BWBR0032426_2014-07-05_0 Besluit van de Minister van Economische Zaken van 7 december 2012, nr. WJZ / 12376584, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging EZ 2012 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2012) Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2012 De Minister van Economische Zaken, Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011; Besluit: § 1 Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Economische Zaken; b. de secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken; c. de hoofddirecteur Interne Organisatie: de hoofddirecteur Interne Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken; d. de hoofden van dienst: 1°. de directeur-generaal van Agro; 2°. de directeur-generaal van Bedrijfsleven en Innovatie; 3°. de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging; 4°. de directeur-generaal van Natuur en Regio; 5°. de loco secretaris-generaal; 6°. de directeur Bedrijfsvoering; 7°. de directeur Bureau Bestuursraad; 8°. de directeur Communicatie; 9°. de directeur Financieel-Economische Zaken; 10°. de directeur Wetgeving en Juridische Zaken; 11°. de directeur van PIANOo; 12°. de directeur van het Centraal Planbureau; 13°. de directeur van de Dienst ICT Uitvoering; 14°. de directeur van de Dienst Landelijk Gebied; 15°. de inspecteur-generaal der mijnen; 16°. de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; 17°. de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; 18°. de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom; e. de P&O-aangelegenheden: de aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; f. BBRA: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984; g. het ARAR: het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Artikel 2 De organisatie van het Ministerie van Economische Zaken wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 3 Het in dit besluit ten aanzien van de minister bepaalde is van overeenkomstige toepassing voor de Staatssecretaris van Economische Zaken. Artikel 4 1 Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft geen betrekking op: a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet; b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet. 2 Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval: a. beslissingen die belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kunnen hebben; b. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van de minister; c. beslissingen waaruit belangrijke financiële consequenties voor het rijk voortvloeien, behoudens voor zover een beslissing een rechtstreeks gevolg is van de bestaande aard en omvang van de regeringsbemoeienis op economisch gebied; d. het vaststellen van ministeriële regelingen en beleidsregels, met uitzondering van ministeriële regelingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, artikel 7, derde lid en beleidsregels als bedoeld in artikel 7, vierde lid; e. delegatie van bevoegdheden; f. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat door de minister of namens de minister door de secretaris-generaal is genomen; g. aangelegenheden met betrekking tot de secretaris-generaal. 3 Voorts heeft mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor: a. de Koning en het Kabinet van de Koning; b. de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges; c. een minister of een staatssecretaris; d. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie; e. de Raad van State, behoudens voor zover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard; f. de Algemene Rekenkamer behoudens voor zover het betreft gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard; g. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, met uitzondering van Actal; h. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris. Artikel 5 Bij of krachtens dit besluit verleend mandaat, volmacht en machtiging heeft geen betrekking op: a. het beslissen op een bezwaarschrift door degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen en b. aangelegenheden waarbij de gemandateerde belanghebbende is. § 2 Mandaat, volmacht en machtiging Artikel 6 1 Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499); b. het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 5.2 van de Wet dieren en het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van Europese verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid; c. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door de minister of een hoofd van dienst moeten worden vastgesteld; d. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst; e. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of 2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld; f. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst; g. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst; h. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst. 2 Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, behoren in ieder geval: a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1° tot en met 11°; b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten; c. het vaststellen van interne circulaires; d. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de directeur Bedrijfsvoering; e. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst; f. besluiten ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende: 1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen; 2°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR; 3°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR; 4°. het verlenen van buitengewoon verlof van lange duur ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie op grond van artikel 34 van het ARAR; 5°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR; 6°. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR; 7°. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR; 8°. het bevorderen naar een hogere salarisschaal; 9°. het beslissen omtrent toekennen van een terugkeergarantie; 10°. het nemen van besluiten omtrent schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10.000 op grond van artikel 69 van het ARAR; 11°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid. Artikel 6a Aan de hoofddirecteur Interne Organisatie wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen op zijn werkterrein, als bedoeld in de bijlage van dit besluit. Artikel 7 1 Aan de hoofden van dienst wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein, als bedoeld in de bijlage van dit besluit, waaronder begrepen de P&O-aangelegenheden van zijn dienst, met uitzondering van aangelegenheden waarvoor mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de secretaris-generaal of aan een ander hoofd van dienst. 2 Aan de hoofden van dienst wordt voorts, ieder voor zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor aangelegenheden inzake de benoeming, ontslag en vergoeding van leden van adviescommissies ter zake van subsidieverlening. 3 Aan de directeuren-generaal wordt tevens, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 5.2 van de Wet dieren en het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van Europese verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid. 4 Aan de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit wordt, op zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van beleidsregels. Artikel 7a Aan de directeur-generaal van Agro wordt mandaat en machtiging verleend inzake de benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden en de secretaris van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel 8 Aan de directeur-generaal van Bedrijfsleven en Innovatie wordt mandaat en machtiging verleend inzake: a. benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van de Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie; b. benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van de Adviesraad programmaonderzoek MKB en ondernemerschap; c. benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van topteams als genoemd in het Instellingsbesluit topteams in de implementatiefase topsectorenbeleid; d. benoeming en ontslag van de leden van de Stelselraad eHerkenning, de voorzitter van het Tactisch Overleg en de leden van de Klachten- en geschillencommissie. Artikel 9 1 Aan de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en verrichten van overige handelingen die verband houden met: a. de Mijnbouwwet, het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling, met uitzondering van het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen waarvoor in artikel 14, onderdelen a tot en met c, mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend aan de inspecteur-generaal der mijnen; b. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Mijnraad; c. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Technische commissie bodembeweging; d. benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Toezicht van de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland; e. benoeming en ontslag van de bestuursleden van de stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten. Artikel 10 Aan de directeur Bedrijfsvoering wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 1 tot en met 14 van bijlage B van het BBRA geldt, inhoudende: a. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden met uitzondering van de beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten die in mandaat zijn genomen door hem of door hem aangewezen ambtenaren; b. het verlenen van ontslag op grond van artikel 99 van het ARAR en het verlenen van ontslag in combinatie met een financiële regeling; c. het verlenen van buitengewoon verlof van lange duur ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie op grond van artikel 34 van het ARAR; d. het beslissen omtrent het toekennen van een terugkeergarantie op grond van sociaal flankerend beleid; e. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid; f. het nemen van besluiten omtrent schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10.000 op grond van artikel 69 van het ARAR. Artikel 11 1 Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van verzoeken van de Nationale ombudsman en bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep, met uitzondering van: a. bezwaar- en beroepschriften inzake personeelsaangelegenheden; b. bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten die in mandaat zijn genomen of behandeld door een functionaris of door die functionaris aangewezen medewerkers die mandaat, volmacht en machtiging heeft verkregen voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die besluiten. 2 Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt voorts volmacht en machtiging verleend voor het aangaan van verplichtingen inzake het verlenen van opdrachten aan externe juridische dienstverleners, met uitzondering van verplichtingen op het werkterrein van de hoofden van dienst, genoemd in artikel 1, onderdeel d, onder 10°, 14°, 16°, 17°, en 18°, en het werkterrein van het hoofd van dienst, genoemd in artikel 1, onderdeel d, onder 4°, voor zover het betreft het Programma Juridisch instrumentarium Natuur en Gebiedsinrichting. Artikel 12 1 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en aan de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van niet op personeelsaangelegenheden betrekking hebbende bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep, tegen besluiten die in mandaat zijn genomen of behandeld door hem of door onder hem ressorterende medewerkers. 2 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt tevens mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep tegen besluiten op het terrein van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Dit mandaat, volmacht en machtiging voor het behandelen van bezwaar- en beroepszaken tegen besluiten op Wob-verzoeken is beperkt tot besluiten die zijn genomen of behandeld door een hoofd van dienst of door hem aangewezen medewerkers als genoemd in artikel 1, onderdeel d, onder 13°, 14°, 16° en 17°. Artikel 13 Aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met: a. de artikelen 50, 51, derde lid, 52, derde lid, en 132 van de Mijnbouwwet; b. de artikelen 22, 30, 35, derde lid, 51, vijfde lid, 85, 88, tweede lid, 90, 91, 97, 99, derde en vierde lid, 101, 111, 112 en 113 van het Mijnbouwbesluit; c. de Mijnbouwregeling, met uitzondering van artikel 1.2.1 en paragraaf 1.4 en artikel 12.1, tweede lid; d. artikel 18.2 van de Wet Milieubeheer en artikelen 5.2, 5.14, 5.15, 5.16, 5.17, 5.18, 5.20, derde lid, 5.21, 5.22 en 5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; e. artikel 119 van het Besluit Stralingsbescherming. § 3 Instructies Artikel 14 Mandaat en volmacht worden uitgeoefend met inachtneming van: a. ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Aanwijzingen voor de rijksdienst en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies; b. de in de beschrijving van de administratieve organisatie voorgeschreven medeparaafprocedures alsmede andere afspraken omtrent afstemming en coördinatie; c. artikel 2, tweede lid, van het Besluit Taak FEZ. Artikel 15 Het krachtens mandaat of volmacht ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Economische Zaken, namens deze: (handtekening) (naam functionaris) (functie) § 4 Ondermandaat Artikel 16 1 De secretaris-generaal kan aan een hoofd van dienst binnen diens werkterrein ondermandaat en machtiging verlenen voor benoeming en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges. 2 De secretaris-generaal kan aan een hoofd van dienst mandaat, volmacht en machtiging verlenen voor P&O-aangelegenheden van zijn dienst, waarvoor de secretaris-generaal of de directeur Bedrijfsvoering krachtens dit besluit mandaat, volmacht en machtiging heeft verkregen. 3 De secretaris-generaal kan voorts aan de hoofddirecteur Interne Organisatie mandaat, volmacht en machtiging verlenen voor de aangelegenheden op zijn werkterrein, waaronder voor P&O-aangelegenheden. Artikel 17 1 De hoofden van dienst kunnen, ieder voor zijn werkterrein, voor aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, en 10 tot en met 13, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan hun plaatsvervangers, en wat het werkterrein van ondergeschikte organisatieonderdelen of functionarissen betreft, aan de hoofden van die onderdelen of aan die functionarissen en aan hun plaatsvervangers. 2 Voor P&O-aangelegenheden geldt, in afwijking van het eerste lid, dat geen ondermandaat, volmacht en machtiging mag worden verleend voor de volgende aangelegenheden: a. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen; b. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR; c. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR; d. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR; e. het verlenen van buitengewoon verlof op grond van artikel 34 van het ARAR; f. het bevorderen naar een hogere salarisschaal; g. het toekennen van beloningen; h. het nemen van besluiten omtrent schadeloosstellingen op grond van artikel 69 van het ARAR; i. het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 49l en 96 van het ARAR; j. het schorsen op grond van artikel 91 van het ARAR; k. het verminderen van bezoldiging tijdens schorsing; l. het beslissen over een terugkeergarantie. 3 De secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst schriftelijk toestemming geven voor het, in afwijking van het tweede lid, verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging. Artikel 18 1 Het verlenen van ondermandaat en volmacht alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. 2 Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat, volmacht en machtiging als bedoeld in de artikelen 16 en 17 wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken, de directeur Financieel-Economische Zaken, de directeur Bedrijfsvoering, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer. § 5 Vervanging Artikel 19 1 De uit dit besluit voor de secretaris-generaal voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op de loco secretaris-generaal. Bij afwezigheid van zowel de secretaris-generaal als de loco secretaris-generaal gaan de uit dit besluit voortvloeiende bevoegdheden over op de hoofddirecteur Interne Organisatie. Bij afwezigheid van zowel de secretaris-generaal, de loco secretaris-generaal en de hoofddirecteur Interne Organisatie gaan de uit dit besluit voortvloeiende bevoegdheden over op een door de secretaris-generaal aangewezen directeur-generaal. 2 De uit dit besluit voor de hoofden van dienst voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op hun plaatsvervanger, met uitzondering van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging. § 6 Ondertekening bij afwezigheid minister Artikel 20 1 Indien afwezigheid of ontstentenis van de minister eraan in de weg staat dat een door de minister genomen besluit door hem wordt ondertekend, kan, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich ertegen verzet, een besluit namens de minister worden ondertekend door de secretaris-generaal. 2 In het geval bedoeld in het eerste lid geschiedt het ondertekenen als volgt: De Minister van Economische Zaken, namens deze, overeenkomstig het door de minister genomen besluit: (handtekening) (naam) secretaris-generaal § 7 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 21 1 Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EL&I 2012 wordt ingetrokken. 2 Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de op het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EL&I 2012 gebaseerde besluiten op dit besluit. Artikel 22 Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de hoofden van dienst en de Algemene Rekenkamer. Artikel 23 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012. Artikel 24 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2012. Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. ‘s-Gravenhage 7 december 2012 De Minister van Economische Zaken,H.G.J.Kamp. Bijlage : Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken I Hoofdstructuur van de organisatie 1. Het Ministerie van Economische Zaken bestaat uit het kernministerie en de buitendiensten. 2. Het kernministerie bestaat uit: a. de algemene leiding; b. de beleidsonderdelen: 1°. het directoraat-generaal voor Agro; 2°. het directoraat-generaal voor Bedrijfsleven en Innovatie; 3°. het directoraat-generaal voor Energie, Telecom en Mededinging; 4°. het directoraat-generaal voor Natuur en Regio. c. de stafdirecties: 1°. de directie Algemene Economische Politiek; 2°. de directie Bedrijfsvoering; 3°. de directie Bureau Bestuursraad; 4°. de directie Communicatie; 5°. de directie Europa; 6°. de directie Financieel-Economische Zaken; 7°. de directie Wetgeving en Juridische Zaken. d. het overige onderdeel: PIANOo. 3. Onder het Ministerie van Economische Zaken ressorteren de volgende buitendiensten: a. het Centraal Planbureau (CPB); b. de Dienst ICT Uitvoering (DICTU); c. de Dienst Landelijk Gebied; d. het Staatstoezicht op de Mijnen; e. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; f. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; g. Agentschap Telecom. II Algemene leiding 1. De algemene leiding staat onder leiding van de secretaris-generaal. i. het invulling geven aan de bedrijfsmatige relatie met de overige agentschappen en met de aan de Minister van Economische Zaken gelieerde organisaties met publieke taken; j. sturing geven aan inbreng in projecten die voortvloeien uit het overleg tussen secretarissen-generaal; k. het vertegenwoordigen van het ministerie in interdepartementale gremia, waaronder de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst en de Interdepartementale Commissie Chief Information Officers. f. het zeker stellen van een adequate en duurzame voedselvoorziening en voedselzekerheid op nationaal, Europees en mondiaal niveau; g. het vormgeven en bewaken van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en gemeenschappelijk visserijbeleid; h. het bewaken en coördineren van een eenduidige en EU-conforme uitvoering van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid; i. het stimuleren van de economische topsectoren Agro-Food, Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. k. het zorg dragen voor de vormgeving van een duurzame visserij op de zee, kust- en binnenwateren, waarbij inbegrepen een duurzame aquacultuur. m. het bewaken van broeikasemissie afspraken agrosectoren met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; n. het zorg dragen voor de beleidsontwikkeling op het gebied van nieuwe technologieën ten behoeve van veilig en goed voedsel en het inzicht verkrijgen in mogelijke consequenties voor ons leefsysteem in samenhang met maatschappelijke acceptatie. p. het ondersteunen van concern en bestuur bij organisatieontwikkeling en verandertrajecten door middel van advisering, teamcoaching en procesbegeleiding; q. voorbereiden van (inter)departementaal overleg op het terrein van organisatie en bedrijfsvoering en het zorg dragen voor een integrale afweging; r. het voortouw nemen op bedrijfsvoeringsbrede thema’s zoals het nieuwe werken, (informatie)beveiliging, integriteit en programmatisch werken; s. het voorzien in expertise en capaciteit op het terrein van beleid (projectenpool), bedrijfsvoering en interimmanagement; t. het leveren van diensten en voorzieningen voor een vlot verloop van het dagelijkse werk voor de individuele medewerker van het kerndepartement, waaronder begrepen het reserveren van vergaderzalen met catering, het voorzien in toegangspassen en het afhandelen van vragen en storingsmeldingen; u. het behandelen van verzoeken tot het organiseren van evenementen en verzoeken tot interne verhuizingen; v. het verzorgen van de communicatie binnen het kerndepartement inzake bedrijfsvoeringsonderwerpen en het beheer van de huisstijl; w. het leveren van managementinformatie ten behoeve van de departementsleiding en dienstonderdelen op het gebied van bedrijfsvoering; x. de controle op de personele budgetten, processen en formatie van het kerndepartement; y. de financiële controle op materiële budgetten en het bewaken van de kwaliteit van werkprocessen van de directie. 2°. het nemen van subsidiebesluiten, het uitkeren van subsidies en het adviseren over subsidies; 3°. het zo nodig voeren van administratieve procedures inzake onteigening in het belang van landinrichting als bedoeld in titel VII van de onteigeningswet; 4°. het vertegenwoordigen van de Staat der Nederlanden bij het verwerven bij minnelijke overeenkomst van hetgeen onteigend moet worden overeenkomstig de onteigeningswet; 5°. het vertegenwoordigen van de Staat der Nederlanden bij de levering van onroerende zaken en rechten die zijn verkregen door minnelijke verwerving ter voorkoming van onteigening en bij de levering van onroerende zaken en rechten die zijn onteigend, aan het bureau beheer landbouwgronden of aan Staatsbosbeheer; 6°. het uitvoeren van het gestelde bij of krachtens de Wet inrichting landelijk gebied, de Landinrichtingswet voor zover nog van toepassing, de Reconstructiewet Midden-Delfland voor zover nog van toepassing, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën voor zover nog van toepassing, de Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden voor zover nog van toepassing en de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties; aa. het bieden van ondersteuning bij de administratieve en financiële afwikkeling van crises; bb. het fungeren als loket voor burgers en ondernemers; cc. de ontwikkeling en het beheer van gegevensregistraties van dieren, percelen, grondgebruik en relaties, en het beschikbaar stellen van gegevens aan andere publieke en private organisaties; dd. de registratie en integratie van gegevens gericht op evaluatie en beleidsontwikkeling, en de advisering over beleidsontwikkeling met het oog op de uitvoerbaarheid; ee. het beschikbaar stellen van haar uitvoeringsdeskundigheid en infrastructuur aan andere opdrachtgevers binnen de overheid, nationaal en in EU-verband; ff. het vertalen van wet- en regelgeving naar effectief en efficiënt uitvoeringsbeleid; gg. het in opdracht van een hoofd van dienst of de hoofddirecteur Interne Organisatie uitvoeren van aanbestedingsprocedures en het ondertekenen van contracten en raamovereenkomsten; hh. het zorg dragen voor de implementatie en uitvoering van Europese verordeningen voor het visserijbeleid; ii. het uitvoeren van de nationale en internationale visserij wet- en regelgeving.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.