Circulaire Wapens en Munitie 2012 Circulaire Wapens en Munitie 2012 Hierbij treft u aan de nieuwe Circulaire wapens en munitie (CWM 2012). De Circulaire wapens en munitie 2005 (vastgesteld bij beschikking van 15 juli 2005, nr. 5334319/JUSTIS/05) komt met de inwerkingtreding van de CWM 2012 te vervallen. De CWM 2012 bevat een aantal technische wijzigingen op het gebied van het legale wapenbezit, evenals een actualisatie. De wijzigingen zijn tot stand gekomen na een uitvoerige evaluatie van de CWM 2005 in 2010 met de belangenorganisaties van wapen en munitie bezitters, in- en externe deskundigen, vertegenwoordigers van de politie en vertegenwoordigers van de diverse betrokken ministeries. Bij deze evaluatie is naar voren gekomen dat de circulaire belangrijke verbeteringen heeft gerealiseerd, maar ook zijn verschillende aanbevelingen voor verbetering gedaan. Een groot deel van deze aanbevelingen wordt meegenomen in de thans lopende herziening van het systeem ter beheersing van legaal wapenverlof, die is ingesteld naar aanleiding van het schietincident in Alphen aan de Rijn (april 2011) en de aanbevelingen van de Onderzoekraad voor Veiligheid (‘Wapenbezit door sportschutters; september 2011). De tijdens de evaluatie van de CWM 2005 naar voren gekomen zaken komen terug in het rapport van de Onderzoeksraad en worden nu in ondrlinge samenhang bezien, ter verbetering van het totale systeem. Deze meer essentiele (beleids)aanbevelingen uit de evaluatie kunnen derhalve niet nu in de aanpassing van de CWM 2012 worden meegenomen, maar zullen bij een volgende aanpassing van de CWM hun vorm krijgen. Er is voor gekozen wel nu de technische wijzigingen – voor zover zij niet raken aan bovengenoemd traject – door te voeren in de CWM
(070)378 97 83 Internet : www.sdu.nl E-mail : sdu@sdu.nl (de bestelnummers staan op het model vermeld). De aanvraagformulieren kunnen eveneens bij de SDU worden besteld, maar mogen ook, mits zij voldoen aan het voorgeschreven model, worden besteld bij andere uitgeverijen of in eigen beheer worden vervaardigd. Bij de aanvraag van de verschillende documenten is de aanvrager een vergoeding verschuldigd. De bedragen van deze vergoedingen zijn vastgesteld in artikel 50 van de RWM. 1.4.2 Ontheffingen Een ontheffing is een individuele uitzondering op het wettelijke verbod om (onderdelen van) wapens of munitie te bezitten, en wordt toegekend aan personen die voldoen aan de in de WWM gestelde, en in deze circulaire uitgewerkte voorwaarden. In principe gaat het hierbij om categorie I en II wapens of categorie II munitie, maar in bepaalde uitzonderlijke gevallen kan ook voor categorie III en IV wapens of categorie III munitie ontheffing worden verleend. Een ontheffing moet worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie. De minister kan een ontheffing verlenen op grond van artikel 4 van de WWM, bijvoorbeeld ten behoeve van re-enactment (het nabootsen van historische veldslagen), voor wapens die deel uitmaken van zogenaamd historisch rollend materieel (bijvoorbeeld legervoertuigen die deelnemen aan militaire parades, herdenkingen en optochten) en voor wapens ten behoeve van musea. Voor categorie I wapens bevat artikel 13, tweede lid, van de WWM een aantal specifieke ontheffingsgronden. Hierbij gaat het om gebruik van wapens door de krijgsmacht, onderwijs ten behoeve van de politie en de overige openbare dienst en de doorvoer van wapens. 1.4.2.1 Verlening en verlenging Voor het aanvragen van een ontheffing bestaat een speciaal formulier: ‘Verzoek om ontheffing ex artikel 4 van de Wet wapens en munitie’. Dit formulier is te downloaden van de website van het ministerie van Veiligheid en Justitie of aan te vragen bij het werkproces Wet wapens en munitie van de Dienst Justis, waar de aanvraag overigens ook ingediend moet worden. Ook een verlenging, uitbreiding of wijziging van een ontheffing dient schriftelijk aangevraagd te worden en wordt behandeld als een (nieuwe) aanvraag. Nadat het aanvraagformulier met alle bijlagen (in tweevoud) is ontvangen, wordt een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister opgevraagd. Daarna wordt de korpschef van de regiopolitie om inlichtingen en advies gevraagd. Voor dit advies bestaat een formulier: ‘Advies van de korpschef van de regiopolitie inzake een verzoek om een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie’. Dit formulier is als Worddocument aan alle regio's gestuurd, maar het is ook te downloaden van de website van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Na ontvangst van het advies van de korpschef vindt de beoordeling van het verzoek plaats. De aanvraag wordt in principe binnen de geldende Awb-termijn van acht weken afgehandeld. Indien nodig kan deze termijn met zes weken worden verlengd. Zoals dat ook geldt bij de aanvraag van een verlof dient de aanvrager van een ontheffing een ‘redelijk belang’ te hebben en mag er ten aanzien van de aanvrager geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan. Enkele voorbeelden van bezigheden waarvoor ontheffingen kunnen worden verleend zijn: Het houden van een verzameling vuurwapens of munitie van categorie II, het deelnemen aan re-enactment uitvoeringen, het completeren van historisch materieel, het beoefenen van de schietsportdiscipline 'miniatuur kanon' of het geven van saluutschoten met een kanon bij ceremoniële gelegenheden en herdenkingstochten. Wanneer de aanvrager aan alle eisen voldoet en de onkostenvergoeding voor de behandeling van de aanvraag is betaald, wordt een ontheffing verleend, die vervolgens door tussenkomst van de korpschef wordt uitgereikt. Indien in de ontheffing als voorwaarde is opgenomen dat de ontheffing alleen geldig is in combinatie met een verlof, dan dient de korpschef aan de ontheffinghouder een verlof te verstrekken waarop de individuele wapens dienen te worden vermeld. Deze voorwaarde wordt vaak gesteld vanwege het feit dat er op die manier beter toezicht mogelijk is op de ontheffinghouder en het aantal wapens beter in de hand gehouden kan worden. Een ontheffing is in principe maximaal vijf jaren geldig. 1.4.2.2 Weigering en intrekking Indien de aanvrager niet aan alle eisen voldoet (bijvoorbeeld géén redelijk belang heeft, of als er vrees voor misbruik bestaat) dan wordt de aanvrager meegedeeld dat de minister voornemens is zijn aanvraag af te wijzen. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid om zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Pas hierna wordt een definitieve beslissing genomen op de aanvraag. Een reeds verleende ontheffing kan ook weer worden ingetrokken door de minister wanneer daar aanleiding voor is. Dit gebeurt meestal op advies van de korpschef, bijvoorbeeld nadat er onregelmatigheden zijn geconstateerd. Indien het verlof van de betrokkene wordt ingetrokken door de korpschef dan zal de (bijbehorende) ontheffing ook worden ingetrokken door de minister. Bij zowel een weigering als een intrekking van een ontheffing bestaat er de mogelijkheid om tegen die beslissing een bezwaarschrift in te dienen. Een dergelijk bezwaar wordt ingediend bij de instantie die het besluit heeft genomen, in dit geval de Minister van Veiligheid en Justitie. 1.4.3 Erkenningen Degene die wapens of munitie wil vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf wil uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen mag dat alleen wanneer hij over een erkenning beschikt. De belangrijkste bepalingen omtrent de verlening van erkenningen zijn te vinden in de artikelen 9 tot en met 12 van de WWM en de artikelen 8 tot en met 17 van de RWM. Naast de eisen van zedelijk gedrag, gesteld aan de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWM, geldt ingevolge de artikelen 7 en 10, eerste lid, onder c, WWM dat er geen vrees voor misbruik mag bestaan, dan wel er geen aanwijzingen mogen zijn dat aan de aanvrager of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd. Beide aspecten worden nader toegelicht en uitgewerkt in onderdeel B
- Voor een aantal specifieke gevallen is vrijstelling verleend van het verbod van artikel 9, eerste lid, van de WWM. In die gevallen behoeft derhalve niet over een erkenning te worden beschikt. Deze gevallen zijn omschreven in paragraaf 9 van de RWM. Daarnaast wordt in de artikelen 10, 11, tweede lid en 12, eerste en tiende lid, van de RWM, ook nog een aantal vrijstellingen gegeven van enkele specifieke eisen. Voor de erkenninghouder of beheerder die (slechts) handelt in lucht-, gas-, of veerdrukwapens van categorie IV, patroonmagazijnen als bedoeld in artikel 18, onder g, RWM, stroomstootwapens als bedoeld in artikel 21 van de RWM (de zogenaamde ‘veeprikkers’) of de in artikel 22 RWM vrijgestelde noodsignaalmiddelen met bijbehorende munitie, gelden tenslotte afwijkende registereisen. Wapens van categorie I Artikel 13, eerste lid, van de WWM, verbiedt het vervaardigen, transformeren, voor derden herstellen, overdragen, voorhanden hebben, dragen, vervoeren, doen binnenkomen of doen uitgaan van wapens van categorie I. De wet maakt, in artikel 3a, eerste lid, WWM, een uitzondering op dit verbod, namelijk voor de krijgsmacht en voor personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn. Die uitzonderingsbepaling ziet echter niet op derden – bijvoorbeeld wapenhandelaren – die de in artikel 13, eerste lid, genoemde handelingen verrichten met wapens van categorie I met het oog op gebruik door de krijgsmacht. Om aan deze behoefte tegemoet te kunnen komen wordt de Minister van Veiligheid en Justitie in het tweede lid van artikel 13 de mogelijkheid gegeven om, onverminderd het bepaalde in artikel 9 WWM, bij wijze van uitzondering ontheffing te verlenen van een of meer verboden genoemd in het eerste lid van artikel 13, met het oog op gebruik door de krijgsmacht. Zodoende kan – bijvoorbeeld – ontheffing worden verleend aan een wapenhandelaar om wapens van categorie I te doen binnenkomen teneinde deze over te dragen aan de krijgsmacht. Behoudens deze bijzondere situatie is het door derden verrichten van erkenningplichtige handelingen met betrekking tot wapens van categorie I niet toegestaan. Naast de – door de Minister van Veiligheid en Justitie te verlenen – ontheffing is ook een erkenning van de korpschef nodig. Wapens en munitie van categorie II Als regel zal de erkenning slechts gelden voor wapens en munitie van categorie III. De erkenning zal eerst tevens betrekking kunnen hebben op vuurwapens en munitie van categorie II, indien de aanvrager (erkenninghouder) gedurende een onafgebroken periode van drie jaar – zonder wanklank -heeft gehandeld in vuurwapens van categorie III. In de tweede plaats zal de aanvrager aan de hand van verifieerbaar schriftelijk bewijsmateriaal onomstotelijk aan moeten kunnen tonen dat hij beschikt over concrete en structurele afzetmogelijkheden van dergelijke wapens of munitie aan bevoegden zoals de overheid, verzamelaars, re-enacters, bezitters van historisch militair materieel en rekwisietenbedrijven. Tenslotte dient de bedrijfsruimte van de erkende in dat geval te voldoen aan de gekwalificeerde veiligheidseisen, opgenomen in bijlage IV bij de RWM. De Tweede Kamer heeft in het vergaderjaar 1996–1997 een motie (de motie Houda) aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht een uitdrukkelijk verbod uit te vaardigen voor de productie van anti-personeel mijnen. Hoewel de Wet wapens en munitie niet de mogelijkheid biedt voor een uitdrukkelijk formeel verbod, biedt het wel de mogelijkheid tot een feitelijk verbod op de productie van anti-personeel mijnen, namelijk door uitdrukkelijk het vervaardigen van deze mijnen uit te sluiten van erkenningen ter zake van categorie II wapens. Aan de kamer is toegezegd dat alle nieuwe erkenningen voor de categorie II uitdrukkelijk de uitsluiting van het vervaardigen van anti-personeel mijnen zullen bevatten. Hierbij zijn voor de duidelijkheid inbegrepen de erkenningen die (thans) tot bepaalde wapens of explosieven zijn beperkt. Vervoer Ingevolge het bepaalde in het vierde lid van artikel 9 WWM, kan de korpschef die de erkenning verleent of heeft verleend, indien een redelijk belang dit vordert, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt vergunning tot het vervoer van wapens en munitie. Er behoeft derhalve geen afzonderlijk document met het oog op het vervoer te worden verleend. De toestemming van de korpschef om wapens en munitie te vervoeren, kan op verzoek en indien een redelijk belang daartoe aanleiding geeft, worden opgenomen op het erkenningsdocument (model WM 16 in bijlage III bij de RWM). Bovendien wordt in artikel 46, eerste lid RWM, aan personen in dienst van houders van een erkenning, vrijstelling verleend van het verbod om wapens en munitie te vervoeren. 1.4.3.1 Verlening en verlenging Erkenningen worden verleend door de korpschef in de politieregio waar het bedrijf, waar de activiteiten worden uitgeoefend, is gevestigd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. De geldigheidsduur van een erkenning kan telkens met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Erkenningen kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden (zie artikel 6 van de WWM). Voor de beperkingen en voorschriften, die aan een erkenning zullen worden verbonden, wordt verwezen naar het model van de erkenning, zoals opgenomen in bijlage III bij de RWM (model WM 16). De aanvraag voor verlening en verlenging van een erkenning dient te worden ingediend bij de korpschef in de politieregio waar het bedrijf – waar de activiteiten worden uitgeoefend – is gevestigd. Een verzoek tot verlenging kan mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van de noodzakelijke documenten. Bij een aanvraag voor een nieuwe erkenning dient gebruik te worden gemaakt van het voorgeschreven aanvraagformulier. De korpschef verifieert de gegevens op het aanvraagformulier en onderzoekt (artikel 7, 10 en 12 WWM): • of er reden is om te vrezen dat van de erkenning dan wel van de wapens of de munitie misbruik zal worden gemaakt; • of de aanvrager of de beheerder het onder zich hebben van wapens en munitie kan worden toevertrouwd; • of de aanvrager of de beheerder voldoet aan de door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde eisen met betrekking tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid; • of de handelingen en de soorten en aantallen wapens en munitie, die op het aanvraagformulier zijn vermeld, naar het oordeel van de korpschef verenigbaar zijn met de activiteiten welke gewoonlijk in de vestiging (zullen) worden verricht; • of en op welke wijze wordt voldaan aan de in artikel 11 RWM gestelde veiligheidseisen; • of er (overige) feiten of omstandigheden zijn die op de beslissing omtrent de verlening, dan wel op de aan de erkenning te verbinden voorschriften of beperkingen, van invloed kunnen zijn. • of er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die verlening in de weg staan. Het verdient daarbij aandacht dat de erkenning slechts betrekking heeft op het daarin genoemde onderdeel van de onderneming. Iedere vestiging dient te beschikken over een afzonderlijke beheerder. Derhalve is het niet mogelijk dat twee of meer erkenningen worden verleend op naam van dezelfde beheerder. Bij verlenging onderzoekt de korpschef tevens: • of de erkenninghouder de juiste gegevens heeft verstrekt; • of er aanwijzingen zijn dat aan de erkenninghouder of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd; • of er sprake is van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie; • of nog altijd wordt voldaan aan de vereisten voor verlening; • of de aan de erkenning verbonden beperkingen of voorschriften in acht zijn genomen; • of de erkenninghouder het register heeft bijgehouden op de wijze als in artikel 12 RWM is voorgeschreven; • of de erkenninghouder, dan wel de beheerder bij verkrijging van wapens van categorie III van verlofhouders respectievelijk jachtaktehouders, consequent aan hen ontvangstbewijzen, zoals bedoeld in artikel 13 RWM (voor model zie bijlage III bij de RWM), heeft verstrekt; • of in de eerder bestaande situatie wijzigingen zijn opgetreden die van invloed kunnen zijn op de verlenging van de erkenning respectievelijk de daaraan verbonden voorschriften en/of beperkingen; • of de houder van een erkenning gedurende een periode van tenminste één jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht; • of er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die verlenging in de weg staan. De korpschef dient van de verlening, verlenging, wijziging of intrekking van een erkenning kennis te geven aan de korpschef van de politieregio waar de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder woont. Deze kennisgeving geschiedt door het toezenden van een kopie van de verleende erkenning, respectievelijk het intrekkingsbesluit. Tegen beslissingen van de korpschef staat administratief beroep open bij de Minister van Veiligheid en Justitie (artikel 34 WWM). Van de verlenging van de geldigheidsduur van een erkenning wordt aantekening gemaakt in het eerder aan de betrokkene uitgereikte document. Zo nodig, bijvoorbeeld indien het document is beschadigd of onleesbaar is geworden, kan bij de verlenging van de geldigheidsduur ook een nieuw document worden uitgereikt. 1.4.3.2 Weigering en intrekking Een erkenning kan door de korpschef (zie artikel 7, tweede lid en artikel 12 WWM) of door de Minister van Veiligheid en Justitie (zie artikel 7, tweede lid, WWM) worden ingetrokken. Naast de algemene weigerings- en intrekkingsgronden van artikel 7 WWM zijn specifiek voor erkenningen in de artikelen 10 en 12 van de WWM respectievelijk de imperatieve (dwingende) weigeringsgronden en de facultatieve intrekkingsgronden opgesomd. Op grond van deze bepalingen kan een erkenning worden ingetrokken indien: • de erkende bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt; • er aanwijzingen zijn dat aan de erkenninghouder of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd (zie hiervoor onder ‘vrees voor misbruik’); • er sprake is van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie; • niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor verlening; • een aan de erkenning verbonden beperking of voorschrift niet in acht is genomen; • er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die aan verlenging in de weg staan; • de erkende het register niet heeft bijgehouden op de wijze als in artikel 12 RWM is voorgeschreven; • de houder van een erkenning gedurende een periode van tenminste één jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht. 1.4.3.3 Register De wijze waarop door de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder een register moet worden bijgehouden is beschreven in artikel 12 van de RWM. Het in dit artikel genoemde register kan zowel handmatig als langs geautomatiseerde weg worden bijgehouden. Waar in het achtste lid van dit artikel wordt gesproken over het maandelijks inzenden van een kopie van het register, zal dat bij een handmatig bijgehouden register kunnen bestaan uit een fotokopie en bij een geautomatiseerd register kan dit gebeuren middels het inzenden van (een uitdraai van) de desbetreffende registers. Er behoeft, tenzij de korpschef zulks nodig acht, geen kopie te worden ingezonden van de registratie betreffende in bewaring genomen of ter reparatie ingenomen wapens en munitie. Immers, de in bewaring genomen of ter reparatie ingenomen wapens en munitie komen doorgaans na kortere of langere tijd weer in handen van degene van wie de voorwerpen afkomstig zijn. Zo dit in bijzondere gevallen niet gebeurt, bij voorbeeld omdat de eigenaar na verloop van tijd tot verkoop aan de wapenhandelaar besluit, dan zal het wapen naar de inkomende registratie moeten worden overgeboekt. In het geval waarin de bewaargever evenwel het wapen vanuit de bewaring aan een andere wapenhandelaar of aan een particulier verkoopt, dan zullen in de laatste kolom van deze registratie alle gegevens betreffende de koper, inclusief diens bevoegdheid om voorhanden te hebben en om te verkrijgen, door de wapenhandelaar moeten worden vermeld. 1.4.3.4 Vervoer door of namens de erkenninghouder Indien de korpschef een bewijs van erkenning afgeeft of heeft afgegeven (zie model WM 16 in bijlage III bij de RWM), kan de korpschef, indien een redelijk belang daartoe aanleiding geeft, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt een vergunning tot vervoer van wapens en munitie. Indien daartoe in bijzondere gevallen naar het oordeel van de korpschef aanleiding bestaat, kan de vergunning tot vervoer onder beperkingen worden verleend. Deze beperkingen dienen op het bewijs van erkenning te worden vermeld. Indien de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder zijn wapens zelf vervoert, heeft hij uiteraard de op het bewijs van erkenning vermelde vergunning tot vervoer bij zich. Indien hij echter, zoals regelmatig zal voorkomen, deze wapens wil doen vervoeren door anderen, bijvoorbeeld ondergeschikten of beroepsvervoerders, dan dienen ook zij door het overleggen van een (geleide-)dodocument hun bevoegdheid om die wapens op dat moment voorhanden te mogen houden, te kunnen aantonen. Als (geleide-)document dient dan een verlof tot vervoer te worden gebruikt (zie hieromtrent de vrijstellingen in de artikelen 45 en 46 RWM en hetgeen onder B 3.3, c en d is vermeld). Door de erkende af te geven verloven tot vervoer Indien de in een bewijs van erkenning genoemde beheerder zijn wapens wil doen vervoeren door anderen, bijvoorbeeld ondergeschikten of beroepsvervoerders, dan dienen ook zij, door het overleggen van een (geleide-)document hun bevoegdheid om die wapens op dat moment voorhanden te mogen houden, te kunnen aantonen. Als (geleide-)document dient dan een verlof tot vervoer te worden gebruikt. Het zou echter ondoenlijk zijn indien de beheerder voor genoemde gevallen telkens een verlof tot vervoer zou moeten aanvragen bij de korpschef. Om die reden kan de korpschef aan een in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, op wiens naleving van de wapenwettelijke voorschriften niets valt aan te merken, een aantal verloven tot vervoer verstrekken, waarop slechts de volgende gegevens zijn ingevuld: • het registratienummer; • de gegevens van de beheerder aan wie het document is afgegeven (deze kan een bedrijfsstempel gebruiken), alsmede diens handtekening; • de datum van afgifte en de handtekening en het stempel van de korpschef. De indiening van een schriftelijk aanvraagformulier is hiervoor niet nodig. De beheerder dient telkens wanneer hij een verlof uitschrijft, een kopie van het door hem ingevulde en afgegeven verlof te zenden aan de korpschef, die hierdoor kan controleren of alle door hem afgegeven (blanco) verloven op juiste wijze zijn gebruikt. Voor een nadere controle op het juiste gebruik kan zo nodig ook het register van de beheerder worden bekeken, waarin de uitschrijving van de wapens moet zijn vermeld. Formulieren Aanvraagformulier: in mondeling overleg met de korpschef. Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. Doorlopend verlof tot vervoer ten behoeve van werknemers van erkenninghouders Indien sprake is van een werknemer in vaste dienst bij een erkenninghouder die regelmatig wapens vervoert ten behoeve van zijn werkgever, dan kan de korpschef, indien ten aanzien van de betrokken persoon geen vrees voor misbruik (zie B 1) bestaat, overgaan tot het afgeven van een doorlopend verlof tot vervoer. Het verlof wordt afgegeven aan de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, terwijl onder "daadwerkelijk vervoer" de gegevens van de werknemer worden vermeld. In plaats van een exacte omschrijving van de wapens, wordt op het document vermeld dat het geldig is ten aanzien van de wapens en/of munitie die behoren tot de handelsvoorraad van de persoon aan wie het verlof is afgegeven, terwijl tevens het tijdvak waarbinnen het verlof geldig is (maximaal een jaar), wordt vermeld. Tenslotte wordt het document in de rechterbovenhoek voorzien van de pasfoto van de persoon die als vervoerder optreedt, welke pasfoto door de politie wordt afgestempeld. Formulieren Aanvraagformulier: in mondeling overleg met de korpschef. Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. Doorlopend verlof tot vervoer ten behoeve van werknemers van erkenninghouders Indien sprake is van een werknemer in vaste dienst bij een erkenninghouder die regelmatig wapens vervoert ten behoeve van zijn werkgever, dan kan de korpschef, indien ten aanzien van de betrokken persoon geen vrees voor misbruik (zie B 1) bestaat, overgaan tot het afgeven van een doorlopend verlof tot vervoer. Het verlof wordt afgegeven aan de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, terwijl onder "daadwerkelijk vervoer" de gegevens van de werknemer worden vermeld. In plaats van een exacte omschrijving van de wapens, wordt op het document vermeld dat het geldig is ten aanzien van de wapens en/of munitie die behoren tot de handelsvoorraad van de persoon aan wie het verlof is afgegeven, terwijl tevens het tijdvak waarbinnen het verlof geldig is (maximaal een jaar), wordt vermeld. Tenslotte wordt het document in de rechterbovenhoek voorzien van de pasfoto van de persoon die als vervoerder optreedt, welke pasfoto door de politie wordt afgestempeld. Formulieren Aanvraagformulier: in mondeling overleg met de korpschef. Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. 1.4.4 Verloven Een verlof is een individuele uitzondering op het wettelijke verbod om wapens van (meestal) categorie III voorhanden te hebben, te vervoeren en/of te dragen. In artikel 28, tweede lid, van de WWM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien: a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert; Ad. a. In de onderdelen B 2 t/m B 6 van deze Circulaire is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden er sprake is van een ‘redelijk belang’ als bedoeld in artikel 28 van de WWM. Daarnaast kan het voorkomen dat een verlof wordt gevraagd terwijl er geen sprake is van één van de genoemde gevallen. De beoordeling van dergelijke aanvragen is zo zeer afhankelijk van de omstandigheden van het geval dat hiervoor geen algemene regels zijn te geven. Deze aanvragen staan ter beoordeling van de korpschef die – met name als de aanvraag betrekking heeft op vuurwapens – ter zake een restrictief beleid zal moeten voeren. Zo nodig kan met het Ministerie van Veiligheid en Justitie overlegd worden. Ad. b. De verlening van een verlof dient te worden geweigerd indien de aanvrager een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. In de WWM wordt een dergelijke situatie meestal aangeduid met de termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet (langer) kunnen toevertrouwen van wapens of munitie’. In onderdeel B 1 van deze Circulaire worden deze begrippen nader uitgewerkt. Ad. c. De aanvrager van een verlof dient tenminste 18 jaar te zijn. Van de minimumleeftijdsgrens kan door de korpschef slechts worden afgeweken ten aanzien van serieuze, veelbelovende wedstrijdschutters. Dat sprake is van een serieuze, veelbelovende wedstrijdschutter dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA). 1.4.4.1 Verlening en verlenging In artikel 28, eerste lid, van de WWM is bepaald dat een verlof – uitsluitend voor wapens en munitie behorende tot categorie III – wordt verleend door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. De korpschef kan dus nooit een verlof verlenen voor wapens van categorie I of II. Indien er bij de korpschef een aanvraag wordt ingediend voor het verkrijgen van een verlof voor een wapen van categorie I of II dan dient de korpschef deze aanvraag onverwijld door te sturen naar het ministerie van Veiligheid en Justitie, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender3Zie artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht.. Indien de Minister van Veiligheid en Justitie overgaat tot de verlening van de gevraagde ontheffing dan wordt in veel gevallen in de ontheffing opgenomen dat de ontheffing slecht geldig is voorzover de wapens en/of munitie staan vermeld op een verlof tot het voorhanden hebben. Deze voorwaarde wordt vaak gesteld vanwege het feit, dat er op die manier betere toezicht mogelijk is op de ontheffinghouder en het aantal wapens beter in de hand gehouden kan worden. Omdat de bevoegdheid tot het voorhanden hebben wordt ontleend aan de verleende ontheffing is geen sprake van strijdigheid met het bepaalde in het eerste lid van artikel 28 van de WWM. De bijschrijving van de ontheffingplichtige wapens op een verlof is een combinatie van documenten zoals bedoeld in artikel 40 van de WWM. Omwille van de duidelijkheid dient voor deze wapens op het verlof een verwijzing te worden opgenomen waaruit blijkt dat de bevoegdheid tot het voorhanden hebben wordt ontleend aan de bijbehorende ontheffing. De aanvraag tot verlenging van een verlof kan mondeling geschieden, tenzij in de persoon van de aanvrager of ten aanzien van zijn omstandigheden zodanige wijziging is gekomen dat het indienen van een nieuw aanvraagformulier onontbeerlijk is. Aanvraagformulieren Voor het aanvragen van een verlof dient gebruik te worden gemaakt van de daarvoor bestemde formulieren zoals die zijn opgenomen in Bijlage III bij de RWM. Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van het aanvraagformulier dienen de volgende stappen te worden doorlopen om te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor de verlening van het gevraagde verlof:
- Controleer of het aanvraagformulier volledig is ingevuld en of de aanvraag compleet is. Indien dit niet het geval is dan dient de aanvrager in de gelegenheid te worden gesteld om zijn aanvraag aan te vullen4Zie artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.;
- Controleer de leeftijd en identiteit van de aanvrager, laat de aanvrager zich legitimeren;
- Controleer of de aanvrager daadwerkelijk woonachtig is en ingeschreven staat op het opgegeven adres;
- Ga na of de aanvrager een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof (zie hiervoor de in onderdeel B 2 tot en met B 6 opgenomen criteria);
- Controleer of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of munitie aan de aanvrager kan worden toevertrouwd (zie onderdeel B 1). Hiertoe dienen minimaal de volgende bronnen geraadpleegd te worden: • Justitieel Documentatieregister; • De interne politieregisters; • CIE – registers (voor zover mogelijk); • Controleer – middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden – of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en/of munitie (zie B 8). Het verdient aanbeveling om deze controle – in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats – pas uit te voeren als vast staat dat het verlof kan worden verleend. Verlenging van een verlof Voor de verlenging van een verlof hoeft geen aanvraagformulier te worden ingevuld. De aanvraag van de verlenging van een verlof kan eventueel ook mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verlengingsaanvraag. Bij iedere verlengingsaanvraag dient te worden beoordeeld of de aanvrager nog steeds een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof en of er ten aanzien van de aanvrager geen sprake is van een situatie van ‘vrees voor misbruik’. 1.4.4.2 Verlof tot voorhanden hebben van wapens en munitie Voor ieder van de in het bijzondere deel genoemde gevallen waarin mogelijk een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden verleend, is bepaald welk aanvraagformulier dient te worden gebruikt en welk verlofdocument dient te worden uitgereikt. Dit is aangegeven bij de desbetreffende paragraaf. In bepaalde gevallen is voor de feitelijke verkrijging van een wapen, waarvoor een verlof tot het voorhanden hebben is verleend, een verlof tot verkrijging noodzakelijk (zie onderdeel A 1.4.4.5). Een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie kan onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van de modellen WM 26 en WM 27 van de bijlage III van de RWM bevat het verlof de standaardtekst, beperkingen en voorschriften daaronder begrepen, zoals vermeld op het toepasselijke model van bedoelde bijlage en wordt die tekst aangevuld met de conform de inhoud van deze circulaire te vermelden beperkingen en voorschriften. Indien de bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven kan de korpschef gemotiveerd extra beperkingen of voorschriften aan het verlof verbinden. Op bepaalde modellen van het verlof tot het voorhanden hebben zijn ruimtes opengelaten waaruit, indien deze zijn afgestempeld en geparafeerd door de korpschef, blijkt dat tevens een verlof tot voorhanden hebben van de bijbehorende munitie is verleend of dat een (doorlopend) verlof tot vervoer is verleend. Voorzover nodig is steeds vermeld in welke gevallen deze verloven in de regel kunnen worden verleend. 1.4.4.3 Verlof tot dragen van wapens en munitie Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WWM is het verboden om een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat dit verbod niet van toepassing is op personen die: a. houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 29, voor zover dit verlof reikt; of 1.4.4.4 Verlof tot vervoer van wapens en munitie De belangrijkste bepalingen omtrent vergunningen tot vervoer en de verlening van verloven tot vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III zijn te vinden in de artikelen 22 en 24 WWM. Verloven tot vervoer worden verstrekt door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. Op grond van artikel 9, vierde lid, WWM, kan de korpschef die de erkenning verleent of heeft verleend bepalen dat de erkenning tevens inhoudt vergunning tot vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III. Vergunningen en verloven tot vervoer kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van de modellen WM 26 en WM 27 bevat het verlof tot vervoer de voorschriften en de overige tekst van het in bijlage III bij de RWM opgenomen model WM 12 (Verlof tot vervoer). De vergunning en het verlof tot vervoer moeten onder bepaalde omstandigheden worden gewijzigd of ingetrokken door de Minister van Veiligheid en Justitie of het orgaan dat de vergunning of verlof heeft verleend (zie artikel 7, tweede lid, WWM). De Minister van Veiligheid en Justitie heeft voor een aantal gevallen vrijstellingen van het verbod om een wapen of munitie te vervoeren verleend. Deze gevallen zijn omschreven in de paragrafen 5, 10, en 17 en de artikelen 4, 21, 22, 24, 39, 40 en 41, tweede lid, van de RWM. De personen die in opdracht van de houder van de vergunning of het verlof tot vervoer zijn belast met het feitelijk transport van de wapens of munitie, worden altijd in de vergunning of het verlof vermeld. Zie ook de vrijstellingen op dit punt in de artikelen 45 en 46 van de RWM. Personen die bevoegd zijn vuurwapens en munitie te dragen, is het ook toegestaan die wapens en munitie te vervoeren. Bevoegd tot het dragen van vuurwapens en munitie zijn onder meer personen die een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet bezitten, wat betreft de voor de jacht bestemde wapens en munitie van categorie III, die in de jachtakte zijn omschreven (artikel 27, tweede lid, aanhef en onder b, WWM). De wet beperkt deze bevoegdheid tot dragen tot het terrein waar de jachtaktehouders tot de jacht gerechtigd zijn. Voor het overige dienen de wapens te worden vervoerd in de zin van de WWM (derhalve zodanig verpakt dat ze niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend). Zie hieromtrent de vrijstelling in artikel 44 RWM. Incidenteel verlof tot vervoer ten behoeve van particulieren De aanvrager dient zelf bevoegd te zijn om het wapen waarop de aanvraag betrekking heeft, voorhanden te hebben. Ook de ontvanger moet uiteraard bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van dit wapen. Het kan echter voorkomen dat degene die daadwerkelijk het vervoer verricht, in beginsel die bevoegdheid niet bezit. Deze persoon of dit bedrijf (b.v. een vervoersbedrijf) verkrijgt de bevoegdheid om het wapen of de munitie te vervoeren via de vrijstellingen in artikel 45 en 46 RWM, respectievelijk door het aan de aanvrager verleende verlof tot vervoer bij zich te dragen. Dit verlof vermeldt de naam van de vervoerder (indien het een particulier betreft) of de naam van het bedrijf waarvoor hij werkzaam is (indien het beroepsvervoer betreft). Na afloop van het vervoer dient de vervoerder het verlof toe te zenden aan de korpschefs in de politieregio waar het verlof is afgegeven. Indien het verlof niet wordt gebruikt, dient de aanvrager het verlof terug te zenden aan de korpschef in de politieregio waar het verlof is afgegeven. Formulieren Aanvraagformulier: model WM 11 in bijlage III bij de RWM. Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. Doorlopend verlof tot vervoer gekoppeld aan het verlof tot voorhanden hebben Indien de korpschef een verlof tot het voorhanden hebben afgeeft, zal de betrokkene soms ook over een doorlopend verlof tot vervoer moeten beschikken. Dit doorlopend verlof tot vervoer kan worden verleend door op het verlof tot het voorhanden hebben de daartoe opengelaten ruimte af te stempelen en te paraferen. Zo nodig kunnen de op het vervoer betrekking hebbende beperkingen en voorschriften, die standaard op het document staan vermeld, worden aangepast aan de omstandigheden van het geval. 1.4.4.5 Verlof tot verkrijging van wapens en munitie De bepalingen betreffende de verlening van verloven tot verkrijging van wapens en munitie van categorie III zijn te vinden in de artikelen 31 en 32 WWM. Verloven tot verkrijging van wapens en munitie worden verstrekt door die korpschef die ook het document afgeeft op grond waarvan betrokkene bevoegd zal zijn het wapen voorhanden te hebben. In de regel zal dit de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager zijn. Dit geldt ook in het geval dat een verlof tot verkrijging van een verenigingsvuurwapen wordt aangevraagd: deze aanvraag moet worden ingediend in de politieregio waar de aanvrager, te weten de schietvereniging, haar vaste accommodatie dan wel haar statutaire zetel heeft, ook al woont de feitelijke beheerder van de verenigingswapens elders. Heeft de aanvrager evenwel geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland dan is de korpschef in de plaats waar de aanvrager (tijdelijk) verblijft bevoegd. Aan de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, maar die wel ingezetene is van één van de andere lidstaten van de Europese Unie, kan slechts een verlof tot verkrijging van wapens, ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in de betrokken lidstaat aan een vergunning is onderworpen, worden verleend, wanneer aan de aanvrager een consent is verleend tot het doen uitgaan van de wapens (zie onderdeel A 1.4.5.1). Bij een overdracht van wapens en munitie met het oogmerk om deze onmiddellijk Nederland te doen uitgaan, zijn de artikelen 31 en 32 WWM niet van toepassing. Voor deze gevallen geldt de in artikel 20, tweede lid, WWM vermelde consentregeling. Verloven tot verkrijging kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van het model WM25 bevat het verlof tot verkrijging de gegevens zoals vermeld op het in bijlage III bij de RWM opgenomen model WM 2 (Verlof tot verkrijging van een (vuur)wapen/onderdeel/hulpstuk). De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in artikel 27 RWM vrijstelling verleend van het verbod van artikel 31, vierde lid WWM, voor het overdragen aan personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van degens, lucht-, gas- en veerdrukwapens en kruisbogen, één en ander met het oog op in verenigingsverband beoefende sporten. Ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de RWM dient de beheerder, als bedoeld in artikel 10 WWM, bij de verkrijging van wapens van categorie III van personen die een verlof tot het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 28 van de wet bezitten, dan wel op grond van artikel 26, tweede lid, van de wet voor de jacht bestemde wapens voorhanden mogen hebben, een ontvangstbewijs, overeenkomstig het in bijlage III bij deze wet opgenomen model, te verstrekken. Een verlof tot verkrijging is, zo volgt uit artikel 32, eerste lid, van de WWM, alleen nodig voor houders van een verlof tot het voorhanden hebben alsmede voor houders van een jachtakte (zie de laatste alinea van dit onderdeel voor de verkrijging van wapens door personen die op andere gronden bevoegd zijn om een wapen van categorie III voorhanden te hebben). Personen die een aanvraag indienen voor een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, zullen op het aanvraagformulier dienen aan te geven welk specifiek wapen (met vermelding van het nummer) zij wensen aan te schaffen, alsmede uit handen van wie zij het wapen zullen ontvangen. Dit brengt met zich mee dat, indien positief op de aanvraag wordt beslist, de korpschef voor het desbetreffende wapen een verlof tot het voorhanden hebben afgeeft of dit wapen bijschrijft op een reeds eerder aan betrokkene verleend verlof, terwijl hij tevens aan betrokkene een verlof tot verkrijging verstrekt. Een kopie van dit verlof tot verkrijging (waarop vermeld: KOPIE) zendt De persoon die het wapen overdraagt, dient het verlof tot verkrijging in ontvangst te nemen. Teneinde zeker te zijn dat het wapen aan de rechthebbende wordt overgedragen zal hij ook de identiteit van de verkrijger moeten vaststellen en het soort en nummer van diens identiteitsbewijs alsmede de datum van afgifte daarvan en de afgevende instantie, op het verlof tot verkrijging moeten noteren. Daarnaast zal hij zich ervan moeten vergewissen dat het desbetreffende wapen op een aan betrokkene verleend verlof of verleende jachtakte staat bijgeschreven. Eerst na deze handelingen en controles te hebben uitgevoerd, mag hij het wapen overdragen. Vervolgens moet hij het ingenomen verlof tot verkrijging toezenden aan de korpschef in de gemeente waar het wapen tot het moment van de overdracht stond geregistreerd. De verkrijger dient binnen twee weken na de verkrijging het wapen ter controle aan te bieden aan de korpschef die hem het verlof of de jachtakte heeft verleend, zodat deze kan verifiëren of de op het verlof of de jachtakte vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens van het wapen. Aan personen die geen houder zijn van een verlof tot het voorhanden hebben of een jachtakte, maar die uit anderen hoofde gerechtigd zijn wapens of munitie voorhanden te hebben, behoeft, alvorens zij tot de aanschaf van dat wapen over mogen gaan, geen verlof tot verkrijging als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de WWM, te worden verleend. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om personen die over een erkenning beschikken, als ook om – bij ministeriële regeling aangewezen – personen in overheidsdienst zoals genoemd in artikel 3a van de WWM. Alvorens aan één van de hier bedoelde personen een wapen over te dragen, zal diens bevoegdheid tot voorhanden hebben van dat wapen wel deugdelijk moeten worden vastgesteld. Die bevoegdheid kan bijvoorbeeld blijken uit een bewijs van erkenning of uit het bezit van een ‘voorschrift’ dat is afgegeven door het boven de persoon in overheidsdienst gestelde gezag. Formulier Verlofdocument: model WM 2 in bijlage III bij de RWM. 1.4.4.6 Weigering en intrekking Een verlof wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WWM (zie onderdeel A 1.4.4.1) of indien er sprake is van één van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, van de WWM. De meest frequent toegepaste weigeringsgronden zijn de onder sub b en c genoemde situaties van ‘het niet kunnen toevertrouwen‘ en ‘vrees voor misbruik’ (zie onderdeel B 1 voor de nadere invulling van deze begrippen). Een verlof kan worden ingetrokken indien er sprake is van één van de in artikel 7, tweede lid, van de WWM genoemde situaties. Hetgeen hierboven is opgemerkt met betrekking tot het verschil tussen sub b en sub c is eveneens van toepassing op de intrekkingsgronden in het voornoemde artikel. Een besluit tot intrekking of weigering dient zorgvuldig tot stand te komen en dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht aan een besluit stelt. Tegen beslissingen tot weigering of intrekking van een verlof staat, op grond van artikel 34 van de WWM, beroep open bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Tegen beslissingen van de minister die in beroep zijn genomen staat beroep open bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en tegen de beslissingen van de rechtbank staat vervolgens beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dit kader heeft de Raad van State geoordeeld dat de korpschef geen beroep kan instellen tegen een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie6Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 november 2002, LJN-nr: AE9910, Zaaknr: 200103516/1.. De door de korpschef op grond van de WWM uitgeoefende bevoegdheden worden immers uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. 1.4.4.7 Melding aan verenigingsbestuur bij intrekking of weigering Voorzover het redelijk belang voor de verlening van een verlof wordt ontleend aan het lidmaatschap van een schietvereniging, dient de korpschef het bestuur van de KNSA terstond in kennis te stellen van het feit dat een verlof is geweigerd of ingetrokken. Deze melding dient te bestaan uit: a. De naam, het adres en de geboortedatum van de betrokkene; 1.4.5 In- en uitvoer van wapens en munitie De in- en uitvoer van wapens en munitie is in Nederland onder meer geregeld in de WWM en in de Algemene Douanewet (ADW) en het daarbij behorende Besluit strategische goederen. Het kan dan ook voorkomen dat voor de uitvoer van wapens en/of munitie zowel een vergunning op grond van de WWM (consent) als een vergunning op grond van de ADW benodigd is. Omgekeerd kan het in bepaalde gevallen ook voorkomen dat voor de uitvoer van een bepaald wapen geen consent en geen uitvoervergunning nodig is. In de onderdelen A 1.4.5.1 en 1.4.5.2 is kort weergegeven hoe bepaald kan worden of er op grond van de WWM en/of de ADW een vergunning nodig is voor de in-, uit- of doorvoer van wapens en/of munitie. In onderdeel A 1.4.5.3 wordt tot slot nader ingegaan op het systeem van de Europese vuurwapenpas. 1.4.5.1 In- en uitvoer op grond van de Wet wapens en munitie Met betrekking tot in- en uitvoer onderscheidt de WWM drie soorten handelingen, namelijk: ‘doen binnenkomen’, ‘doen uitgaan’ en ‘doorvoer’. In artikel 1, onder 7 en 8, van de WWM zijn deze begrippen als volgt gedefinieerd: Binnenkomen en uitgaan: ‘het binnen het grondgebied van Nederland komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland met als bestemming een andere lidstaat van de Europese Unie’ 8 Doorvoer: ‘binnenkomen gevolgd door uitgaan’ 8 In- en uitvoer naar landen buiten de EU valt onder de IUW, zie onderdeel B 1.4.5.
- Wapens van categorie I Op grond van de WWM is het onder meer verboden om een wapen van categorie I voorhanden te hebben, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan. De verlening van een consent voor categorie I wapens is niet mogelijk9Een consent kan alleen worden verleend voor wapens van categorie II en III, zie artikel 14 van de WWM.. Voor de in- uit- of doorvoer van categorie I wapens kan de Ministerie van Veiligheid en Justitie ontheffing verlenen op grond van artikel 4 respectievelijk artikel 13, tweede lid van de WWM. Een ontheffing voor de in-, uit- of doorvoer van wapens van categorie I dient te worden aangevraagd bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Meer informatie over de aanvraag van een ontheffing kunt u vinden op de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj of u kunt telefonisch contact opnemen met het werkproces wet wapens en munitie, telefoonnummer:
(088)151 31 82 E-mail: drn-cdiu.groningen@belastingdienst.nl Wapens van categorie IV Voor de in- uit- of doorvoer van wapens van categorie IV is geen vergunning benodigd op grond van de WWM. Invoer van vrijgestelde wapens Voor het invoeren van wapens die in het land van verzending vergunningplichtig zijn maar in Nederland niet kan bij de CDIU een verklaring worden verkregen dat het desbetreffende wapen in Nederland niet vergunningplichtig is. Met deze verklaring kan dan meestal in het land van verzending een uitvoervergunning worden verkregen. 1.4.5.2 In- en uitvoer op grond van de Algemene Douanewet In het kader van het Nederlandse wapenexportbeleid mogen strategische goederen slechts worden uit- of doorgevoerd indien voor deze goederen een uitvoervergunning is verleend. Onder strategische goederen worden verstaan militaire goederen en goederen voor tweeërlei gebruik (goederen die zowel een civiele als militaire toepassing hebben, ook wel 'dual use' goederen genoemd). In het Uitvoerbesluit strategische goederen staat in een bijlage nauwkeurig omschreven welke goederen als strategisch moeten worden aangemerkt. Een groot deel van de (vuur)wapens waarop de Wet wapens en munitie van toepassing is, is tevens aangemerkt als militaire goederen. De uitvoer van strategische goederen – zonder vergunning van de Staatssecretaris van Economische Zaken – is verboden. Een persoon of een bedrijf dat voornemens is goederen uit of door te voeren die worden genoemd in het Besluit strategische goederen, dient bij de CDIU een uitvoervergunning aan te vragen (voor het adres zie onderdeel B 1.4.5.1). Om inzicht te verschaffen op welke wijze het Nederlandse export- en doorvoersysteem van strategische goederen is geregeld en welke goederen onder controle staan, heeft de CDIU in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken het Handboek Strategische Goederen opgesteld. Dit handboek is aan te vragen bij de CDIU. Het handboek is ook te raadplegen via de internetsite: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2006/10/23/handboek-strategische-goederen.html 1.4.5.3 Europese vuurwapenpas Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van de WWM wordt aan personen die gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van een vuurwapen op hun verzoek een Europese vuurwapenpas uitgereikt, waarop de door de aanvrager voorhanden gehouden wapens kunnen worden aangetekend. De invoering van de Europese vuurwapenpas is een gevolg van de toepassing van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477EEG). Met de invoering van de pas werd beoogd om enerzijds het reizen van met name jagers en sportschutters door de EU-landen met hun wapens te vergemakkelijken en anderzijds de binnenlandse controle op die jagers en sportschutters, die afkomstig zijn uit één van de andere bij de EU aangesloten landen, te vergroten. In verband met dit laatste wordt aan de tamelijk ruime vrijstelling10Zie de vrijstellingen voor sportschutters en jager voor buitenlandse activiteiten in paragraaf 15 van de Regeling wapens en munitie.van de consent- en verlofplicht voor (EU)jagers en sportschutters thans de voorwaarde van het bezit van de Europese vuurwapenpas verbonden. Het opnemen in de pas van een visum door de Nederlandse autoriteiten – in het geval van niet in Nederland ingezetenen – wordt uitdrukkelijk niet verlangd; het enkele bezit van een door een land van de EU afgegeven vuurwapenpas is voldoende. Voor jagers en sportschutters die niet in het bezit van een dergelijke pas zijn, geldt de vrijstelling dan ook niet; zij zullen in voorkomende gevallen een consent dienen aan te vragen. Als bijlage C3 is bij deze circulaire de invulinstructie voor de Europese vuurwapenpas opgenomen. Zowel artikel 28a van de WWMWet wapens en munitie (WWM) als voornoemde de Europese richtlijn van 18 juni 1991 waar dit wetsartikel op gebaseerd is spreken alléén van vuurwapens. Het is dus op grond van artikel 28a, eerste lid, van de WWM niet mogelijk een Europese vuurwapenpas af te geven voor een luchtdrukwapen. Het gaat immers om een vuurwapenpas. 2 Uitvoering en Toezicht 2.1 Uitvoering van de WWM 2.1.1 Algemeen Met de uitvoering van de wapenwetgeving zijn belast de Minister van Veiligheid en Justitie, de korpschefs in de politieregio’s en de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU). Minister van Veiligheid en Justitie De minister is belast met de uitvoering van de wapenwetgeving. Bepalingen over de uitvoering zijn neergelegd in paragraaf 10 van de wet. Een belangrijk voorschrift is artikel 38 dat stelt dat de minister bevoegd is aanwijzingen te geven aan de korpschefs, die verplicht zijn deze op te volgen. Algemene aanwijzingen aan de korpschef worden ingevolge artikel 38, tweede lid, WWM gegeven door tussenkomst van de korpsbeheerder. Algemene aanwijzingen kunnen immers gevolgen hebben voor de wijze waarop het regionale politiekorps wordt beheerd. Naast de bedoelde algemene aanwijzingen, die zijn opgenomen in de onderhavige circulaire, is de minister bevoegd om in individuele zaken aanwijzingen te geven. Korpschef Bij de uitvoering van de wet dienen de korpschefs de aanwijzingen van de Minister van Veiligheid en Justitie te volgen (artikel 38, tweede lid, WWM). Hieronder dienen zowel algemene als bijzondere aanwijzingen te worden begrepen. Voor wat betreft de positie van de korpschef (voorheen ‘de hoofden van plaatselijke politie’) wordt in de memorie van antwoord11Eerste Kamer, vergaderjaar 1985–1986, 14 413, nr. 54, blz. 9.het volgende opgemerkt: ‘…de hoofden van plaatselijke politie [korpschef] geen eigen beleid voeren doch ingevolge artikel 38, tweede lid, de aanwijzingen van de Minister van Veiligheid en Justitie dienen te volgen (…). Over de uitvoering van de wet is slechts de Minister van Veiligheid en Justitie tegenover de nationale volksvertegenwoordiging verantwoording schuldig’. In dit kader heeft de Raad van State geoordeeld dat de korpschef geen beroep in kan stellen tegen een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie12Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 november 2002, LJN-nr: AE9910, Zaaknr: 200103516/1.. De door de korpschef op grond van de WWM uitgeoefende bevoegdheden worden immers uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. De korpschef heeft de mogelijkheid de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden ingevolge de WWM te mandateren aan één of meer ondergeschikten binnen de politieregio. Daarvoor is een mandaatbesluit van de korpschef noodzakelijk. De korpschef blijft ook na mandatering verantwoordelijk voor de (immers namens hem) genomen beslissingen. Indien het gaat om een formeel besluit, dient in het besluit tot uitdrukking te komen dat de desbetreffende beschikking (zoals de intrekking van een verlof) namens de korpschef is genomen. Het ligt voor de hand dat naarmate het besluit ingrijpender is voor de burger, de verantwoordelijkheid daarvoor hoger in de organisatie wordt gelegd. Zo verdient het aanbeveling om de intrekking van een erkenning tenminste op het niveau van de districtschef of op vergelijkbaar niveau te doen plaatsvinden. De wetgever heeft de uitvoering van de WWM uitdrukkelijk binnen de politieorganisatie gepositioneerd. Zo is het voor de korpschef niet mogelijk zijn taken en bevoegdheden te mandateren aan een niet-ondergeschikte, bijvoorbeeld aan de burgemeester van een binnen de politieregio gelegen gemeente. Dat de WWM zich tegen een dergelijk mandaat verzet kan worden afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Invoeringswet Politiewet 1993, waarbij de taken en bevoegdheden van het hoofd van plaatselijke politie zijn overgeheveld naar de korpschef. Voorts is ook delegatie van taken en bevoegdheden (overdracht van de formele verantwoordelijkheid) niet mogelijk; de vereiste wettelijke basis in de WWM ontbreekt daarvoor dan ook. Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer Op grond van artikel 16, tweede lid, van de WWM is de Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer (CDIU) belast met de verlening van consenten zoals bedoeld in artikel 14 van de WWM13Zie onderdeel A 1.4.5.1 voor wat betreft de verlening van consenten op grond van de Wet wapens en munitie.. Uitzondering hierop vormen de consenten tot binnenkomen ten behoeve van de krijgsmacht en de overige openbare diensten (bijvoorbeeld de politie). Deze consenten worden – op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWM – verleend door de Minister van Defensie respectievelijk de Minister van Veiligheid en Justitie. Consenten tot uitgaan worden gewoon verleend door de CDIU. In de praktijk komt de verlening van consenten door beide ministers echter niet of nauwelijks voor. Dit is het gevolg van het feit dat de krijgsmacht en de politie (als instituut) op grond van artikel 3a, eerste en tweede lid, van de WWM zijn uitgezonderd van de consentverplichting. De uitzondering is eveneens van toepassing op personen die van de krijgsmacht of de politie deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover dit door de desbetreffende ministers bij regeling is bepaald14Zie onderdeel A 1.3.4 voor een nadere toelichting op de uitzonderingen die van toepassing zijn op bepaalde categorieën overheidsfunctionarissen.. 2.1.2 Administratieve voorschriften De voor de politie geldende administratieve voorschriften met betrekking tot de registratie van wapenbezitters vinden hun basis in artikel 38 van de WWM en zijn neergelegd in artikel 47 van de RWM. Uit artikel 47, eerste lid, RWM blijkt dat de korpschef twee registraties moet bijhouden van in zijn ambtsgebied woonachtige personen die in het bezit zijn van wapens of munitie. De eerste registratie bevat de personen die bevoegd zijn een wapen of munitie voorhanden te hebben op grond van een door hem verleend verlof, jachtakte of erkenning. De tweede registratie bevat de personen in zijn ambtsgebied die een wapen of munitie voorhanden mogen hebben op grond van een door een andere autoriteit verleende bevoegdheid. Voorbeelden hiervan zijn: • personen in het bezit van een door de Minister van Veiligheid en Justitie verleende ontheffing; • beheerders van verenigingsvuurwapens, indien de beheerder in een andere gemeente woonachtig is dan die waar de schietvereniging zijn zetel heeft en waar derhalve het verlof is afgegeven (zie onderdeel B 2.2.1). 2.2 Toezicht op de WWM Onder toezicht moet worden verstaan de werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd. Toezicht op de naleving heeft onder meer als kenmerk dat er controles worden uitgevoerd op de naleving van de regelgeving zonder dat er sprake hoeft te zijn van een (vermoedelijke) overtreding van een wettelijk voorschrift. Het toezicht en de handhaving is geregeld in paragraaf 11 van de WWM en in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het toezicht op de naleving van de wapenwetgeving zijn ingevolge artikel 45 WWM belast: • de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren15In de oude redactie van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering waren ook onbezoldigde (in de huidige terminologie: buitengewone) opsporingsambtenaren krachtens artikel 141 belast met de opsporing van strafbare feiten. Inmiddels wordt de opsporingsbevoegdheid van buitengewone opsporingsambtenaren echter geregeld in artikel 142 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 45 WWM bevat nog een verwijzing naar artikel 141 (oud) van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder 1°, bedoelt dus te verwijzen naar artikel 141 (oud) van het Wetboek van Strafvordering, derhalve inclusief buitengewone opsporingsambtenaren. Bij de eerstvolgende wetswijziging zal de redactie van artikel 45 WWM aldus worden aangepast.: • ambtenaren van politie • officieren van justitie • aangewezen (onder)officieren van de Koninklijke Marechaussee • de in artikel 51 RWM aangewezen ambtenaren van divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat die zijn belast met toezicht en opsporing; • de ambtenaren van de rijksbelastingen, bevoegd inzake douane. Aan de toezichthoudende ambtenaren komt een aantal bevoegdheden toe. Deze bevoegdheden zijn te vinden in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is een overkoepelende wet die geldt voor zover er in de bijzondere wet geen afwijkende bepalingen zijn opgenomen. De WWM kent in artikel 45, derde en vierde lid, een tweetal beperkingen op de artikelen 5:18, tweede lid, en 5:19 Awb. Hieronder wordt een kort overzicht gegeven van de aan de toezichthoudende ambtenaren toekomende bevoegdheden: • het betreden van plaatsen met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner (artikel 5:15) • het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16) • het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17) • het onderzoeken, opnemen en monsters nemen van zaken (5:18), evenwel alleen voor zover het betreft het openen van verpakkingen in het kader van het onderzoek van ladingen (zie artikel 45, derde lid, WWM) Let op: De bevoegdheid tot het onderzoeken van vervoermiddelen (artikel 5:19) komt niettoe aan de toezichthouders in het kader van de WWM (zie artikel 45, vierde lid, WWM). In het kader van de opsporing mag deze bevoegdheid wel worden toegepast. Het controleren (fouilleren) van personen en het doorzoeken van tassen behoort niet tot de bevoegdheden bij deze bestuursrechtelijke controle. Voor al de genoemde bevoegdheden geldt dat de toezichthouder hiervan slechts gebruik mag maken voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Dit artikel waarborgt onder meer dat de toezichthouder slechts die plaatsen kan betreden waar, naar redelijk vermoeden, in verband met de uitoefening van een bedrijf, wapens of munitie aanwezig zijn. In onderdeel B 9 worden aanwijzingen aan de korpschefs gegeven voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de WWM. Circulaire wapens en munitie 2012/bijzonder deel (B) 1 Geen vrees voor misbruik 1.1 Algemeen Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt. Het tweede lid van artikel 7 stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan of de Minister van Veiligheid en Justitie kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien (onder meer) er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie. Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden daaronder ook begrepen die gevallen waarin iemand een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. ‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd. 1.2 Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft. Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna). Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’. Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Bij dergelijk onderzoek kan blijken van: a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
- het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;
- het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Wet wapens en munitie;
- het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Opiumwet. 1.3 Overgangsmaatregel Voor personen die een strafbaar feit hebben gepleegd en die voor de inwerkingtreding van deze circulaire reeds in het bezit waren van een vergunning op grond van de Wet wapens en munitie gelden de ‘vrees voor misbruik’ criteria uit onderdeel B\4.3 van de Circulaire wapens en munitie (CWM) uit
- Deze overgangsmaatregel is uitsluitend van toepassing voorzover het desbetreffende strafbare feit is gepleegd vóór de inwerkingtreding van de CWM 2005 en voorzover het desbetreffende feit op grond van de CWM 1997 geen reden opleverde voor de conclusie dat er sprake was van een situatie van ‘vrees voor misbruik’ op grond waarvan de vergunning zou kunnen worden geweigerd of ingetrokken. 2 Schietsport 2.1 Algemeen Dit hoofdstuk bevat bijzondere regels voor sportschutters, schietverenigingen en schietcentra. Deze regels hebben onder meer betrekking op het gebruik van verenigingswapens (zie B 2.2), het exploiteren van een schietcentrum (zie B 2.3) en het bezit en gebruik van privé-wapens (zie B 2.4). In onderdeel B 2.5 is een toelichting opgenomen ten aanzien van onderdelen, hulpstukken en munitie. Ten aanzien van de verschillende takken van schietsport alsmede voor verboden/ongewenste wapens bevatten de onderdelen B 2.6 respectievelijk B 2.7 nadere regels. In onderdeel 2.8 is tenslotte een tweetal overgangsregelingen opgenomen met betrekking tot voor de schietsport ongewenste wapens en met betrekking tot het lidmaatschap van de KNSA. 2.2 Schietverenigingen Schietvereniging Onder een schietvereniging wordt verstaan de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWM). Om in aanmerking te komen voor een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de schietsport dient de aanvrager (via zijn vereniging) aangesloten te zijn bij de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA) en in het bezit te zijn van een geldige KNSA licentie 2.2.1 Verenigingsverlof Aan bij de KNSA aangesloten schietverenigingen kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens, die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door de leden van die vereniging. Verenigingen die niet bij de KNSA zijn aangesloten komen dus niet in aanmerking voor de verlening van een verenigingsverlof. In het aanvraagformulier voor het verenigingsverlof – dat wordt ingediend door het bestuur van de schietvereniging bij de korpschef in de politieregio waar de vereniging haar vaste accommodatie dan wel, blijkens de statuten, haar zetel heeft – moet de naam worden vermeld van het (bestuurs)lid dat namens de schietvereniging de vuurwapens gaat beheren. In het verenigingsverlof wordt deze persoon dan genoemd als vertegenwoordiger van het bestuur, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens, terwijl het verlof tevens zijn pasfoto bevat. Om als beheerder te kunnen fungeren moet het bestuurslid tenminste één jaar lid zijn van de schietvereniging en mag ten aanzien van hem geen ‘vrees voor misbruik’ (zie B 1) bestaan. Indien meer (bestuurs)leden als beheerder optreden, verkrijgt ieder van die (bestuurs)leden een verenigingsverlof. Het verenigingsverlof kan slechts worden verleend voor de wapens die zijn toegelaten bij de erkende tak of takken van schietsport (zie B 2.6.) die blijkens verklaring van het bestuur van de vereniging op het aanvraagformulier, in het verband van de vereniging worden beoefend. Het aantal vuurwapens, waarvoor het verenigingsverlof geldt, dient voorts in een redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig van die wapens gebruik maakt. Aangezien de verenigingen in de gelegenheid moeten worden gesteld om te voldoen aan de regelgeving omtrent de uitgifte van verenigingswapens, dienen ten aanzien van het aantal door de vereniging gevraagde verenigingsverloven geen beperkingen te worden aangelegd. 2.2.2 Gebruik van verenigingswapens binnen de schietvereniging Verenigingswapens zijn ervoor bestemd om de leden van de vereniging, die niet over een (geschikt) eigen vuurwapen beschikken, in staat te stellen de desbetreffende tak van schietsport te beoefenen. De op het verenigingsverlof vermelde beheerders mogen daartoe de verenigingswapens ter hand stellen aan andere leden, die onder toezicht van die beheerders en binnen de eigen verenigingsaccommodatie, de schietsport beoefenen. Voor het gebruik van verenigings- en privéwapens mag de vereniging munitie aan haar leden ter beschikking stellen. De vereniging mag alleen die munitie aan haar leden ter beschikking stellen die de vereniging zelf krachtens het verenigingsverlof voorhanden mag hebben. Bij de uitgifte en het gebruik van verenigingswapens en munitie dienen de volgende voorschriften in acht genomen te worden: a. Het gebruik van de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens is uitsluitend toegestaan: aan: • (aspirant) leden van een schietvereniging die in het bezit zijn van een geldige KNSA licentie (hierna te noemen: licentiehouders); • introducés, conform de regeling voor promotieactiviteiten en introducés (zie B 2.2.5.). e. Het gebruik van de aan licentiehouders verstrekte munitie geschiedt, voor zover het gaat om licentiehouders die geen privé- of verenigingsverlof hebben tot het voorhanden hebben van die munitie, onder toezicht van de beheerder. Dit toezicht is zodanig georganiseerd dat het niet mogelijk is dat de licentiehouder – die niet beschikt over het vereiste verlof – de eventueel niet verschoten munitie meeneemt buiten de schietaccommodatie. De eventueel niet verschoten munitie dient na afloop van de oefening of wedstrijd bij de beheerder in bewaring te worden gegeven die het opbergt in de daarvoor bestemde bergplaats. 2.2.3 Gebruik van verenigingswapens buiten de schietvereniging Het beoefenen van de schietsport met verenigingswapens, door leden van die vereniging, buiten de accommodatie van de eigen schietvereniging (bijvoorbeeld het deelnemen aan een schietwedstrijd elders) kan op de volgende wijzen plaatsvinden: a. De beheerder van de verenigingswapens begeleidt het desbetreffende lid naar die andere schietvereniging of schietplaats, alwaar hij hem het wapen ter beschikking stelt. Het lid schiet dan onder toezicht van de beheerder. Na afloop van de wedstrijd of de schietoefening neemt de beheerder het wapen weer in ontvangst; of 2.2.4 Door de krijgsmacht ter beschikking gestelde wapens aan studentenweerbaarheidsverenigingen Er zijn studentenweerbaarheidsverenigingen waaraan door de krijgsmacht vuurwapens ter beschikking worden gesteld om te worden gedragen bij het uitoefenen van eerbetoon en soortgelijke manifestaties De aanvraag voor een verlof tot het voorhanden hebben en vervoeren van deze wapens en de bijbehorende munitie, wordt door het bestuur van de betrokken vereniging ingediend bij de korpschef in de politieregio waar de vereniging is gevestigd of blijkens de statuten haar zetel heeft. De aanvraag wordt eerst in behandeling genomen nadat de bereidheid om de wapens ter beschikking te stellen schriftelijk is bevestigd van de zijde van de verantwoordelijke militaire autoriteit, die daarbij dient aan te geven om welke wapens het gaat, met vermelding van typen en nummer. In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als vertegenwoordiger van de vereniging optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto. Indien meer (bestuurs)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs)leden een verenigingsverlof. Op het verlof tot het voorhanden hebben dient hetgeen onder ‘BEPERKINGEN’ is gesteld met betrekking tot het vervoer, te worden aangepast aan de feitelijke situatie. 2.2.5 Promotieactiviteiten en introducés Verenigingsverloven en verloven tot het voorhanden hebben van privé-vuurwapens strekken er niet toe om personen die geen lid zijn van een schietvereniging in staat te stellen de schietsport te beoefenen. Niettemin bestaat er geen bezwaar tegen indien een schietvereniging incidenteel – in het kader van promotie van de vereniging en de schietsport – geïnteresseerden (introducés) in de gelegenheid stelt met de schietsport kennis te maken. Deze promotieactiviteiten mogen zowel georganiseerd (door het bestuur van de vereniging) als adhoc (bijvoorbeeld een door een lid van de vereniging meegebrachte introducé) plaatsvinden. Het organiseren van bedrijfsfeesten of andere evenementen – waarbij met vuurwapens kan worden geschoten – is echter niet toegestaan. Uitsluitend erkende schietcentra mogen op commerciële basis vuurwapens ter beschikking stellen aan derden (zie onderdeel B 2.3 voor de voorwaarden). Bij het ter beschikking stellen van verenigings- of privé-wapens dienen de volgende voorschriften in acht genomen te worden. Hierbij geldt dat de voorschriften voor zover zij zien op het ter beschikking stellen van luchtdrukwapens, slechts gelden voor het ter beschikking stellen aan minderjarigen. a. De schietvereniging dient een introducéregister17De introducéregisters dienen door de vereniging gedurende minimaal drie jaar te worden bewaard.bij te houden conform het model van de KNSA; 2.3 Schietcentra Het is niet ongebruikelijk dat een houder van een erkenning bij wijze van nevenactiviteit een schietcentrum exploiteert. Hierbij wordt ook aan personen die niet beschikken over een eigen vuurwapen de gelegenheid gegeven buiten verenigingsverband recreatief te schieten. Er bestaat geen bezwaar tegen deze activiteit mits er wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden. De houders van een erkenning kunnen derhalve, naast het verrichten van de activiteiten genoemd in artikel 9, eerste lid, WWM, een schietcentrum exploiteren. Op het bewijs van erkenning wordt aantekening gedaan van het verrichten van deze activiteiten. Bij de exploitatie van een schietcentrum dient het volgende in acht te worden genomen.
- Met de feitelijke leiding van het schietcentrum is de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder belast. Door de beheerder en zijn schietinstructeurs wordt toezicht gehouden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften inzake het omgaan met vuurwapens. b. Naam en voorletters van de schutter; c. Woonplaats; d. Soort legitimatiebewijs (paspoort, rijbewijs of ID-kaart); e. Nummer legitimatiebewijs; f. Nummer van de wapenvergunning (verlof of jachtakte) waarop het wapen staat vermeldt waarmee wordt geschoten. b. het schieten met hagelgeweren is uitsluitend toegestaan ten behoeve van het kleiduivenschieten in de door de KNSA gereglementeerde of erkende kleiduivendisciplines; c. het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op het schietpunt van de schietbaan door de beheerder of door een van zijn schietinstructeurs aan de schutter worden afgegeven20Omdat het schieten onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens.; d. de beheerder of de betrokken schietinstructeur blijft tijdens het schieten bij de schutter op het schietpunt; e. het vuurwapen en de overgebleven patronen dienen onmiddellijk na het schieten op het schietpunt weer aan de beheerder of de betrokken schietinstructeur te worden terug gegeven; f. gecontroleerd wordt of het aantal verschoten patronen plus het aantal overgebleven patronen overeenkomt met het aantal uitgereikte patronen. 2.4 Privé-wapens 2.4.1 Privé-verlof Onverminderd de bij of krachtens de wet gestelde vereisten gelden bij alle verlofaanvragen de volgende voorwaarden: a. de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar. Van de minimumleeftijdsgrens kan door de korpschef slechts worden afgeweken ten aanzien van serieuze, veelbelovende wedstrijdschutters in enige Olympische discipline. Dat sprake is van een serieuze, veelbelovende wedstrijdschutter dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van het bestuur van de KNSA; h. gedurende het eerste verlofjaar geldt het verlof voor niet meer dan één vuurwapen; i. voor wapens die zijn aangemerkt als een verboden of ongewenst wapen mag geen (nieuw) verlof worden verleend (zie B 2.7); j. bij een eerste verlofaanvraag dient de vertegenwoordiger van de korpschef -middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden – te controleren of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en munitie( zie B 8). Deze controle wordt, in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats, pas gedaan als vast staat dat het verlof kan worden verleend. 2.4.2 Schietbeurten Bij het aanvragen van een nieuw verlof dan wel bij de aanvraag tot verlenging van een bestaand verlof dient de aanvrager aan te tonen dat hij in de 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag minimaal 18 schietbeurten met een vuurwapen heeft verricht. Hierbij gaat het om het totaal aantal door de verlofhouder in de voorafgaande 12 maanden verrichte schietbeurten. Hoe de schietbeurten over deze periode zijn verdeeld, en met welk vuurwapen is geschoten, is hierbij niet van belang. De aanvrager dient hiertoe een op naam gesteld en door het bestuur van de schietvereniging gewaarmerkt schietregister te overleggen, waarin aantekening is gedaan van de schietoefeningen of schietwedstrijden waaraan de aanvrager heeft deel genomen. De aantekening dient te vermelden: a. de datum; 2.4.3 Buitenlandse schietverenigingen Het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband levert voor de betrokkene weliswaar een belang op bij het voorhanden mogen hebben van vuurwapens, maar dit enkele belang is geen ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 28 van de WWM. Gelet op de restrictieve wetgeving en het dienovereenkomstige beleid, wordt geen verlof verleend indien de aanvrager slechts de bedoeling heeft buiten Nederland de schietsport te beoefenen. De betrokkene zal zich, om in het desbetreffende land de bevoegdheid te krijgen om over een wapen te beschikken, tot de autoriteiten van dat land moeten wenden. Hij zal er voorts voor moeten zorgen dat het wapen in dat land – ten behoeve van het doel waarvoor hij het voorhanden wil houden – kan worden bewaard. 2.4.4 Maximum aantal wapens Uitgangspunt ingevolge het bepaalde in artikel 43, eerste lid RWM, is – zoals hiervoor reeds uiteengezet – een maximum aantal van vijf vuurwapens, bij te schrijven op een verlof tot het voorhanden hebben. Dit criterium houdt verband met de doelstelling van de WWM om het legale wapenbezit binnen redelijke grenzen te houden. Het staat de sportschutter echter vrij om, binnen de grenzen van het maximum aantal van vijf vuurwapens (zie B 2.4.1, onder g), meer wapens van een zelfde type of kaliber voorhanden te hebben. In het derde lid van de RWM is echter bepaald dat het maximum van vijf wapens niet van toepassing is op houders van een verlof tot het voorhanden hebben die aantonen dat zes, respectievelijk zeven, of meer wapens voor hen onontbeerlijk zijn voor de beoefening van de schietsport. Dat van een dergelijke situatie sprake is kan uitsluitend worden aangetoond middels een schriftelijke verklaring van het bestuur van de KNSA. Bij de eerste verlenging na inwerkingtreding van deze Circulaire kan, voor verlofhouders die reeds een verlof hebben tot het voorhanden hebben van zes of meer vuurwapens, het verlof worden verlengd zonder de vereiste verklaring van de KNSA. De verlofhouder dient dan te worden meegedeeld dat bij de volgende verlenging, wanneer deze nog wordt gevraagd voor zes of meer vuurwapens, de verklaring van de KNSA zal zijn vereist. 2.4.5 Schieten met vrijgestelde wapens Het komt regelmatig voor dat sportschutters de schietsport willen beoefenen met vrijgestelde (antieke) wapens waarvan het voorhanden hebben – op grond van artikel 18 van de RWM – is vrijgesteld22Zie ook het in bijlage C 1 opgenomen beslissingsschema.. Voor het schieten met een vrijgesteld wapen is een verlof tot het voorhanden hebben, nodig. De munitie voor deze vrijgestelde (antieke) wapens is – met uitzondering van ronde loden kogels (zie artikel 20 van de RWM) – echter niet vrijgesteld. Voor het beoefenen van de schietsport met een op grond van artikel 18 van de RWM vrijgesteld wapen, is dus voor zowel het wapen als de munitie een verlof tot voorhanden hebben vereist. Het vrijgestelde wapen wat op het verlof wordt vermeld, telt niet mee voor het maximum aantal toegestane wapens op het verlof. Het bestuur van de schietvereniging waarvan de schutter lid is verklaart op het formulier dat het vuurwapen waarvoor het verlof tot voorhanden hebben van munitie wordt gevraagd, zal worden aangewend voor een schietsportdiscipline, erkend of gereglementeerd in het KNSA Schiet- en Wedstrijdreglement, die in het verband van de vereniging kan worden beoefend. Elk kaliber waarvan de verlofhouder munitie voorhanden wenst te houden dient apart op het verlof vermeld te worden. Voor het schieten met vrijgestelde wapens behoeven dan ook geen schietbeurten te worden geregistreerd. Het op het verlof bijschrijven van de munitie heeft geen invloed op het maximaal aantal wapens als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de RWM. Wel dient de aanvrager te voldoen aan de algemene voorwaarden voor de verlening van een verlof ten behoeve van de schietsport zoals genoemd in onderdeel B 2.4.1, onder a,b,c,d,e, en j van deze circulaire. 2.4.6 Tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van een privé-wapen Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens een schietoefening of wedstrijd aan een medeschutter – die in het bezit is van een geldige KNSA-licentie – is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden a. het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie mag pas op de schietbaan aan de schutter worden afgegeven23Omdat het schieten onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens.; 2.4.7 Schieten op overheidsbanen Ten behoeve van schutters wier vereniging niet over een schietbaan beschikt voor het schieten met grootkaliber vuurwapens, heeft de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie een aantal overheidsschietbanen in gebruik, waar onder toezicht van KNSA-functionarissen schietoefeningen en wedstrijden worden gehouden. Aan bij de KNSA aangesloten schutters die van deze faciliteiten gebruik maken, kan op verzoek een verlof tot het voorhanden hebben van een groot kaliber vuurwapen worden verstrekt. De bevestiging dat een schutter of een vereniging toegang heeft tot een overheidsbaan kan worden verkregen bij het bondsbureau van de KNSA te Amersfoort. In sommige gevallen (bijvoorbeeld bij het Infanterieschietkamp ‘De Harskamp’), kan de bevoegdheid ook blijken uit een toegangspasje. Tenzij de schutter zijn bevoegdheid om op een overheidsbaan te schieten kan aantonen met een toegangspasje, dient de achterzijde van het aanvraagformulier WM-3, zowel door het bestuur van de eigen vereniging als door de KNSA te zijn ondertekend. 2.4.8 Voorschriften en beperkingen Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
- Het verlof tot vervoer is beperkt tot het vervoer tussen de woning en de schietbaan, de erkende wapenhandelaar of (na daaraan voorafgaand verzoek of toestemming van politiezijde) het bureau van politie, langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor zijn geboden. 2.5 Onderdelen, hulpstukken en munitie 2.5.1 Wissellopen en andere essentiële onderdelen Indien ten behoeve van de schietsport een verlof tot het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens is verleend, kunnen op dat verlof ook onder de WWM vallende onderdelen en hulpstukken (zie artikel 3 van de WWM) – bestemd voor deze vuurwapens – worden bijgeschreven. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan (reserve)onderdelen of aan wissellopen/wisselsets van een ander kaliber die het mogelijk maken om met een ander (goedkoper) kaliber munitie te schieten. Wisselsets en (reserve) onderdelen zoals lopen of sledes tellen niet mee bij het bepalen van het (maximum) aantal wapens op het verlof. Bij een eerste aanvraag mag dus een verlof worden verleend voor een wapen met wisselset, bijvoorbeeld een Walther GSP in het kaliber .22 lr met een bijbehorende wisselset om patronen in het kaliber .22 short of .32 S&W te kunnen verschieten. Voor de bijschrijving van een wisselloop/wisselset op het verlof dient de aanvrager een volledig ingevuld WM-3 formulier in te dienen waaruit blijkt voor welke erkende tak(ken) van schietsport de wisselloop/wisselset aangewend zal worden24Zie onderdeel B 2.6 voor de erkende takken van schietsport.. In artikel 18, aanhef en onder g van de RWM, is een vrijstelling voor patroonmagazijnen opgenomen. Deze vrijstelling geldt slechts voor personen die bevoegd zijn de daarbij behorende wapens of munitie voorhanden te hebben. Buiten de in deze vrijstelling bedoelde groep is voor het voorhanden hebben van patroonmagazijnen een verlof vereist. Patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips zijn geen onderdelen en/ of hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn en zijn derhalve niet verlofplichtig. 2.5.2 Munitie Aan de houder van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen ten behoeve van de schietsport wordt in principe tevens een verlof verleend tot het voorhanden hebben van de bijbehorende categorie III munitie. De verlofhouder mag dus uitsluitend categorie III munitie voorhanden hebben die bestemd is om met het desbetreffende wapen te worden verschoten. Het voorhanden hebben van categorie II munitie is dus – met uitzondering van expanderende projectielen (zie hieronder) – niet toegestaan. Maximum hoeveelheid munitie Het aantal stuks munitie dat een verlofhouder (en een jachtaktehouder) voorhanden mag hebben wordt in beginsel beheerst door de milieuwetgeving. Ingevolge het Inrichtingen- en vergunningenbesluit op de Wet milieubeheer, mag de verlofhouder (jachtaktehouder) – zonder vergunning op grond van deze wet – 10.000 stuks eenheidspatronen voorhanden hebben. Indien bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de korpschef daartoe nopen, kan op grond van de Wet wapens en munitie het aantal stuks munitie dat de verlofhouder voorhanden mag hebben, (gemotiveerd) worden beperkt. Expanderende projectielen De houder van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport mag de bij die wapens behorende categorie III munitie voorhanden hebben alsmede munitie voorzien van expanderende projectielen. In artikel 2, tweede lid, categorie II, onder 4 is namelijk bepaald dat munitie voorzien van expanderende projectiel