← Nederland

Besluit subsidieplafond en beleidsregels subsidieverlening Vakbondsmedefinancieringsprogramma (Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016)

Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 23 februari 2012, nr. DJZ/BR/0282-12, houdende een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidieverlening in het kader van het Vakbondsmedefinancieringsprogramma (Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016) Besluit subsidieplafond en beleidsregels subsidieverlening Vakbondsmedefinancieringsprogramma (Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016) De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken; Gelet op artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006; Besluit: Artikel I 1 Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Vakbondsmedefinancieringsprogramma voor activiteiten in het tijdvak van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 gelden de beleidsregels die als bijlage bij dit besluit zijn gevoegd alsmede een subsidieplafond van € 49 miljoen. Dit subsidieplafond geldt onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking stelt. 2 De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats aan de hand van een beoordeling van de aanvragen aan de maatstaven, neergelegd in de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid. Slechts aanvragen die aan deze maatstaven voldoen komen voor toekenning in aanmerking. De mate waarin deze aanvragen worden gehonoreerd zal gerelateerd zijn aan de mate waarin aan de maatstaven wordt voldaan. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari

  1. Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,H.P.M.Knapen Bijlage : Subsidiebeleidskader Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016 1 Inleiding Voor u ligt het Subsidiebeleidskader Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016 (VMP 2013–2016) voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december
  2. Het beleidskader vormt het richtsnoer voor de beoordeling van de aanvragen voor subsidies onder dit kader. Samen met het verplicht te hanteren aanvraagstramien dat gepubliceerd is op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vormt het tevens de leidraad bij het opstellen van de subsidieaanvraag voor de periode 2013–
  3. De beschikbare subsidiemiddelen maken deel uit van het ‘Vakbondsmedefinancieringsprogramma’ dat zich richt op de financiering van activiteiten ter versterking van vakbonds- en arbeidsrechten. De Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking van 18 maart 2011 en de Basisbrief Ontwikkelingssamenwerking van november 2010 bevatten de beleidsvoornemens van de regering voor Ontwikkelingssamenwerking. Een sterke, onafhankelijke vakbeweging is cruciaal voor duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding door het teweeg brengen van veranderingen gericht op verbetering van de kwaliteit van werk en leven van werknemers in de formele en informele economie. Naast het welzijn van de individuele werknemer, draagt de vakbeweging ook op het sectorale, nationale en internationale niveau bij aan de sociaaleconomische vraagstukken en is pleitbezorger voor nationale arbeidswetgeving en adequate handhaving. Het Vakbondsmedefinancieringsprogramma bestaat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Sindsdien richt het programma zich op de versterking van de vakbeweging in ontwikkelingslanden, met het oog op structurele armoedebestrijding. Ook in het huidig economisch klimaat blijven vakbewegingen belangrijk voor het betrekken van iedereen bij economische groei. De beleidsreactie op het SER-advies uit 2011 ‘Duurzame Ontwikkeling door ondernemen’ onderstreept dit belang. Continuering van dit beleid door middel van het VMP is daarom een logische stap. Voor de periode 2013–2016 is een bedrag van € 49 miljoen beschikbaar. De voorliggende tender is vastgesteld onder het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking. Dit subsidiebeleidskader Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016 (VMP 2013–2016) verschijnt ook op de website van de Rijksoverheid, evenals het bijbehorende aanvraagstramien en de annexen waar in dit kader naar verwezen wordt.1Subsidiekader, bijbehorend aanvraagstramien en annexen staan gepubliceerd op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties 2 Beleidsuitgangspunten Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2.1 Doelstelling Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016 (4 jaar) Dit subsidiekader is een vervolg op het VMP 2009–
  4. De centrale beleidsdoelstelling van het Vakbondsmedefinancieringsprogramma is het versterken van arbeids- en vakbondsrechten en maatschappijopbouw in het kader van armoedebestrijding in ontwikkelingslanden ten behoeve van duurzame economische groei. De outcome2Zie annex III voor de definitie van ‘outcome’. van dit programma op beleidsniveau is de capaciteitsversterking van de vakbeweging in ontwikkelingslanden op bedrijfs-, sector, nationaal en internationaal niveau en de capaciteitsversterking van koepelfederaties in ontwikkelingslanden op internationaal niveau. Voor de subsidiëring van activiteiten die hieraan bijdragen heeft de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken voor de periode 2013–2016 een bedrag van € 49 miljoen beschikbaar gesteld. Op dit bedrag is een begrotingsvoorbehoud van toepassing. De looptijd van het programma is vier jaar van 1 januari 2013 tot en met 31 december
  5. Het betreft hier een subsidiekader voor maatschappelijke organisaties die verbonden zijn aan door de International Trade Union Confederation (ITUC) op 1-1-2012 erkende Nederlandse vakcentrales, met een opgebouwde trackrecord met vakbondspartners in ontwikkelingslanden. Het subsidiekader staat alleen open voor deze organisaties, vanwege het belang van de ‘peer to peer’ relaties in de internationale vakbeweging bij het versterken van vakbonden in ontwikkelingslanden. Dit subsidiekader heeft de vorm van een tender. Organisaties kunnen een bedrag aanvragen, maar de mogelijkheid bestaat dat slechts een gedeelte van het bedrag wordt toegekend. De beslissing welke aanvragen worden gehonoreerd en de hoogte van de toe te kennen bedragen worden aan de hand van de maatstaven van dit subsidiebeleidskader bepaald door de kwaliteit van de aanvraag. De aanvragen die voldoen aan de maatstaven komen in aanmerking voor subsidie. 2.2 Prioritaire resultaatgebieden Vakbondsmedefinancieringsprogramma De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken streeft in het kader van ontwikkelingssamenwerking naar een sterkere inclusieve economische ontwikkeling als sleutel voor economische groei, zelfredzaamheid en armoedebestrijding. Vakbonds- en arbeidsrechten vormen hierbinnen een belangrijk onderdeel. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dienen de activiteiten betrekking te hebben op alle door het ministerie vastgestelde prioritaire resultaatgebieden. Er wordt verwacht dat binnen deze resultaatgebieden keuzes worden gemaakt met betrekking tot de thema’s waar de activiteiten zich op zullen richten. Het is niet de bedoeling dat alle thema’s binnen een resultaatgebied worden bestreken. Voor het VMP zijn 6 prioritaire resultaatgebieden onderscheiden:
  6. Speerpunten OS-beleid
  7. Capaciteitsontwikkeling
  8. Decent Work Agenda
  9. Informele economie
  10. Gender
  11. Verbinding agenda lokale vakbeweging met de agenda van de Nederlandse vakbeweging. Deze prioritaire resultaatgebieden worden vanaf de volgende paragraaf verder beschreven. De vakbeweging kan haar doelen nastreven zowel via bilaterale als multilaterale kanalen. Onder bilateraal wordt vakbondswerk op landenniveau verstaan. Multilaterale samenwerking van de vakbeweging gebeurt via Global Union Federations (GUFs) en andere internationale koepels. 2.2.1 Speerpunten en landenconcentratie In de Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking worden thematische speerpunten voor de bilaterale ontwikkelingssamenwerking benoemd:
  12. Voedselzekerheid b. Geen kinderarbeid c. Geen dwangarbeid d. Recht op organisatie en collectieve onderhandeling ii. Capaciteitsontwikkeling;
  13. Organisatieopbouw (5C’s): de mate waarin het programma een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en bijdraagt aan de institutionele capaciteitsopbouw en duurzaamheid van de partners en de eigen organisatie van de aanvrager.
  14. Maatschappijopbouw (5 dimensies ontleend aan CIVICUS-index): de mate waarin het programma bijdraagt aan maatschappelijke verandering en maatschappijversterking. iii. Decent Work Agenda; iv. Informele economie; v. Gender; vi. Verbinding agenda lokale vakbeweging met agenda Nederlandse vakbeweging. b. Activiteiten: i. Leiderschapsontwikkeling; ii. Versterking nationale vakbeweging; iii. Lobby en campagne. Criterium P.3 Contextanalyses: de omvang en kwaliteit van de analyse van de context, waarbinnen het programma in een land of sector wordt geïmplementeerd, inclusief de mogelijke meerwaarde van de aanvrager en de activiteiten binnen een land of sector. Criterium P.4 Complementariteit: de mate waarin het programma wordt afgestemd op het ontwikkelingsbeleid van Nederland en afgestemd wordt op de programma’s van de nationale overheden, de andere Nederlandse vakcentrale, het PSD-programma (waaronder DECP), NGO’s, de Nederlandse ambassades, het Nederlandse bedrijfsleven, Nederlandse bilaterale hulpinspanningen en/of andere belangrijke bilaterale en multilaterale donoren (bijv. ILO) in de landen waar het programma wordt uitgevoerd. Criterium P.5 Uitwerking van Outcomes, Outputs, Activiteiten en Middelen: de mate waarin het programma is uitgewerkt in outcomes, outputs, voorgenomen activiteiten en middelen en zijn voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen en de mate waarin de outcomes en outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt. Criterium P.6 Risico’s, monitoring, bijsturing en evaluatie: de mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat systeem voor monitoring en bijsturing, de mate waarin de middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het programma, en de wijze waarop het programma wordt geëvalueerd. Indien de kwaliteit van het programma als onvoldoende is beoordeeld (minder dan 35 van de 60 punten), wordt de aanvraag afgewezen en niet verder behandeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.