Aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld Aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld Achtergrond 1 Algemeen Op 1 september 2010 is van kracht geworden de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO); deze wet biedt aan burgemeester en officier van justitie nieuwe bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten om op te treden tegen ordeverstoringen, ook rond wedstrijden in het betaald voetbal. In deze aanwijzing wordt de praktische toepassing van de nieuwe bevoegdheden toegelicht en geplaatst naast de reeds bestaande wijze waarop de rol van het Openbaar Ministerie (OM) adequaat kan worden ingevuld. Voorts sluit de aanwijzing aan bij het beleidskader van de interdisciplinaire stuurgroep bestrijding voetbalvandalisme en -geweld, thans regiegroep bestrijding voetbalvandalisme. Deze heeft in 1997 een beleidskader vastgesteld dat in 2005, 2010 en 2011 is geactualiseerd. Ook heeft de stuurgroep het auditteam voetbalvandalisme ingesteld. Het beleidskader stelt de ketenbenadering tussen alle partners bij preventie en aanpak van voetbalvandalisme voorop. Taken en verantwoordelijkheden van betrokken partijen, alsmede gezamenlijke en individuele beleidsdoelstellingen en tolerantiegrenzen zijn geformuleerd en aan de actualiteit aangepast. Resultaat hiervan is een goed functionerende ketensamenwerking; het aantal incidenten is de afgelopen jaren verminderd, evenals de inzet van de politie in de stadions. De aandacht voor incidenten en mogelijke incidenten is echter onverminderd groot. 2 Voetbalvandalisme en -geweld Voetbalvandalisme en -geweld zijn geen juridisch gedefinieerde begrippen en zijn ook niet als delict in het Wetboek van Strafrecht te vinden. Teneinde deze begrippen te kunnen duiden moet dan ook gebruik worden gemaakt van een definitie. Het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme (CIV) hanteert de volgende definitie van ‘voetbalvandalisme’: ‘Gedragingen van personen alleen of in groepsverband in relatie tot het voetbal, die te maken hebben met verstoring van de openbare orde/veiligheid en/of het plegen van strafbare feiten’. Gegeven de centrale positie en de coördinerende rol van het CIV bij het verzamelen en de analyse van feiten en gegevens over voetbalvandalisme en -geweld is het logisch en wenselijk dat alle bij de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld betrokken personen en instanties deze definitie gebruiken. Enige factoren die een rol spelen bij de afweging of een incident tot voetbalvandalisme gerekend kan worden, komen in paragraaf 2.2 van het hoofdstuk informatieverstrekking aan de orde. 3 Categorisering (risico)wedstrijden Met ingang van het seizoen 2003–2004 worden wedstrijden ingedeeld in: A-categorie wedstrijd met een laag risico B-categorie wedstrijd met een midden risico C-categorie wedstrijd met een hoog risico Of een wedstrijd als categorie A-, B- of C-wedstrijd moet worden aangemerkt, kan onder meer bepaald worden aan de hand van de in het beleidskader opgenomen risicofactoren. Het bepalen van de categorie van een wedstrijd zal aan de orde moeten komen in de lokale driehoek. De uiteindelijke beslissing ligt het meest in de verantwoordelijkheidssfeer van de burgemeester. Aan de indeling van een wedstrijd in een categorie worden de door de ketenpartners te nemen (preventieve) maatregelen verbonden. Voor het OM zijn de minimale inspanningen per categorie in het hernieuwde beleidskader omschreven, waarvan de belangrijkste in deze aanwijzing zijn uitgewerkt. Samenvatting Deze aanwijzing stelt regels omtrent de (pre)opsporing, de vervolging van voetbalvandalisme en de daarop betrekking hebbende informatieverstrekking aan de KNVB. De aanwijzing geeft een nadere uitwerking van de rol van het OM, zoals deze is neergelegd in het Beleidskader voetbalvandalisme en voetbalgeweld 2010. Pre-opsporing 1 Beleidsuitgangspunten 1.1 Ketenbenadering Rondom het fenomeen voetbalvandalisme en -geweld zijn vele personen en instanties actief. Een adequate aanpak van voetbalvandalisme kan alleen slagen als de handen ineen worden geslagen. Betrouwbaarheid en ‘van elkaar op aan kunnen’ zijn hierbij de sleutelwoorden. Uitgangspunt bij de aanpak is dan ook de zogenaamde ketenbenadering, waarbij alle betrokkenen vanuit hun eigen verantwoordelijkheden en taken een bijdrage aan een adequaat antwoord op voetbalvandalisme leveren. Waar het gaat om de orde en veiligheid rondom voetbalwedstrijden in en rondom het stadion berust die eigen verantwoordelijkheid in eerste instantie bij de organisatoren van de wedstrijden. Onder ‘In en rondom het stadion’ wordt normaliter verstaan de ruimte binnen de hekken van de accommodatie, die als privaatterrein van de Betaald Voetbalorganisatie (BVO) moet worden beschouwd. Op lokaal niveau kunnen hierover in een convenant aanvullende afspraken gemaakt worden. Een instrument dat ten behoeve van de veiligheid door de BVO’s, stadionbeheerders en de KNVB kan worden gebruikt is het opleggen van een civielrechtelijk stadionverbod en/of een civielrechtelijke boete aan de voetbalvandalen. Een belangrijke taak heeft de KNVB ook met betrekking tot het zelf nemen van preventieve maatregelen en tot het stimuleren van de BVO’s om preventieve maatregelen te nemen. Het optreden van de politie en het OM is, naast het actief verstrekken van informatie in geval sprake is van voetbalvandalisme, aanvullend en ligt in het verlengde van de door de KNVB en de BVO’s te nemen preventieve maatregelen. 1.2 Beleid OM Het OM is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Veelal gaat het bij voetbalvandalisme om (dreiging van) geweld tegen personen. Overigens neemt dit af op wedstrijddagen in of rond de stadions, maar wordt op andere plaatsen en tijden de confrontatie met rivaliserende hooligans of de politie gezocht. De justitiële reactie is daarop toegesneden, hetgeen betekent dat er een hoge prioriteit wordt gegeven aan de opsporing van de daders van dergelijke delicten. Concreet betekent dit dat het OM zich duidelijk zal moeten profileren in de fase waarin ter voorbereiding op een wedstrijd de beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzen worden geformuleerd. De hoofdofficier van justitie heeft daarbij een duidelijke rol en moet er zorg voor dragen dat het draaiboek, dat de burgemeester in overleg met de (hoofd)officier van justitie en de korpschef opstelt, voor iedere wedstrijd voldoet aan de eisen en prioriteiten van het OM, waaronder begrepen voldoende opsporingscapaciteit, zowel tijdens als na de wedstrijd. Ook bij dreiging van geweld buiten wedstrijdverband om streeft het OM naar opsporing en vervolging en stemt dit in de driehoek af met de toepassing van bestuurlijke bevoegdheden. 1.3 Hooligans in Beeld Een effectieve aanpak van geweld door hooligans is alleen mogelijk als de politie over een goede informatiepositie beschikt en goede persoonsgerichte dossiervorming plaatsvindt. Deze aspecten zijn tevens van wezenlijk belang bij de handhaving van de strafbaarstelling van voorbereiding van geweld (artikel 141a Wetboek van Strafrecht) en het opleggen van mogelijke gedragsaanwijzingen (artikel 509hh Wetboek van Strafvordering). Het project ‘Hooligans in beeld’ van de politie is gericht op het verkrijgen van een informatiepositie en goede dossiervorming. De politie stelt een limitatieve lijst met hooligans samen die voor de meeste problemen zorgen; deze lijst is het uitgangspunt voor een persoonsgerichte aanpak, waarbij multidisciplinair tot passende preventieve en repressieve, bestuurlijke en strafrechtelijke interventies wordt gekomen. Het samenstellen van deze lijst is lokaal maatwerk en daarom worden lokaal criteria geformuleerd op basis waarvan personen op de lijst terecht kunnen komen. Het OM (en de gemeente) zal daartoe conform de aanpak van veelplegers in de veiligheidshuizen de dossiers van hooligans aanvullen met relevante informatie van justitiële en gemeentelijke partners en casusoverleg voeren. Het instellen van projectmatig opsporingsonderzoek maakt nadrukkelijk onderdeel uit van de set van interventies die kan worden toegepast om personen uit de toplijst aan te pakken1 In dit kader wordt als voorbeeld verwezen naar een aanbeveling tot het verrichten van opsporingsonderzoek naar drugshandel in hooligangroepen uit de evaluatie van Hooligans in Beeld 1 (Ferwerda e.a., Terugkijken en vooruitzien, eindrapportage landelijke invoering hooligans in beeld, december 2007). . Het OM ziet er op toe dat de politie ‘Hooligans in beeld’ uitvoert en committeert zich aan een persoonsgerichte aanpak van de hooligans op de toplijst. 2 De rol van het OM 2.1 Lokaal voetbalconvenant Bij de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld zijn preventieve maatregelen van groot belang. Als één van de deelnemers in de lokale driehoek is een duidelijke taak weggelegd voor de hoofdofficier van justitie. In het lokale driehoeksoverleg worden voor een bepaalde periode in samenspraak met de betrokken BVO en in overeenstemming met het Beleidskader bestrijding voetbalvandalisme en voetbalgeweld 2010 en het ‘Modelconvenant betaald voetbal’, zoveel mogelijk heldere afspraken over de beleidsuitgangspunten en de tolerantiegrenzen in een lokaal voetbalconvenant vastgelegd. De hoofdofficier zorgt ervoor dat de justitiële beleidsuitgangspunten en de daaruit voortvloeiende tolerantiegrenzen met betrekking tot spreekkoren, (overtreding van) het civielrechtelijke stadionverbod en de bejegening van stewards, beveiligingspersoneel, officials en de politie en het justitieel vervolgingstraject in een lokaal voetbalconvenant worden neergelegd. Aanbevolen wordt om ten minste eenmaal per voetbalseizoen dit convenant met de lokaal betrokken partijen te evalueren en te beoordelen of de genomen maatregelen nog voldoende zijn. Met name dienen daarbij de volgende aandachtspunten aan de orde te komen: • het minimumaantal verplichte stewards in dienst van de BVO en de beschikking van de BVO over de vereiste vergunningen in verband met de eisen van de Wet op de weerkorpsen c.q. de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus in geval de stewards naast begeleiding ook beveiligingswerkzaamheden uitvoeren die onder deze wetten vallen; • het vaststellen c.q. bijstellen van de inspanningsverplichting van de BVO in relatie tot de minimumeisen van de KNVB; • de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van het geldende beleidskader. Hierbij verdienen de in het beleidskader neergelegde beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzen met betrekking tot spreekkoren, (overtreding van) het civielrechtelijke stadionverbod en de bejegening van stewards, beveiligingspersoneel, officials en de politie de bijzondere aandacht; • de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het door de BVO opgestelde supportersbeleidsplan en veiligheidsplan; • de naleving door de BVO van de veiligheidsvoorschriften van de KNVB (bijvoorbeeld alcohol, fouillering); • de mate waarin door de BVO en eventueel de stadionbeheerder gebruik wordt gemaakt van hun bevoegdheid over te gaan tot civielrechtelijke uitsluiting. Deze mogelijkheid leent zich in het bijzonder voor vormen van wangedrag waarbij strafrechtelijk ingrijpen niet aangewezen is; • de stand van zaken met betrekking tot een adequate toegangscontrole bij het stadion ter handhaving van de civielrechtelijke uitsluitingen (stadionverboden); • de stand van zaken met betrekking tot de uniformiteit van de onderscheiden lokale convenanten wat betreft de beleidsuitgangspunten en de tolerantiegrenzen; • het justitieel vervolgtraject. 2.2 Draaiboek ter gelegenheid van een voetbalwedstrijd Zoals hierboven reeds aangegeven, wordt aan het begin van het voetbalseizoen in de lokale driehoek ingeschat in welke categorie de te spelen voetbalwedstrijden vallen. Voorafgaand aan elke wedstrijd bekijkt de driehoek of er aanleiding is om de categorie bij te stellen. Het CIV kan hiertoe de noodzakelijke informatie verschaffen. Het bij die categorie behorende draaiboek is uitgangspunt. Indien noodzakelijk kunnen aanvullende, op de situatie toegespitste afspraken worden gemaakt. 2.2.1 Algemene beleidsuitgangspunten De hoofdofficier van justitie formuleert bij de besluitvorming in de lokale driehoek de naar zijn mening gewenste justitiële beleidsuitgangspunten en daaruit voortvloeiende strafrechtelijke tolerantiegrenzen, met het daarbij behorende justitieel vervolgtraject. • De hoofdofficier van justitie verstrekt de driehoek een adequaat en volledig overzicht van de strafrechtelijke handvatten voor het politieoptreden. • De hoofdofficier draagt in de politieregio zorg voor eenduidige strafrechtelijke tolerantiegrenzen. • Het beleid is er op gericht de wedstrijd ongestoord doorgang te laten vinden, waarbij het nemen van preventieve en proactieve maatregelen nadrukkelijk aan de orde moet komen. • Alle maatregelen zijn er op gericht de openbare orde en rechtsorde rond de wedstrijd op aanvaardbare wijze te handhaven. • Meer specifiek wordt het noodzakelijke politieoptreden gekenmerkt door een zorgvuldige afweging van de mate van inbreuk op de openbare orde c.q. rechtsorde en de gevolgen van het politieoptreden op die inbreuk. • Het politieoptreden is mede gericht op het voorkomen en beteugelen van ongeregeldheden, onder meer door confrontaties tussen supportersgroepen te voorkomen. • Bij het zich voordoen van ongeregeldheden is het beleid er op gericht zoveel mogelijk aanhoudingen te verrichten, in het bijzonder van zogenaamde hardekernsupporters. • Bij het verrichten van aanhoudingen wordt de ernst van de overtreding afgewogen tegen de gevolgen voor de verdere handhaving van de openbare orde. • Het politieoptreden is gericht op het inwinnen van informatie over potentiële daders en -dadergroepen. • Samenwerking en afstemming met andere betrokkenen wordt gezocht. 2.2.2 Meer specifieke beleidsuitgangspunten • Er vindt afstemming plaats met de gemeente over mogelijke toepassing van de artikelen 154a, 172a, 175, 176 en 176a Gemeentewet in geval van (dreiging van) (grootschalige) ordeverstoringen en andere bestuursrechtelijke maatregelen. • De politie stelt een draaiboek op, waarin is opgenomen een plan voor de afhandeling van met name grote groepen arrestanten (zoals bijvoorbeeld het arrestantenvervoer), het opmaken van proces-verbaal en de tolerantiegrenzen. • Er wordt gezorgd voor de aanwezigheid van goede en voldoende videoapparatuur. • Het OM ziet erop toe dat er afspraken gemaakt worden tussen de betrokken ketenpartners over (de bevoegdheid tot) gebruik en uitwisseling van beeldmateriaal bij identificatie, opsporing en vervolging van supporters die huisregels overtreden of strafbare feiten begaan. Met camera’s gemaakte beelden van supporters die vernielingen hebben aangericht moeten zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden gebruikt worden voor het aanpakken van deze supporters. • Er wordt zorg gedragen voor de inzet van aanhoudingseenheden. • Bij een risicowedstrijd neemt de politie contact op met het CIV en met de politie in de plaats van herkomst van de bezoekende supporters. • Er wordt zorg gedragen voor de beschikbaarheid van recherchecapaciteit voor opsporingsonderzoek na de wedstrijd. 2.2.3 Het justitiële vervolgtraject De hoofdofficier draagt er zorg voor dat bij de bespreking in de lokale driehoek aandacht wordt besteed aan het justitiële vervolgtraject in geval van categorie B en C wedstrijden. Hierbij wordt de justitiële politiecapaciteit besproken in verband met de afhandeling van geconstateerde strafbare feiten, zowel met betrekking tot de arrestaties rondom de wedstrijd als de afhandeling van aangiften, dan wel ambtshalve geconstateerde strafbare feiten. De hoofdofficier draagt zorg voor een lokale voetbalsnelrechtprocedure voor de afhandeling van voetbalvandalisme. Uitgangspunt daarbij is waar mogelijk (super)snelrecht met voorlopige hechtenis toe te passen en in andere gevallen2 Zie Menukaart (super)snelrecht. voetbalvandalen bij heenzending door de politie een transactie of dagvaarding uit te reiken. Het OM zal tevens waar juridisch mogelijk op grond van artikel 509hh Sv bij voorgeleiding of heenzending met dagvaarding, dan wel zo spoedig mogelijk daarna, de verdachten een stadionverbod met meldingsplicht opleggen en uitreiken. In geval van categorie B-wedstrijden is de voetbalofficier van justitie op afroep beschikbaar voor ad hoc driehoeksoverleg en voor het toepassen van de lokale voetbalsnelrechtprocedure. Bij een categorie C-wedstrijd is de voetbalofficier van justitie in het beleidscentrum/stadion/op de plaats van de arrestantenafhandeling aanwezig. Opsporing 1 Beleid OM Het OM stelt voor de opsporingsfase lage strafrechtelijke tolerantiegrenzen. Optreden op basis van de Wet op de identificatieplicht (WID) en APV-bepalingen (betreffende de openbare orde) kent een grote beleidsvrijheid (selectief optreden tegen dreigend gevaar van vandalisme en geweld) en niet elke vorm van milde verbale agressie (belediging) hoeft uit te monden in politieoptreden. Voor het overige (onder meer alle vormen van fysiek geweld, tegenwerking van politie en veiligheidsdiensten, bedreiging, discriminerend gedrag, vuurwerk- en wapendelicten, alsmede ernstige vormen van verbale agressie) mag vrijwel niets getolereerd worden. Slechts op grond van bijzondere omstandigheden ter plaatse, bijvoorbeeld indien van optreden een ernstig nadelig effect voor de verdere handhaving van de openbare orde mag worden verwacht, kan van optreden worden afgezien. Zo mogelijk moet na de wedstrijd recherchecapaciteit worden vrijgemaakt om niet-aangehouden voetbalvandalen alsnog op te sporen en aan te houden. Vanzelfsprekend geldt dit met name voor de ernstige vormen van geweld en discriminatie. Uitgangspunt is dat iedereen die een strafbaar feit pleegt, waarbij de tolerantiegrenzen worden overschreden, zo mogelijk onmiddellijk wordt aangehouden. Hierdoor wordt de anonimiteit doorbroken en kan escalatie van het groepsoptreden worden tegengegaan. De afweging of aanhoudingen met het oog op het handhaven van de openbare orde verantwoord zijn, wordt in de meeste gevallen door de algemeen commandant van de politie gemaakt. Op cruciale momenten maken de hoofdofficier van justitie en de burgemeester deze afweging en laten zij zich door de politie adviseren over de operationele mogelijkheden. Naarmate het risico groter is, worden meer inspanningen van de voetbalofficier van justitie verlangd. • In geval van categorie A-wedstrijden is de voetbalofficier van justitie telefonisch bereikbaar voor advies en spoedoverleg. • In geval van categorie B-wedstrijden is de voetbalofficier van justitie op afroep beschikbaar voor ad hoc driehoeksoverleg en is de voetbalofficier van justitie op afroep beschikbaar voor het toepassen van de lokale voetbalsnelrechtprocedures. • In geval van categorie C-wedstrijden is de voetbalofficier van justitie in het beleidscentrum/stadion/op de plaats van de arrestantenafhandeling en past het OM altijd de lokale voetbalsnelrechtprocedure toe. Indien qua prioriteit en qua capaciteit mogelijk, past het OM voetbal snelrecht toe met een (sterk) verkorte doorlooptijd tot aan de terechtzitting. 2 Strafbaarstelling voorbereidingen (openlijke) geweldpleging (artikel 141a Wetboek van Strafrecht) Per 1 september 2010 is door middel van de Wet MBVEO in artikel 141a Sr strafbaar gesteld het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld tegen personen of goederen. Met deze strafbaarstelling wordt opsporing van dergelijke gedragingen, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken die hooligans via sms-berichten, internetcontacten, telefoongesprekken en andere methoden van communicatie-uitwisseling van tevoren maken die o.a. openlijke geweldpleging kunnen bevorderen en een groot gevolg kunnen hebben voor de veiligheid van personen en goederen, in een vroeg stadium mogelijk gemaakt. Politie en OM kunnen dan op basis van een verdenking van deze gedragingen tot opsporing overgaan. Zij hoeven geen informatie te hebben over fysieke voorbereidingshandelingen, zoals het voorhanden hebben van voorwerpen die zijn bestemd tot het begaan van geweldsmisdrijven. Door wijziging van artikel 67 Sv is bovendien voorlopige hechtenis mogelijk. In toenemende mate komt er bij politie en OM informatie binnen dat hooligans met elkaar de confrontatie zoeken buiten de voetbalstadions. De nieuwe strafbaarstelling in artikel 141a Sr biedt een passend juridisch instrument. Dergelijke informatie kan voor het OM en de politie aanleiding vormen tot het verrichten van een opsporingsonderzoek. Daarbij kunnen bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals het opnemen van telecommunicatie of stelselmatige observatie worden toegepast. Om de handhaving van dit wetsartikel effectief te laten zijn, is het van belang om een goede informatiepositie in hooligangroeperingen te hebben. De regionale inlichtingendienst (RID) heeft tot taak informatie in te winnen in het kader van de openbare orde; de informatie-inwinning op het gebied van voetbalvandalisme is binnen de politie dan ook daar belegd. De informatie van de RID over voorbereiding van mogelijk geweld kan na verstrekking daarvan door middel van een proces verbaal aan tactische politiecollega’s het startpunt vormen van een opsporingsonderzoek. De informatie over hooligans in ‘Hooligans in beeld’ kan de binnengekomen RID-informatie ondersteunen. Het OM streeft ernaar om met de politie, voor zover juridisch en praktisch mogelijk, een opsporingsonderzoek naar voorbereidingen van openlijke geweldpleging te starten. De strafbaarstelling van voorbereiding van geweld laat onverlet de mogelijkheid om bij dreigende confrontaties preventief in te grijpen, al dan niet met gebruikmaking van de bestaande noodbevoegdheden van de burgemeester. De Wet MBVEO (artikel 172a Gemeentewet) biedt de burgemeester van de plaats waar de confrontatie zou moeten plaatsvinden voorts de mogelijkheid tot het opleggen van preventieve gebiedsverboden aan bekende hooligans die van elders zouden aanreizen voor de confrontatie; dit gebiedsverbod kan worden gecombineerd met een meldingsplicht van die hooligans in de gemeente van vertrek (het zogenoemde ‘reisverbod’). Afstemming in de driehoek over toepassing van deze bestuurlijke instrumenten en opsporing op grond van artikel 141a Sr is gewenst. Vervolging 1 Beleid OM Voor de fase van vervolging geldt als uitgangspunt dat het OM bij B- en C-wedstrijden en tevoren bekend geworden confrontaties in geval van (dreiging van) geweld tegen personen en geweld tegen goederen waar juridisch mogelijk (super)snelrecht met voorlopige hechtenis toepast; dan wel aan voetbalvandalen bij heenzending een transactie of dagvaarding uitreikt. Indien personen die voorkomen op de lijst van Hooligans in beeld voor een voetbalgerelateerd feit worden aangehouden, zullen zij, als dit wettelijk mogelijk is, worden voorgeleid voor de rechter-commissaris. In beginsel dienen alle opgespoorde feiten, indien bewijsbaar, uit te monden in een strafrechtelijke sanctie. De hoofdofficier draagt er zorg voor dat zijn organisatie alle zaken, voor zover deze niet reeds met supersnelrecht of het aanhouden en uitreiken van een dagvaarding of transactie zijn afgedaan, binnen twee maanden na binnenkomst op het parket heeft beoordeeld. Het ontbreken van een strafrechtelijke interventie na een optreden van de politie is voor de voetbalvandaal en zijn achterban een verkeerd signaal. Voor een beleidssepot is weinig ruimte. Slechts indien het feit in vergelijking met andere maatregelen (forse schadevergoeding, stadionverbod) zo gering is, dat een strafrechtelijke sanctie onredelijk zwaar is, kan een voorwaardelijk beleidssepot of een schriftelijk beleidssepot met waarschuwing worden overwogen. Bedacht moet worden dat het ontbreken van een strafrechtelijke reactie de kans vergroot dat een civielrechtelijke actie (stadionverbod en geldboete) door BVO of KNVB zal blokkeren. Het OM vervolgt de voetbalvandalen in beginsel in het arrondissement van de pleegplaats van het strafbare feit. De redenen hiervoor zijn dat het lokale OM een betere kennis heeft van de lokale situatie, alsmede dat eventuele aanvullende opsporingsactiviteiten en snelheid vragen om de inspanning van het lokale OM. Daarom geldt deze regel ook voor strafrechtelijke minderjarigen in misdrijfzaken, tenzij het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Het lokale OM kan op dit punt overleg plegen met het OM in welk arrondissement de woonplaats van de minderjarige is gelegen. Overtredingen door minderjarigen gepleegd, worden in beginsel vervolgd in het arrondissement van de pleegplaats. Een woonplaats of een openstaande strafzaak elders is dan ook geen reden om de voetbalstrafzaak over te dragen. De voetbalofficier van justitie van de pleegplaats is verantwoordelijk voor de melding aan de KNVB. 2 Het strafrechtelijk stadionverbod als gedragsaanwijzing (artikel 509hh Sv) De Wet MBVEO geeft de officier van justitie de bevoegdheid tot het opleggen van een gedragsaanwijzing. Een van de mogelijkheden is het opleggen van een gebiedsverbod in de vorm van een strafrechtelijk stadionverbod, waaraan een meldingsplicht kan worden gekoppeld. Vereisten zijn dat er ernstige bezwaren bestaan tegen een verdachte ter zake van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat. Ook kan een gedragsaanwijzing worden gegeven ingeval van verdenking van een strafbaar feit in verband waarmee de vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens personen of goederen. In de Memorie van Toelichting van de wet is vermeld dat de gedragsaanwijzing in de vorm van een stadionverbod met een eventuele meldplicht kan worden toegepast niet alleen bij geweldsfeiten, maar ook bij discriminatoir gedrag, zoals racistische spreekkoren. De gedragsaanwijzing strekt tot het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Ook bij het opleggen van dit stadionverbod is de informatie, opgenomen in een Hooligans in beeld-dossier over hooligans die de meeste overlast veroorzaken zeer relevant. De gedragsaanwijzing loopt vooruit op de strafrechtelijke afdoening door de rechter; de wetgever heeft de mogelijkheid gecreëerd om een lik-op-stukreactie te geven. Het OM zal dan ook, waar juridisch mogelijk, meteen bij voorgeleiding bij de rechter-commissaris of heenzending van de verdachte met dagvaarding, dan wel zo spoedig mogelijk daarna, een stadionverbod met meldingsplicht opleggen en doen uitreiken. Voor het opleggen van een gedragsaanwijzing is een proces-verbaal van de politie noodzakelijk, waaruit de ernstige bezwaren blijken ter zake van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig is verstoord dan wel sprake is van ernstig belastend gedrag jegens personen of goederen. Ook het toepassen van deze maatregel vraagt om een afspraak met de politie over voldoende recherchecapaciteit ten behoeve van direct onderzoek, het maken van beeldopnamen ter ondersteuning van de opsporing en zo mogelijk het opstellen van een sfeerproces-verbaal. Termijnen De gedragsaanwijzing geldt voor maximaal 90 dagen en kan driemaal worden verlengd met telkens maximaal 90 dagen. De aanwijzing eindigt in ieder geval bij een onherroepelijk vonnis. Daarnaast mag de rechter de duur en de inhoud van de gedragsaanwijzing wijzigen. Strafvervolging moet worden ingesteld binnen de eerste periode van 90 dagen. Het opleggen van het stadionverbod dient dan ook zoveel mogelijk tegelijkertijd met het uitreiken van de AU-/of snelrechtdagvaarding te geschieden. Samenloop gedragsaanwijzing en gebiedsverbod van de burgemeester in geval van ernstige openbare ordeverstoring door strafbare feiten Om te voorkomen dat de burgemeester en de officier beiden eenzelfde maatregel opleggen, dan wel op elkaar wachten, is in de wet een samenloopregeling opgenomen. Hoofdregel hierbij is dat de burgemeester niet optreedt als de officier van justitie de verdachte een gedragsaanwijzing geeft in de vorm van een stadionverbod (artikel 172 a lid 3 Gemeentewet). Meldingsplicht OM en politie maken op lokaal niveau afspraken over de uitvoering van de meldingsplicht, onder meer door te bepalen waar de verdachte zich moet melden. Aangezien de gedragsaanwijzing onmiddellijk na bekendmaking aan de verdachte van kracht wordt, dient het OM het stationverbod met meldingsplicht meteen in het Voetbal Volg Systeem in te voeren. Indien de verdachten in andere arrondissementen woonachtig zijn, hebben de voetbalofficieren contact en worden tussen OM en politie in beide arrondissementen afspraken gemaakt over de uivoering van de meldingsplicht. 3 Strafrechtelijk stadionverbod als eis van het OM ter terechtzitting In alle strafzaken waarin sprake is van ernstig voetbalgeweld of van een recidiverende voetbalvandaal, is het uitgangspunt dat het OM een onvoorwaardelijke gevangenisstraf eist. Mocht dit niet opportuun zijn, en een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf overwogen worden, dan moet deze deels voorwaardelijk worden gevorderd met een strafrechtelijk stadionverbod als bijzondere voorwaarde. Ter ondersteuning van de vordering aan de rechter tot het opleggen van een stadionverbod kan de invoering van de Wet MBVEO worden gehanteerd. De wetgever heeft, met inachtneming van het recht van bewegingsvrijheid en de jurisprudentie van het EHRM, bewust de inperking daarvan mede in de vorm van een stadionverbod in het leven geroepen. Onder ernstig voetbalgeweld dient te worden verstaan strafbare feiten die een gevaar betekenen voor de veiligheid en/of gezondheid van (een) perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.