaken in enkelvoudige kamer, tenzij bij landsverordening of wet behandeling door een meervoudige kamer is voorgeschreven. 2 De meervoudige kamer bestaat, tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald, uit drie rechters van wie een als voorzitter optreedt. Indien ook anderen dan rechters deel uitmaken van een meervoudige kamer, treedt een rechter op als voorzitter. 3 De rechterlijke werkzaamheden worden door het bestuur van het Hof verdeeld onder de leden en de plaatsvervangende leden en de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg. 4 Degene die een functie vervult waardoor afbreuk zou kunnen worden gedaan aan zijn onpartijdigheid in een bepaalde zaak, werkt niet als rechter mee aan de beslissing in die zaak. 5 Het bestuur van het Hof kan bepalen dat in een zaak een of meer rechters zich met het oog op mogelijke vervanging gereed houden in het belang van het onderzoek dan wel indien de zitting langer dan een dag zal duren. Deze rechters zijn bij de behandeling van die zaak aanwezig, maar nemen aan het onderzoek in en de beraadslaging en beslissing over die zaak niet deel, tenzij zij op verzoek van het bestuur in de plaats treden van de te vervangen rechter. Artikel 13 1 Indien besluitvorming in meervoudige kamer plaatsvindt, dan doet de voorzitter van die kamer in raadkamer hoofdelijk omvraag. De voorzitter geeft als laatste zijn oordeel. 2 Ieder lid van de meervoudige kamer is verplicht aan de besluitvorming in raadkamer deel te nemen. 3 Rechters, gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding, buitengriffiers en anderen als bedoeld in artikel 11, vierde lid, in raadkamer aanwezig, zijn tot geheimhouding verplicht van gevoelens die in de raadkamer zijn geuit. Artikel 14 1 Partijen kunnen in geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan de beslissing opdragen aan een Gerecht in eerste aanleg naar keuze van partijen. 2 Het Gerecht in eerste aanleg is verplicht aan die opdracht te voldoen. 3 Partijen kunnen in geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan afstand doen van het recht om van de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg hoger beroep in te stellen. § 2 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie Artikel 15 1 Er is een Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2 Het Hof bezit rechtspersoonlijkheid. De Gerechten in eerste aanleg behoren tot de rechtspersoon Hof. 3 Het Hof zetelt in elk van de landen. Het Hof houdt zitting in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Hof kan zitting houden op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 16 1 De leden van het Hof vormen tezamen de hofvergadering. 2 De president is voorzitter van de hofvergadering. 3 Derden kunnen op uitnodiging van de hofvergadering deelnemen aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht. Artikel 17 1 Het Hof oordeelt in hoger beroep over daarvoor vatbare uitspraken van de Gerechten in eerste aanleg van de landen. 2 Het Hof treedt op als rechter in eerste aanleg in de gevallen bij landsverordening of wet bepaald. 3 Het Hof of de leden vervullen voorts de hun bij landsverordening of wet opgedragen taken. 4 Op straffe van nietigheid nemen de rechters die in eerste aanleg van een zaak kennis hebben genomen niet deel aan de behandeling van die zaak door het Hof. 5 De rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg zijn niet bevoegd in het Hof. Artikel 18 1 Het Hof behandelt en beslist zaken in meervoudige kamer, tenzij bij landsverordening of wet behandeling in enkelvoudige kamer is toegestaan. 2 Artikel 12, tweede, vierde en vijfde lid, en artikel 13 zijn van toepassing. 3 Artikel 11, vierde lid, en artikel 12, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 19 Het Hof houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten. Artikel 20 Het Hof neemt kennis van alle jurisdictiegeschillen, die bij of tussen de Gerechten in eerste aanleg zijn ontstaan. Artikel 21 Partijen kunnen in geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan de beslissing bij prorogatie ter kennis brengen van het Hof. § 3 De griffie Artikel 22 1 Het bestuur van het Hof en de Beheerraad dragen zorg voor de inrichting van een griffie ten behoeve van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg. De griffie heeft een vestiging in elk van de landen met aan het hoofd daarvan een vestigingsgriffier. 2 Stukken en zaken ten behoeve van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg kunnen worden ingediend bij alle vestigingen van de griffie, tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald. 3 Het bestuur van het Hof stelt de vestigingsgriffiers in de gelegenheid de belangen van hun vestiging te behartigen. Het bestuur nodigt hen daartoe uit voor de vergaderingen van het bestuur, behoudens in gevallen waarin het bestuur hun aanwezigheid niet dienstig acht. 4 Een daartoe door het bestuur van het Hof aangewezen lid van het bestuur voert regelmatig overleg met de vestigingsgriffiers. 5 De daartoe door het bestuur van het Hof aangewezen gerechtsambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding verrichten de werkzaamheden die bij of krachtens landsverordening of wet aan de griffier zijn opgedragen. 6 Het bestuur van het Hof kan buitengriffiers oproepen voor het verrichten van werkzaamheden die bij of krachtens landsverordening of wet aan de griffier zijn opgedragen. Alvorens voor de eerste keer te worden opgeroepen leggen zij ten overstaan van de president van het Hof of diens plaatsvervanger de in artikel 28 bedoelde eed of belofte af. 7 Indien een gerechtsambtenaar, rechterlijk ambtenaar in opleiding of buitengriffier werkzaamheden die bij of krachtens landsverordening of wet aan de griffier zijn opgedragen verricht ter ondersteuning van een rechter, is hij verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van deze. Hoofdstuk 3 De rechtspositie van rechters Artikel 23 1 De leden en plaatsvervangend leden van het Hof worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd bij het Hof. De voordracht vindt plaats op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk. 2 Wanneer een functie van lid of plaatsvervangend lid van het Hof moet worden vervuld, zendt het bestuur van het Hof een bij meerderheid van stemmen door de hofvergadering opgemaakte schriftelijke aanbeveling aan Onze Ministers. Indien de aanbeveling ziet op de functie van lid, bevat zij de namen van zo mogelijk drie kandidaten. 3 Onze Ministers nemen bij het doen van hun voorstel voor benoeming van een lid of plaatsvervangend lid de aanbeveling van het Hof zoveel mogelijk in acht. 4 Indien Onze Ministers voornemens zijn af te wijken van de aanbeveling van het Hof, winnen zij daaromtrent het gevoelen van het Hof in. Het gevoelen van het Hof en de aanbeveling van het Hof worden bij het voorstel van Onze Ministers gevoegd. Zij motiveren waarom zij zijn afgeweken van de aanbeveling van het Hof. Artikel 24 1 Tot lid of plaatsvervangend lid van het Hof kan worden benoemd degene: a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend; b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. 2 Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen graden verleend door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. 3 Tot lid of plaatsvervangend lid van het Hof kunnen alleen Nederlanders worden benoemd. Artikel 25 1 De rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd bij het Hof. De voordracht vindt plaats op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk. Aan het voorstel van Onze Ministers ligt een voorstel ten grondslag van het bestuur van het Hof met instemming van de hofvergadering. 2 Artikel 24, derde lid is van overeenkomstige toepassing. 3 Bij voorkeur worden alleen rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg benoemd die voldoen aan de vereisten van artikel 24, eerste en tweede lid. Indien het Hof een voorstel voor benoeming van een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg doet die niet voldoet aan deze vereisten, dan motiveert het Hof waarom betrokkene toch geschikt is voor benoeming. Artikel 26 1 Een lid van het Hof kan niet tevens zijn: a. Gouverneur; b. minister of staatssecretaris; c. lid van de vertegenwoordigende lichamen van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, van de Staten-Generaal of van een eilandsraad; d. rijksvertegenwoordiger, gezaghebber of eilandsgedeputeerde; e. lid van de Beheerraad; f. lid van de Raad van Advies van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of van de Raad van State van het Koninkrijk; g. lid van de Algemene of Nationale Rekenkamer van een land; h. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman, i. ambtenaar bij een ministerie of een eiland, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven; j. advocaat, notaris of andere beroepsmatige rechtshulpverlener. 2 Het eerste lid is van toepassing op plaatsvervangend leden van het Hof en rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg met uitzondering van de onderdelen i en j en onderdeel f voor zover het betreft het lidmaatschap van de Raad van State van het Koninkrijk. 3 Een rechter geeft het bestuur van het Hof kennis van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het aangaan van de betrekking. 4 Het bestuur van het Hof houdt een register bij waarin de in het derde lid bedoelde betrekkingen zijn opgenomen. Het register ligt ter inzage bij het Hof en de gerechten in eerste aanleg. Artikel 27 1 Echtgenoten, bloedverwanten of aanverwanten tot in de derde graad mogen niet tegelijkertijd rechter zijn. 2 Indien rechters met elkaar huwen, zal de jongstbenoemde geen rechter kunnen blijven. 3 Indien de aanverwantschap ontstaat na de benoeming, zal degene die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden, tenzij bij koninklijk besluit ontheffing is verleend. 4 Het aanverwantschap houdt op te bestaan door ontbinding van het huwelijk dat het veroorzaakte. 5 Degene die ingevolge het tweede en derde lid zijn ambt niet kan behouden, dient zijn ontslag in. 6 Het bestuur van het Hof draagt er zorg voor dat aanverwanten aan wie ontheffing is verleend als bedoeld in het derde lid, niet worden belast met de behandeling van dezelfde zaak. Artikel 28 1 Een rechter legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals vastgesteld in de bijlage bij deze rijkswet. 2 De eedsaflegging van de rechters geschiedt ten overstaan van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of een door één van hen aangewezen ambtenaar. Artikel 29 1 Een rechter wordt door de Hoge Raad geschorst indien hij: a. zich in voorlopige hechtenis bevindt; b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; c. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld. 2 Een rechter kan door de Hoge Raad worden geschorst indien: a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld; b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van artikel 30, eerste of tweede lid, of artikel 31 zouden kunnen leiden. 3 De schorsing, bedoeld in de voorgaande leden, eindigt na drie maanden. De Hoge Raad kan de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen. 4 De Hoge Raad beëindigt de schorsing zodra de grond voor deze maatregel is vervallen. 5 De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechter wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing geen inkomsten uit deze dienstbetrekking zullen worden genoten of slechts een daarbij te bepalen gedeelte van deze inkomsten zal worden genoten. 6 Indien de schorsing anders dan door ontslag eindigt, kan de Hoge Raad beslissen dat het niet genoten salaris geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte alsnog zal worden uitbetaald. Artikel 30 1 Een rechter wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. 2 Een lid van het Hof wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt bij koninklijk besluit ontslagen. 3 Een rechter wordt door de Hoge Raad ontslagen: a. indien hij een ambt of betrekking aanvaardt die onderscheidenlijk dat volgens deze rijkswet onverenigbaar is met het door hem beklede ambt; b. indien hij het Nederlanderschap verliest; c. bij gebleken ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan wegens ziekte. Artikel 31 1 Een rechter kan, wanneer hij wegens ziekte blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen, door de Hoge Raad worden ontslagen. 2 In afwijking van het eerste lid kan het ontslag, indien de bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgestelde voorwaarden zijn vervuld en de betrokken rechter daarom verzoekt, worden verleend bij koninklijk besluit. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid verleend ontslag. Artikel 32 Een rechter kan door de Hoge Raad worden ontslagen: a. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld; c. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of aan het in haar te stellen vertrouwen; d. na eerder wegens gelijke overtreding te zijn gewaarschuwd, de bepalingen overtreedt waarbij hem: 1°. een woonplaats wordt aangewezen; 2°. verboden wordt zich in enig onderhoud of gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden, of enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen; 3°. de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren; 4°. de verplichting wordt opgelegd zijn ontslag in te dienen op grond van artikel 27, vijfde lid. Artikel 33 1 De Hoge Raad neemt de in dit hoofdstuk bedoelde beslissingen op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over beëindiging van de schorsing, bedoeld in artikel 29, vierde lid, beslist de Hoge Raad op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad dan wel op verzoek van de betrokken rechter. 2 De procureurs-generaal van de landen verstrekken op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad stukken die betrekking hebben op de vervolging of veroordeling van een rechter. 3 De vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad geschiedt ambtshalve dan wel naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de president van het Hof. 4 De procureur-generaal bij de Hoge Raad vordert het ontslag of de schorsing niet dan nadat hij de betrokken rechter in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen. Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechter en de procureur-generaal wordt ondertekend. Weigert de rechter het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de betrokken rechter wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. 5 Op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan de mondelinge zienswijze, bedoeld in het vierde lid naar voren worden gebracht ten overstaan van de president van het Hof of de procureur-generaal van een van de landen. De tweede, derde en vierde volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Degene ten overstaan van wie de zienswijze naar voren is gebracht zendt het proces-verbaal zo spoedig mogelijk aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 6 De vordering wordt door de procureur-generaal bij de Hoge Raad schriftelijk en gemotiveerd ingesteld. Bij de vordering wordt in elk geval de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, gevoegd. Artikel 34 1 Het onderzoek door de Hoge Raad geschiedt in raadkamer. 2 De Hoge Raad zendt een afschrift van de ingestelde vordering en de daarbij gevoegde stukken aan de betrokken rechter. 3 De Hoge Raad kan, hetzij op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad of van de betrokken rechter, hetzij ambtshalve getuigen horen en een bericht of een verhoor van deskundigen bevelen. De Hoge Raad hoort het betrokken lid of plaatsvervangend lid op diens verzoek. 4 De Hoge Raad kan het horen van de betrokken rechter of het horen van een getuige of deskundige, bedoeld in het derde lid, opdragen aan de president van het Hof. Van het horen door de president wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door degene die is gehoord en de president wordt ondertekend. Weigert degene die is gehoord te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan degene die is gehoord wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. De president zendt het proces-verbaal zo spoedig mogelijk aan de Hoge Raad. 5 De Hoge Raad beslist bij met redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar. 6 De Hoge Raad doet aan de president van het Hof, de procureur-generaal bij de Hoge Raad alsmede aan Onze Ministers onverwijld mededeling van beslissingen waarbij een rechter wordt ontslagen of geschorst, dan wel de schorsing wordt verlengd of beëindigd. Artikel 35 1 De leden van het Hof kunnen door het bestuur van het Hof worden verplicht te gaan wonen of blijven wonen in een van de landen, indien dit naar het oordeel van het bestuur in verband met de goede vervulling van hun taak noodzakelijk is. 2 Aan deze verplichting moet worden voldaan binnen twee jaar nadat zij is opgelegd. Artikel 36 1 De president van het Hof is bevoegd een rechter die de waardigheid van zijn ambt, zijn ambtsbezigheden of ambtelijke verplichtingen verwaarloost of die zich schuldig maakt aan een overtreding als bedoeld in artikel 32, onder d, na hem in de gelegenheid te hebben gesteld mondeling of schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen, de nodige schriftelijke waarschuwingen te geven. 2 Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze, bedoeld in het eerste lid wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechter en door de president, wordt ondertekend. Weigert de rechter het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechter wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. Artikel 37 1 Tegen een rechtspositionele beschikking of handeling waarbij een rechter, de directeur bedrijfsvoering, een gerechtsambtenaar, een rechterlijk ambtenaar in opleiding, een gewezen rechter, een gewezen directeur bedrijfsvoering, een gewezen gerechtsambtenaar of een gewezen rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van het land waar belanghebbende woont. Indien belanghebbende niet woont in één van de landen, is het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao bevoegd. 2 Tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg kan een belanghebbende hoger beroep instellen bij het Hof. 3 De behandeling en de beslissing in hoger beroep geschieden door een meervoudige kamer van het Hof bestaande uit een lid of plaatsvervangend lid van het Hof als voorzitter en twee andere personen niet zijnde rechters. 4 De andere personen bedoeld in het derde lid worden benoemd bij koninklijk besluit voor een periode van drie jaar. De voordracht daartoe wordt gedaan op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk. Herbenoeming is mogelijk. 5 Op de andere personen bedoeld in het derde lid is artikel 24, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. 6 Op de behandeling van het beroep en het hoger beroep zijn de regels van het procesrecht voor de behandeling van ambtenaarrechtelijke geschillen van het land waarin het beroep wordt behandeld van overeenkomstige toepassing. 7 Geen beroep kan worden ingesteld tegen a. een beschikking tot benoeming of aanstelling, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechter, gerechtsambtenaar, directeur bedrijfsvoering of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden; b. een beschikking van de Hoge Raad als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 32; c. een vordering als bedoeld in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.