← Nederland

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidiefaciliteit Burgers

BWBR0028807_2010-10-09_0 Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 september 2010, nr. DVL-0657/2010 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de Subsidiefaciliteit Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking (SBOS) Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidiefaciliteit Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking (SBOS)) De Minister van Buitenlandse Zaken, Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken; Gelet op de artikelen 9.1 en 9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006; Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 9.1 en 9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de Subsidiefaciliteit Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1 Vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2011 geldt een subsidieplafond van € 32,2 miljoen. 2 Subsidieplafonds voor tijdvakken na 31 december 2011 worden uiterlijk op 15 oktober voorafgaand aan het desbetreffende tijdvak bekendgemaakt. Artikel 3 De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel 4 1 De behandeling van subsidieaanvragen vindt plaats in meerdere rondes per jaar. 2 Voor zover niet anders is bepaald, bedraagt het voor subsidieverlening in elke ronde beschikbare bedrag een evenredig deel van het voor dat jaar voor de desbetreffende categorie of categorieën activiteiten geldende bedrag. Indien het beschikbare bedrag in een ronde niet is uitgeput, kan het restant worden toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor de volgende ronde voor dezelfde of voor een andere categorie activiteiten of voor dezelfde ronde voor een andere categorie activiteiten. Artikel 5 1 Bij de verdeling van de beschikbare middelen kan onderscheid worden gemaakt naar projecten, programma’s en categorieën activiteiten. 2 Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder a. Project: een samenhangend en in tijd en middelen begrensd geheel van activiteiten gericht op het bereiken van een vooraf omschreven resultaat, met een looptijd van niet langer dan een jaar. b. Programma: een samenhangend geheel van projecten gericht op het bereiken van een vooraf omschreven resultaat en met een looptijd van langer dan een jaar. 3 Categorieën activiteiten zijn: a. Categorie 1: projecten en programma’s gericht op de bevordering van meningsvorming over, bewustwording van en actieve betrokkenheid bij internationale samenwerking in de Nederlandse samenleving, voor zover niet behorend tot categorie 2 of

  1. b. Categorie 2: projecten als omschreven in categorie 1 waarvan een kleinschalig ontwikkelingsproject in een ontwikkelingsland deel uitmaakt. c. Categorie 3: programma’s als omschreven in categorie 1 gericht op Nederlandse jongeren tussen 14 en 25 jaar waarvan een stage- of uitwisselingsprogramma in een ontwikkelingsland deel uitmaakt. Artikel 6 1 Subsidieverlening ten behoeve van projecten vindt plaats in meerdere rondes per jaar. In 2011, 2012 en 2013 wordt subsidie verleend in vier rondes, in 2014 in twee rondes. 2 Aanvragen worden per ronde ingediend op 1 februari, 1 mei, 1 september en 1 november. In 2014 worden de aanvragen uiterlijk op 1 februari en op 1 mei ingediend. De indieningstermijn sluit telkens om 17.00 uur. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf een maand voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de desbetreffende ronde. 3 Het beschikbare bedrag voor subsidieverlening in 2011 bedraagt € 10,2 miljoen. Artikel 7 1 Subsidies ten behoeve van programma’s worden in drie rondes verdeeld. Aanvragen worden per ronde ingediend, uiterlijk op 15 november 2010, 1 mei 2011 en 1 mei
  2. De indieningstermijn sluit telkens om 17.00 uur. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf een maand voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de desbetreffende ronde. 2 Voor de ronde van 15 november 2010 is € 14 miljoen beschikbaar, waarvan € 7 miljoen bestemd is voor programma’s behorend tot categorie 3, en € 7 miljoen voor de overige programma’s. 3 Voor de ronde van 1 mei 2011 is € 8 miljoen beschikbaar waarvan € 4 miljoen bestemd is voor programma’s behorend tot categorie 3, en € 4 miljoen voor de overige programma’s. 4 Voor de toepassing van artikel 3 worden aanvragen voor programma’s behorend tot categorie 3 en aanvragen voor de overige programma’s afzonderlijk gerangschikt. Artikel 8 Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend aan de hand van het door de aanvrager daartoe ingevulde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december
  3. Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. De bij dit besluit behorende aanvraagformulieren worden geplaatst op www.sbos.nl. De Minister van Buitenlandse Zaken,namens deze:J.M.G.Brandt,Directeur-Generaal Internationale Samenwerking. Bijlage I Algemeen 1 Uitgangspunten Ontwikkelingssamenwerking is een zaak van iedereen. Onder meer via ontwikkelingssamenwerking investeert de overheid in een duurzame, rechtvaardige en welvarende wereld. Uiteindelijk gaat het daarbij om welbegrepen eigenbelang. Een betere wereld is immers ook goed voor Nederland. Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid is gericht op bestrijding van armoede in ontwikkelingslanden, op bevordering van duurzame ontwikkeling en op bijdragen aan oplossingen voor problemen in de wereld die ontwikkelingsprocessen beïnvloeden. Het bredere internationale perspectief wordt gevormd door de samenhang tussen economische groei, toename van welvaart en rechtvaardige verdeling daarvan, groeiende openheid van samenlevingen, klimaatverandering en vraagstukken van vrede en veiligheid. Politiek en maatschappelijk draagvlak voor het belang van internationale samenwerking en actieve betrokkenheid van burgers zijn cruciaal, omdat burgerschap niet ophoudt bij de landsgrenzen. Veel zaken die een direct Nederlands belang raken en sociaal-economische ontwikkelingen waarbij Nederlanders dagelijks betrokken zijn, hebben een internationale dimensie. De overheid hecht dan ook aan bevordering van het besef van burgerschap over grenzen heen. Daarbij speelt ook mee dat mondiale ontwikkelingen in Nederland geen vanzelfsprekend ankerpunt hebben. Ten aanzien van de bevordering van maatschappelijke betrokkenheid bij hieraan gerelateerde onderwerpen heeft de overheid een voorwaardenscheppende en katalyserende rol. Die rol is tweeledig: zorgen dat kennis en advies ter beschikking staat van de samenleving én subsidiëring van activiteiten. Voor de internationale dimensie van burgerschap geldt dat om er volwaardig invulling aan te kunnen geven kennis nodig is, maar ook verandering in houding en gedrag. Elke Nederlander kan hierin zijn of haar verantwoordelijkheid nemen en zijn eigen gedrag vanuit een mondiaal besef invullen. Tegelijk staat internationale samenwerking laag op de zogenoemde ‘burgeragenda’. Kennis over dit beleidsterrein is bij het brede publiek niet erg groot. Mensen gaan bovendien niet gemakkelijk zelf actief op zoek naar informatie. Kennis en meningsvorming kunnen wel aanzienlijk worden bevorderd door gerichte voorlichting en bewustwordingsactiviteiten. Ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking kan dit bijdragen aan:
  4. een groter publiek bewustzijn over armoede en ontwikkeling in de wereld en het belang van Nederland om op deze terreinen actief te zijn;
  5. een geïnformeerd publiek debat daarover en over hiermee samenhangende beleidskeuzes;
  6. zichtbare en actieve betrokkenheid van burgers bij internationale samenwerking;
  7. mogelijkheden voor burgers om weloverwogen keuzes te maken. Het niet kunnen aanvaarden van onrecht is voor velen al een voldoende motivatie om bij te dragen aan bestrijding van armoede. Verder is kennis alleen niet voldoende voor politieke en maatschappelijke steun ten behoeve van internationale samenwerking. Het is wel onontbeerlijk voor een goed begrip van de internationale positionering van Nederland en voor kritische toetsing van het beleid. Met meer kennis kunnen burgers bovendien beter onderbouwd tot opvattingen komen, en op basis daarvan weloverwogen beslissingen nemen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de consequenties die zij aan hun opvattingen willen verbinden in termen van houding en gedrag. 2 SBOS Subsidies voor maatschappelijke activiteiten gericht op de bevordering van burgerschap in relatie tot Ontwikkelingssamenwerking (OS) worden verstrekt onder ministeriële verantwoordelijkheid. Voor de subsidieverstrekking heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de Faciliteit voor Burgerschap en OS (SBOS) ingericht. Vanuit SBOS worden subsidies verstrekt voor activiteiten in de Nederlandse samenleving gericht op de bevordering van meningsvorming over, bewustwording van en actieve betrokkenheid bij internationale samenwerking. Het gaat om activiteiten waarvoor het initiatief bij de aanvrager ligt. Vanuit de faciliteit kunnen aanvragen worden gehonoreerd die als onderdeel een kleinschalig ontwikkelingsproject of een stage- of uitwisselingscomponent in een ontwikkelingsland bevatten. Subsidiëring door de overheid heeft per definitie een tijdelijk karakter. De te subsidiëren activiteiten moeten een concreet doel en helder gedefinieerde doelgroep(en) hebben, een concreet handelingsperspectief bevatten en gericht zijn op het creëren van gedragseffecten. Middelen en eindresultaten moeten proportioneel zijn. Voorrang wordt gegeven aan activiteiten die aansluiten bij die nieuwe doelgroepen aanboren, met name onder jongeren. Activiteiten dienen evalueerbaar te zijn op resultaten. Van belang is daarom dat een indiener kan uitleggen welke gedragsverandering hij beoogt bij de doelgroep waarop de activiteit is gericht en aan de hand van welke indicatoren hij op welk moment vast gaat stellen in hoeverre dat is gelukt. 3 Doelgroepen Ontwikkelingssamenwerking is een zaak van iedereen. Subsidieaanvragen kunnen dan ook gericht zijn op alle inwoners van Nederland. Prioritaire doelgroepen zijn echter ‘jongeren’ (in de leeftijd van 12 tot 25 jaar) en personen die niet traditioneel bij ontwikkelingssamenwerking betrokken zijn. 4 Soorten aanvragen In het kader van de faciliteit komen de volgende soorten aanvragen voor subsidiëring in aanmerking: Categorie 1 – Aanvragen gericht op het bevorderen van activiteiten in de Nederlandse samenleving gericht op de bevordering van meningsvorming over, bewustwording van en actieve betrokkenheid bij internationale samenwerking. Dit kunnen zowel projecten (categorie 1a) als meerjarige programma’s (categorie 1b) zijn1Project: een samenhangend en in tijd en middelen begrensd geheel van activiteiten gericht op het bereiken van een vooraf omschreven resultaat en met een looptijd van niet langer dan een jaar.Programma: een samenhangend geheel van projecten gericht op het bereiken van een vooraf omschreven resultaat en met een looptijd van langer dan een jaar.. Categorie 2 – Aanvragen met een doelstelling als omschreven onder categorie 1 met als onderdeel van de aanvraag een kleinschalig ontwikkelingsproject (projecten). Categorie 3 – Aanvragen met een doelstelling als omschreven onder categorie 1 gericht op Nederlandse jongeren tussen 14 en 25 jaar met als onderdeel een stage/uitwisselingscomponent in een ontwikkelingsland (meerjarige programma’s). Voor de meerjarige programma’s onder categorie 1 en 3 kunnen voorstellen worden ingediend in drie rondes, te weten de ronde van 15 november 2010, de ronde van mei 2011 en de ronde van mei
  8. Vanaf 2011 kunnen aanvragen voor projecten in categorie 1 en 2 elke ronde worden ingediend. Niet voor subsidie komen in aanmerking: – Individuele stage- en uitwisselingsprojecten; – Activiteiten gericht op fondsenwerving; – Reguliere exploitatiekosten van de aanvrager. 5 Subsidiabele kosten De volgende rechtstreeks aan het project of programma toe te rekenen kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
  9. Personele kosten, in de zin van het aantal door direct bij het project betrokken personeel van de aanvrager gemaakte uren, vermenigvuldigd met het forfaitaire kostendekkende uurtarief, zoals gepubliceerd in de vigerende handleiding overheidstarieven (Ministerie van Financiën), dit forfaitaire bedrag betreft ook de overheadkosten;
  10. reis- en verblijfkosten voor binnen- en buitenlandse reizen die voor de projectuitvoering noodzakelijk zijn;
  11. diensten van derden;
  12. Subsidiabele kosten kunnen worden opgenomen, inclusief BTW, indien de aanvrager niet van BTW is vrijgesteld.
  13. Onder categorie 2: kosten in het ontwikkelingsland die toe te rekenen zijn aan de uitvoering van het kleinschalige project. 6 Ontvankelijkheid Voor alle aanvragen gelden onderstaande basale ontvankelijkheidseisen. Alleen aanvragen die hieraan voldoen zijn aan te merken als tijdig, correct en volledig, en worden in behandeling genomen.
  14. De aanvraag, voorzien van alle vereiste gegevens en bescheiden, is uiterlijk ontvangen op laatste dag van de indieningstermijn van de desbetreffende ronde op het e-mailadres dat op het aanvraagformulier staat vermeld.
  15. Voor de aanvraag worden geen andere subsidie(s) aangevraagd en/of ontvangen ten laste van onderdelen van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. SBOS wordt namens de minister van Buitenlandse Zaken uitgevoerd door PricewaterhouseCoopers NV in samenwerking met het Nederlands Jeugdinstituut en stichting Wilde Ganzen. Subsidie wordt niet verstrekt aan aanvragers die blijkens de aanvraag voor dezelfde of daarmee samenhangende activiteiten medefinanciering zoeken of ontvangen van een van de partijen die belast zijn met de uitvoering van SBOS. Indien niettemin blijkt dat de hiervoor bedoelde medefinanciering heeft plaatsgevonden, kan de SBOS-subsidieverlening worden ingetrokken en wordt reeds uitgekeerde SBOS-subsidie teruggevorderd. Dubbelfinanciering van activiteiten is niet toegestaan. Indien blijkt dat medefinanciering door derden heeft plaatsgevonden zonder dat daarvan in de aanvraag melding is gemaakt, zal de SBOS-subsidie worden teruggevorderd. 9 Beoordelingscriteria Voor alle aanvragen gelden de volgende beoordelingscriteria:
  16. De mate waarin de samenstelling van de doelgroep aansluit bij de SBOS-doelstellingen; b. originaliteit (gekozen thematiek/gebruik van communicatiemiddelen); c. volledigheid van de risicoanalyse; d. samenwerking: prioriteit wordt gegeven aan activiteiten waarbij sprake is van samenwerking met niet-traditionele partners; e. verhouding aangevraagd subsidiebedrag en effecten. De subsidie is kosteneffectief. b. kwaliteit van het financieel en administratief management. b. binnen een in de verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.